Met sommige componisten heb ik een ambiguë relatie. Dat zijn er niet zo veel, maar Ravel is er één van. Vooral bij wat hij – als niet onverdienstelijke pianist – gecomponeerd heeft voor piano stellen ook doorgewinterde pianisten zich vragen. 

Met sommige componisten heb ik een ambiguë relatie. Dat zijn er niet zo veel, maar Ravel is er één van. Vooral bij wat hij – als niet onverdienstelijke pianist – gecomponeerd heeft voor piano stellen ook doorgewinterde pianisten zich vragen. “Het is ‘onpianistiek’ geschreven, verschrikkelijk moeilijk correct uit te voeren en ook al doe je ongelofelijk hard je best, het resultaat laat vaak te wensen over.” Tja.

Dit seizoen hebben we in deSingel al een rist uitzonderlijke toetsentovenaars gehoord en je moet al van goeden huize zijn om, gespreid over twee avonden, een integrale van het oeuvre voor piano van Maurice Ravel (1875-1937) te vertolken. Er was nogal wat spanning in de zaal: een zeldzame hoestbui werd door iemand uit het publiek op luid gemopper onthaald en bij het begin van Gaspard de la Nuit weerklonk een gsm. Osborne kon er gelukkig (!) mee lachen en zei zoiets als “Ja zo ongeveer begint dat”, en herbegon na luttele seconden concentratie gewoon opnieuw.

Ik hou wel van een aantal werken uit het repertoire van Ravel. Eén daarvan is bijvoorbeeld Gaspard de la Nuit (Ondine, Le Gibet, Scarbo) met een onvergetelijke uitvoering door Arthur Rubinstein en ondanks het kleine incidentje (zie hierboven) slaagt Osborne erin het publiek te boeien. De twee balletsuites Daphnis et Chloé (1912), het ballet La Valse (voor orkest) en het Pianoconcerto voor de linkerhand (geschreven voor Paul Wittgenstein, broer van de filosoof Ludwig) behoren tot het allerbeste wat deze leerling van Gabriel Fauré uit zijn pen schudde. Over de ad nauseam gehoorde Bolero zullen we het hier niet hebben. Ik denk dat als Ravel het zelf had geweten, hij zoiets wel achterwege gelaten zou hebben. Wel was hij een meester in de orkestratie. Daarvan getuigt in de eerste plaats de Schilderijententoonstelling van Moessorgski. Maar de Valse (voor piano solo), hetzelfde jaar geschreven als de versie voor orkest, valt dan weer tegen.

De Sonatine voor piano (1905) valt vaak tussen de plooien. Toch is ze zeer bekoorlijk en best geschikt om een recital van die moeilijkheidsgraad mee te beginnen.

Na de pauze vraagt Osborne beleefd om niet te applaudisseren tussen de korte stukjes door… en als het u belieft, dames en heren, mag dat wel nét voor de afsluiter La Valse. Zoals vermeld dwingt die Valse voor piano solo allicht bewondering af, maar ze bekoort niet. Voor mij klinkt het veeleer alsof Ravel dacht dat hij Liszt was (grapje!). De virtuositeit druipt van het podium tot halfweg de zaal, maar zoals u weet is vingervaardigheid sowieso een must maar geen doel op zich!

Tussendoor volgen ‘kleine’ brokjes – tussen één en zes minuten – elkaar op in een gematigd tempo: Pavane pour une infante défunte, Menuet sur le nom de Haydn, Á la manière de Chabrier, Á la manière de Borodin, Sérénade grotesque, Menuet in cis, Jeux d’eau en Prélude.

Na de beruchte Valse is Osborne vriendelijk bereid tot een toegift uit Ma mère l’Oye, een niet meteen hoogstaand stuk maar niettemin typisch Ravel.  Benieuwd wat de tweede avond Ravel ons brengt op vrijdag 25 mei aanstaande.