De mooiste vijfdaagse van ’t jaar: dat is de week van het strijkkwartet op het zomerfestival Midis-Minimes. “Het meest verheven en voldragen genre binnen de kamermuziek” – dixit de organisatie – zoog voor de tweede keer op rij alle aandacht en vele nieuwsgierige concertgangers in het Koninklijk Conservatorium Brussel naar zich toe. Du holde Kunst, ich danke dir dafür!

De mooiste vijfdaagse van ’t jaar: dat is de week van het strijkkwartet op het zomerfestival Midis-Minimes. “Het meest verheven en voldragen genre binnen de kamermuziek” – dixit de organisatie – zoog voor de tweede keer op rij alle aandacht en vele nieuwsgierige concertgangers in het Koninklijk Conservatorium Brussel naar zich toe. Du holde Kunst, ich danke dir dafür!

Je zou haast denken dat het strijkkwartet in onze hoofdstad nooit zo populair is geweest als vandaag. Vijf overwegend zonnige middagen op rij liep de concertzaal van het Brusselse conservatorium aardig vol. En ook Flagey pakt in het komende seizoen opvallend groot uit. Zo gaat in het najaar een nieuwe reeks rond deze intieme, vierstemmige strijkerscombo van start. Maar de rijke geschiedenis der klassieke muziek vertelt een ander verhaal: dit nobelste der kamermuziekgenres is voor zowat elke belangrijke componist sinds de tweede helft van de 18de eeuw een vehikel waarmee hij – van een zij is er helaas zelden sprake – zijn diepste zielenroerselen op de meest verfijnde manier wist te verklanken. De canon aan grote en kleinere meesterwerken die op die manier is gegroeid, beroert al vele generaties lang de melomane gemoederen. En dus was het des te opmerkelijker dat het tot vorig jaar heeft geduurd alvorens het Festival Midis-Minimes een themaweek over dit repertoire in het leven riep. Het werd een inslaand succes, voor herhaling vatbaar tijdens deze 29ste editie. Continuïteit is dit jaar niet voor niets één van de sleutelwoorden voor de organisatie. Daar konden diegenen die er in 2014 niet bij konden zijn – vakantie, weet u wel – zich uiteraard alleen maar in verheugen. Het programmaboekje had overigens nog wel meer goed nieuws in petto, want het festival viert zijn dertigste verjaardag volgende zomer buitenshuis. Noodgedwongen. Jawel, het lijkt erop dat de restauratiewerken aan het conservatorium eindelijk een aanvang zullen nemen. En dat is geen kwartnoot te vroeg.

Spiegel van Schubert

Continuïteit mag dan al een leidraad zijn doorheen de programmering, de aandacht voor de jeugd is dat evenzeer. Bijgevolg verschenen er vier jongeheren aan de aftrap van deze strijkkwartetweek. De naam van hun ensemble ontleenden deze youngsters aan het witte doek – achternamen van één of meerdere van de muzikanten zijn er inderdaad al in overvloed en bekken daarom lang niet altijd even goed. Zerkalo (De spiegel), een prent uit 1975 van de Russische grootmeester van de zevende kunst Andrej Tarkovski (1932-1986), klinkt dan toch heel wat hipper dan, ik noem maar wat, Guaita Igual Quartet. En tot nader order staat de naam van Spiegel Quartet in onze contreien nog steeds onder embargo. Hoe dan ook, de award voor meest originele naam had het Zerkalo Quartet alvast binnen.

