Een week van het strijkkwartet zonder Haydn is als een koffiehuis zonder drab. Ondenkbaar dus. De Oostenrijkse componist pende tientallen exemplaren bij elkaar, en daarvan stonden er op dag twee evenveel parels op het programma. Als spelmakers van dienst maakte het Brusselse festivalpubliek kennis met een enthousiasmerend Quatuor Hanson.

Na de gevestigde waarde van gisteren – Danel, leest u wel – staat er de rest van deze themaweek nog heel wat aanstormend talent te antichambreren. Want doet de naam Hanson niet meteen een belletje rinkelen, dan werkt het gelijknamige kwartet hard om daar verandering in te brengen. Wat daarbij als eerste opvalt, is dat deze vier musici zich enkel en alleen als ensemble presenteren. Geen individuele bio’s dus op hun website, maar een exclusieve focus op datgene wat bovenal samen wordt bereikt. En dat is inmiddels wel wat. Het jonge viertal, in 2013 aan het Parijse conservatorium opgericht en genoemd naar primarius Anton Hanson, gooide de voorbije jaren hoge ogen op concoursen in Lyon (2015) en Genève (2016). Naast de jury wisten ze zo terloops ook het publiek te charmeren. Dit voorjaar nog behaalde het Quatuor Hanson op het Internationaler Joseph Haydn Kammermusikwettbewerb in Wenen de tweede plaats en ging in één moeite ook met de publieksprijs aan de haal. Voor hun vertolkingen van de strijkkwartetten van Haydn – uiteraard een verplicht nummer in elk van de drie ronden – werd het gezelschap nogmaals gelauwerd. Twee van de werken die bij deze gelegenheid op de nodige bijval konden rekenen, zouden ook deze middag weerklinken. Dat beloofde dus veel goeds.

Vurig tof

Staat u mij toe er een keer geen doekjes om te winden. Dat doet Haydn in zijn vijfde strijkkwartet uit diens opus 33 immers ook niet (1781). Groot, zoals de toonsoort van dit werk, was de voldoening bij het horen én aanschouwen van zoveel jeugdig inlevingsvermogen en speelplezier. Opende het Vivace assai nog aftastend met een schuchter statement – eigenlijk niet meer dan een door de componist voorgeschreven opmaat die dit opusnummer het epitheton ‘Hoe gaat ie’ opleverde – dan kwam er tijdens dit vrolijke eerste deel algauw een kwartet tevoorschijn dat met sprekend gemak de spitse en luchtige volzinnen van Haydn op een haast volmaakte wijze voordroeg. Dit was zonder meer een verfijnd gearticuleerde start. Even oprecht en tot in de puntjes afgewerkt, klonk vervolgens ook het mooie Largo e cantabile. De aangrijpende partij van de eerste viool werd met heel veel gevoel gestreken. Schitterend was bovendien het perpetuum mobile waarmee de overige instrumenten het bedje voor hem gespreid hielden. Communicatie verliep ondertussen via de oren en een gerichte gestiek, soms met een korte blik. Na een moeilijk te timen, maar niettemin opvallend stevig geaccentueerde scherts (Allegro), en een trio waarvan de heerlijk subtiel ingehouden slotfrase even bleef nazinderen, had de sierlijke finale zowaar nog enkele verrassende tussenkomsten in petto (Allegretto). Alt en cello intoneerden hun plotse moment de gloire met verve. En ook al werd het tempo op het eind niet meer drastisch opgeschroefd, ook zonder die demarrage plaatste het viertal een afgetekend orgelpunt. Strijkstokken gedecideerd in de lucht. Handen op elkaar.

“Dat was tof hé”, klonk het bij de achterbuurvrouwen. Nou en of. Maar met Haydns kwartet bijgenaamd ‘Kwinten’ sloeg de sfeer helemaal om (1796-1797). En toch. Ook al was de stemming er zonder verpinken een in mineur, de appreciatie en het luistergenot bleven onverminderd dezelfde, het resultaat minstens zo onderhoudend. Daar zit het verbazingwekkend ingenieuze karakter van de partituur natuurlijk voor een aanzienlijk deel tussen. Het Quatuor Hanson deed echter meer dan gewoon zijn duit in het zakje. Enkele voorbeelden. De bijwijlen grootse en tegelijk zeer compacte klank waarmee tijdens het broeierige Allegro de talrijke dynamische hoogtepunten werden verlevendigd. De pizzicatobegeleiding in de aanhef van het Andante o più tosto allegretto, die op frappante wijze beklemtoond werd. Of nog de ronduit coole manier waarop alt en cello in het tranceachtige menuet steeds opnieuw en resoluut het laatste woord opeisten (Allegro ma non troppo). In de furieuze finale puurde het kwartet nog een laatste maal uit zijn schijnbaar onuitputtelijk reservoir aan onvervalst enthousiasme (Vivace assai). Accelereren, ternauwernood terug-schakelen, even kort overleggen om nadien weer vol gas te geven: deze jongelui hadden fantastisch veel gegeven. Tijdens Midis-Minimes’ strijkkwartetweek van twee jaar terug liet het Quatuor Van Kuijk een soortgelijke, diepe indruk na. Parijs is duidelijk een vruchtbare voedingsbodem voor deze edele kunst.

À propos. Nu het heilige vuur zodanig brandde, kwam het Quatuor Hanson nog met een extraatje op de proppen: het scherzo uit het beroemde Töd und das Mädchen-kwartet (Allegro molto). Meer zwierig dan zwaarmoedig, was deze toegift – ook al in re-klein – even welgekomen als -gekozen. Want een week van het strijkkwartet zonder Schubert, dat is als een koffiehuis zonder … Welja.


  • WAT: Joseph Haydn (1732-1809) – Strijkkwartet in G “Hoe gaat ie” (opus 33 nr. 5) – Strijkkwartet in d “Kwinten” (opus 76 nr. 2)
  • WIE: Quatuor Hanson [Anton Hanson (viool), Jules Dussap (viool), Gabrielle Lafait (altviool), Simon Dechambre (cello)]
  • WAAR: Koninklijk Conservatorium Brussel
  • WANNEER: dinsdag 8 augustus 2017
  • ORGANISATIE: Festival Midis-Minimes
  • AFBEELDINGEN: © Anne Laure Lechat & Denis Blackghost