Het is en blijft trouwens een zeer mooi én treffend beeld: muziek is – veel meer nog dan ogen of welk ander lichaamsdeel ook – de spiegel van de ziel. Evenzo bij Schubert. Zeker en vast ook bij hem, deze veel te vroeg gestorven componist die in zijn laatste levensjaren nog als het ware op een drafje tal van pakkende juwelen in de kamermuzikale schatkamer begroef. Men kan hem slechts afdoende eren door zijn sublieme werken te spelen. Gelukkig denkt het Zerkalo Quartet er ook zo over. Uit de repertoirelijst van het Belgische viertal spreekt in deze fase alvast een bijzondere belangstelling voor ’s mans oeuvre. Met Eric Robberecht (Ensor Kwartet) en Marc Danel (Quatuor Danel) hebben ze er natuurlijk de perfecte leermeesters voor. Schubert vergt van uitvoerders in veel gevallen overigens een flinke brok uithoudingsvermogen, of het nu om pianosonates, -trio’s of strijkkwartetten gaat. Zijn vijftiende en laatste kwartet dat de pupiters sierde, een emotionele rollercoaster die ondanks zijn lengte in een tiental dagen op papier stond, vormt hier allesbehalve een uitzondering op. Om nog maar gauw te zwijgen van de torenhoge technische eisen en ritmisch-harmonische uitdagingen. Hoe dan ook, stond er deze middag eigenlijk maar één enkel stuk op het programma, de prijs voor meest ambitieuze kwartet ging ook al naar de stijlvolle men in black van Zerkalo.    

Hun start was aarzelend. De dubbele crescendo waarmee het Allegro molto moderato zo ijselijk inzet, kwam wat boogstreek te kort om meteen bij de keel te grijpen. Beide thema’s werden in de expositie ietwat bedeesd voorgesteld. Daardoor was de balans aanvankelijk niet altijd optimaal, bijvoorbeeld wanneer het beminnelijke tweede thema te fijnbesnaard in de altviool verscheen. Viel de aanvang dus enigszins ten prooi aan de symfonische allures die dit kwartet omwille van de talrijke tremolo’s soms wordt toegemeten, dan kreeg de muziek vanaf de doorwerking meer spankracht. Het contrast tussen hoop en vrees kwam steeds beter uit de verf, zeker ook in het overtuigende Andante un poco moto. Meer nog dan de sierlijke intonatie, sprong de afwisseling tussen een haast onschuldig gemijmer – in gang gestoken door een opvallend geaccentueerde opmaat in de cello – en de snedig aangestreken urgentie in het oor. In één woord: geweldig. Het viertal besteedde ook veel zorg aan de timing van het scherzo (Allegro vivace), waarin niet zozeer het tempo dan wel de fraaie rallentando’s in het trio een blijvende indruk lieten. De finale (Allegro assai) – volgens de Nederlandse schrijver en muziekkenner Simon Vestdijk “misschien de geniaalste tarantella die ooit is geschreven” (Muziek in blik, p. 95) – kende iets te veel onzuiverheden. Maar dat is wat kan gebeuren als een ensemble alle registers opentrekt. Jeugdig enthousiasme maakte alleszins veel goed. Een heel ander geluid kregen de toehoorders als extraatje: Toshio Hosokawa’s (°1955) arrangement voor strijkkwartet van Bachs koraal O Mensch, bewein’ dein Sünde groß (BWV 622).

Wervelend, sensueel en ingetogen

Op dag twee van Midis-Minimes’ week van het strijkkwartet maakten de mannen van het Quatuor Van Kuijck hun opwachting. Opnieuw een piepjong ensemble – gemiddelde leeftijd 27,5 jaar – maar eentje dat met enkele mooie adelbrieven vanuit Parijs naar Brussel kwam afgezakt. Na een eerste plaats én de publieksprijs op de Trondheim International Chamber Music Competition in 2013, won het Franse viertal in maart van dit jaar ook de prestigieuze, driejaarlijkse Wigmore Hall String Quartet Competition. Dankzij deze overwinningen, en het mecenaat van het Instituto Internacional de Música de Cámara de Madrid en HSBC France, heeft het kwartet al veel podiumervaring kunnen opdoen. In Londen bleek het Quatuor Van Kuijck ook de beste in het uitvoeren van het werk van Beethoven en Haydn. Maar die laatste weerklonk pas morgen. En van Beethovens grandioze strijkkwartetten was tijdens deze week jammer genoeg geen spoor te bekennen. Wel werden de toehoorders met het Capriccio (1843) en diens zesde en laatste strijkkwartet (1847) op een flinke streep Mendelssohn getrakteerd.

Het begin was alvast veelbelovend. De jeremiade waarmee het Capriccio opent (Andante con moto), werd door de primarius op een nauwkeurige manier gefraseerd. Ondertussen zorgden de andere musici voor een haast sensuele begeleiding. De discipline die het viertal in het daaropvolgend Allegro fugato aan de dag legde, leverde een transparant en bovendien dynamisch progressief resultaat op. Ook in het geagiteerde openingsdeel van het opus 80 (Allegro vivace assai) werd op een zeer knappe manier met crescendo’s en decrescendo’s gegoocheld. Het was mooi om zien hoe het enthousiaste viertal er samen de vaart inhield en in het slot nog een tandje bijstak. Verdiend stak een schuchter, tussentijds applaus op. Maar het beste moest dan nog komen. In het Allegro assai ging de aandacht niet zozeer naar de snelheid van uitvoering, als wel naar het zo apert mogelijk plaatsen van accenten: een keuze waaruit veel karakter sprak en die de rusteloze muziek deed swingen dat het een lieve lust was. Het Adagio was dan weer één en al ingetogenheid en subtiliteit. Iedereen kende perfect zijn rol.  En dankzij de middenstemmen werd ook het solide hart van de schriftuur blootgelegd. De finale ten slotte (Allegro molto), was één brok feilloos getimede energie. Magnifiek. Net als bij Schubert is ook Mendelssohns laatste kunststukje in het genre een fabuleuze broeihaard van prachtige dialogen, dynamische contrasten en wervelende harmonieën. Eentje dat het Quatuor Van Kuijck gerust eens mocht overdoen. Helaas bleef een encore uit. Maar niet getreurd, want zowel dit concert als dat van het Zerkalo Quartet zal op 7 en 8 september op Musiq’3 worden uitgezonden (13u).

Ouderdomsdeken eert reus

We zijn halfweg. Het Henschel Quartett heeft het publiek zonet met twee Haydn-kwartetten laten kennismaken. Het was een halve openbaring. Want niet alle strijkkwartetten van de stamvader van het genre genieten evenveel bekendheid. De meest in het oor springende hebben doorheen de tijd een troetelnaam gekregen, afgeleid van opvallende motieven in de muziek. Een vogel, een leeuwerik, kikker, reine kwint of opkomende zon zijn evenzovele manieren om in diens fabuleuze corpus van tientallen opusnummers enkele werken te laten uitspringen. Het tweede stuk dat vandaag werd gebracht, het kwartet bijgenaamd “Reiter” (1793), is met zijn opvallende galop in de finale (Allegro con brio) een exemplarische oorwurm. En toch heb je bij Haydn soms het gevoel dat zijn kwartetten inwisselbaar zijn. Dat er in die vele reeksen van zes karakter ontbreekt. Het menuet van datzelfde “Reiter”-kwartet is wat mij betreft een goed voorbeeld. Maar het kan nooit worden ontkend dat deze maestro, gezegend met een lang leven en een nog opvallender dosis experimenteerdrift, de veruit belangrijkste toondichter voor deze bezetting is geweest. De reus op wiens schouders al diens volgelingen konden excelleren. De emancipatie van elk instrument, het inbrengen van het scherzo, de thematische concentratie en dialogiserende kwartetstijl: we vinden het allemaal bij hem terug.

Het ging het Henschel Quartett deze middag ook tweemaal bijzonder makkelijk af, althans zo klonk het toch. Met ondertussen meer dan twintig jaar op de bühne hoef je dit Duitse familie-ensemble – het ouderdomsdeken van deze week – geen trucjes meer te leren. De primarius – die in de tweede van zes minder vaak gespeelde “Tost”-kwartetten (opus 64, 1790) opnieuw meer op de voorgrond treedt – zette zijn partij vlekkeloos neer. Ook in het Adagio ma non troppo spinde hij zeer precies en met zin voor nuance zijn verhaal. Het tempo was wat aan de trage kant, maar door het bedwelmend mooie maatgevoel van het viertal bleef je toch geboeid luisteren. En schaamteloos genieten. Van het lieflijke trio in het daaropvolgende menuet (Allegretto) bijvoorbeeld, dat op een gesmaakte manier afstak tegen de dynamisch uitbundigere, veerkrachtige hoekdelen. Of van de energie in de Sturm und Drang-finale, waarin de cello dreigend aan de oppervlakte kwam. Ook in het “Reiter”-kwartet waren er een aantal aha-erlebnissen, zoals de begeleidende figuren in de altviool in de eerste beweging (Allegro) of het veelvoud aan kleuren in het compacte Largo, met frasen die gevat in een dramatisch culminatiepunt uitmondden. De finale – met zijn korte adempauzes, het paard moet ook al eens rusten nietwaar – was een en al aanstekelijke gedrevenheid. Na de heftigheid van de eerste twee dagen was dit een eerbetoon aan Haydn waarin spelplezier en –vernuft op heerlijke wijze aan elkaar werden gekoppeld.

Feestgebruis in de Alfama-wijk

Dag vier en het was tijd voor het geliefde Quatuor Alfama. Het kwartet stond de voorbije jaren al verschillende keren op de affiche van Midis-Minimes (2010, 2012, 2013) en het Brusselse publiek sluit het viertal telkens opnieuw in het hart. De zaal liep dan ook vol, en op het einde van de eerste beweging van Dvoráks “Amerikaanse” strijkkwartet (1893) volgde reeds een eerste applaus. Geen wonder, hoor ik u al denken, want dat is toch diens populairste worp in het genre? Inderdaad, dit lyrische werk is als een coup de foudre: even ontwapenend, aangrijpend als pittig, u moet dat zeker en vast eens beluisteren. Je stapt er als het ware fluitend de dag mee door. Dus heb je iets te vieren – een tienjarig bestaan bijvoorbeeld, zoals Alfama dit jaar – dan schep je op deze manier in een aantal boogstreken de juiste sfeer. Voeg daar nog het Andante cantabile uit Tsjaikovski’s succesvolle, eerste volledige proeve als voorprogramma aan toe en je hebt een crowdpleaser van formaat.

Meteen van bij de plechtige eerste maten van diens bekendste beweging voor deze bezetting viel op wat het Quatuor Alfama zo sterk maakt: een hecht harmonisch klankbeeld neemt niet weg dat er op meevoelende wijze ruimte gemaakt wordt voor het polyfone lijnenspel, voor woord en wederwoord. Voeg daar nog de knappe intonatie in het middendeel aan toe en we waren allengs weer vertrokken voor een sprankelend concert. Jawel, de daaropvolgende Dvorák bruiste dat het een lieve lust was. De door de componist over de verschillende instrumenten zo talrijk uitgestrooide melodieën werden zonder enig onderscheid vloeiend en smaakvol gefraseerd. De talrijke dynamische plotwendingen in het Allegro ma non troppo gingen niet ten koste van de transparantie. En de accenten in het perfect getimede scherzo (Molto vivace) verrieden een bijzonder oog voor detail, iets wat trouwens ook uit de mooie, blauw getinte outfits sprak. Die verdienden zonder enige twijfel de prix assorti. De finale had enkele unieke kippenvelmomenten in petto – het was overigens net op zo’n moment, wanneer de primaria speldenprikjes uitdeelt aan de verenigde timbres van alt en cello, dat het viertal hun encore liet starten. Voor het overige was het in het Vivace ma non troppo gedrevenheid troef. In galop – een meer gesofistikeerde variant dan deze van Haydn de dag voordien – werd naar een zinderende apotheose toegewerkt. In niets was deze middag te horen dat de vaste tweede viool niet meedeed. Zo bleef de verrukkelijk meanderende begeleiding aan de start van het Lento bijvoorbeeld alle aandacht op zich trekken, zelf nadat de eerst viool haar intrede had gedaan. Faut le faire!  

Rappen en klappen op de trein

Wie Midis-Minimes op vrijdag zegt, die mag zich sowieso aan iets speciaals verwachten. Wat dacht u bijvoorbeeld van acht cello’s op een podium, zoals tijdens het niet te missen slotconcert van deze editie? Een onophoudelijk heruitvinden van de muzikale taal is het credo op deze dag, en dat vertaalt zich in moderne composities uit de 20ste en 21ste eeuw: Shostakovich en Béla Bartók, jazeker, maar evengoed Amerikaanse componisten als Gershwin, Bernstein én Steve Reich. Die laatste creëerde in 1988 voor zijn landgenoten van het Kronos Quartet een opmerkelijk stuk voor strijkkwartet en tape. Different Trains is een programmatisch werk dat in drie delen over de periode voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog reflecteert. Het doet dit vanop een trein – de jonge Reich pendelde in de jaren ’40 dagenlang tussen gescheiden ouders aan de Amerikaanse oost- en westkust op een moment dat zijn Joodse broeders en zusters aan de andere kant van de oceaan tot een heel ander type treinreis veroordeeld waren. Helaas kan de compositie niet helemaal overtuigen. “Germans invaded” hoor je bij de opening van Europe – During the War op de tonen van aanhoudend luchtalarm. Maar in wat muzikaal volgt, mist deze trein zijn tragische lotsbestemming. De muziek verklankt misschien wel de horror, maar op generlei wijze het leed van de concentratiekampen. Echt raken doet het nooit.  

Reich drukt zich met Different Trains in een persoonlijke en spitsvondige muzikale taal uit. Letterlijk, door het veelvuldig gebruik van flarden gesproken woord. En figuurlijk, door via sampling van deze korte citaten zijn melodische basis te maken. Maar terwijl er in de 18de en 19de eeuw als het ware nog tijd was om langere discoursen op te bouwen, prachtig en pakkend, is dit aan het eind van de 20ste eeuw blijkbaar veel moeilijker. Het traktaat is ingeruild voor de tweet. En in de hedendaagse muziek hebben ostinato’s en ritme de bovenhand genomen. Een voorbeeld? In plaats van de melodie te claimen, houdt de eerste viool van bij het begin van de eerste beweging er hier vooral de vaart (van de trein) in (America – Before the War). De klankband was goed en wel op de rails gezet met een knikje naar de regisseur, die in het midden van de parterre achter de knoppen zat. Opgenomen strijkersgeluid dat door het Quatuor MP4 met live-ensemblespel werd gecombineerd, leverde door de knappe interactie én minutieuze timing een bijwijlen ingenieuze cadans op. De balans zat snor, en in combinatie met de voice-overs werd er bij momenten zelfs gerapt, met de finale (After the War) als ritmisch en sonoor meest indringende deel. Het was niet de eerste keer dat dit viertal deze trein nam, en dat was er ook aan te horen.

Jong en wederom Belgisch mag Quatuor MP4 gerust als ons eigenste Kronos Quartet beschouwd worden, “combining a spirit of fearless exploration with a commitment to continually re-imagining the string quartet experience.” Daar kreeg het publiek tijdens het bisnummer ook een schitterend staaltje van aangeboden. Als een volleerd én geconcentreerd quatuor à mains werd Clapping Music (1972) van Reich ten beste gegeven. De wisselbeker voor meest verrassende encore gaat daarmee resoluut naar het Quatuor MP4: eentje die ze allicht niet snel zullen moeten afgeven. 

Ondertussen trakteert Midis-Minimes nog anderhalve maand elke middag op een heerlijke vijfenveertig minuten muzikaal escapisme. Het programma, eclectisch en met veel zorg samengesteld, biedt voor elk wat wils. En dat voor een prikje, elke weekdag, een hele zomer lang. Bent u in het land, dan weet u alvast waar een ontdekking te doen…