Als Elina Garanča de scène opstapt, ben je even in de waan dat een perfect voorkomen voor een artieste wel degelijk bestaat. Zo stijlvol en elegant is ze, in haar beige jurk met kanten corsage, lange mouwen en glanszijden rok. Het blonde haar mooi opgestoken, de glimlach uitnodigend en discreet. Een verschijning als voorbode van haar zangkunst.

Als Elina Garanča de scène opstapt, ben je even in de waan dat een perfect voorkomen voor een artieste wel degelijk bestaat. Zo stijlvol en elegant is ze, in haar beige jurk met kanten corsage, lange mouwen en glanszijden rok. Het blonde haar mooi opgestoken, de glimlach uitnodigend en discreet. Een verschijning als voorbode van haar zangkunst.

 

In het eerste deel van het programma zingt ze twee minder bekende fragmenten Tsjaikovsky (Jeanne d’Arc en Evgeny Onegin) en Gounod (La Reine de Saba), naast het populaire “Mon coeur s’ouvre à ta voix” uit Camille Saint-Saëns’ Samson et Dalila. Het tweede deel is volledig gewijd aan Carmen van Georges Bizet, een opera die haar bijzonder goed ligt en die vooral uitstekend past bij het timbre van haar mezzo. Voor dit tweede deel heeft ze zich in een rode jurk gekleed: niets frivools evenwel, dat laat haar recente bevalling van een tweede dochtertje waarschijnlijk (nog) niet toe.

 

Feilloze legatokunst

 

Van bij het eerste fragment laat ze ons genieten van haar feilloze legatokunst. Haar soepele stem glijdt als vanzelf van de lagere naar de hogere tonen, waarbij ze tegelijk de gepaste accenten legt om de expressie kracht bij te zetten. Meteen grijpt ze ons bij de keel in het lyrische Tsjaikovsky-fragment. De hoge noten vereist in de aria uit “La Reine de Saba”, waarin Balkis wanhopig afstand neemt van haar geliefde, gaan haar beter af dan het sombere verlangen van Dalila, dat we liever nog iets meer vanuit de diepste diepte van de stem horen, waar Garanča steeds boven blijft. Vandaar dat ze zo heerlijk is in de belcanto-duetten die ze vaak zingt en waarin haar mezzo prachtig kleurt met sopraan. Vandaar ook dat ze erin slaagt om als tweede bis het geliefde “O mio babbino caro” uit Puccini's Gianni Schicchi te zingen: een rol die eigenlijk een sopraanpartij is, maar waarmee ze het publiek in de Opéra Royal regelrecht doet smelten.

 

De Carmen-fragmenten geven een kleine doorloop van de opera, waarbij het orkest afwisselt met instrumentale stukjes. Ze eindigt met het spetterende “Chanson Bohème“Les tringles des sistres tintaient”, waarbij je verwonderd bent over het mediterrane temperament van de Letse. Haar huwelijk met de Spaanse dirigent Karel Mark Chichon zit daar zeker voor iets tussen. Vandaar ook haar keuze voor “Al pensar en el dueño de mis amores uit de zarzuela Las Hijas de Zebedeo van Ruperto Chapi (1851-1909) als eerste bisnummer: een heerlijk levendige halsbreker voor wie de coloratuurkunst niet beheerst, maar dus niet voor Garanča.

 

Routineus orkest

 

Dat Elina Garanča ons de verplaatsing naar Luik waard was, hebt u al begrepen. We betreurden wel dat het orkest haar geen uitbundiger begeleiding schonk. Het zou haar in een smachtend fragment als “Mon coeur s’ouvre à ta voix” geholpen hebben authentieker als Dalila te klinken. Het orkest leek er zich niet van bewust met welk een talent ze samen op de scène zat. Het speelde het concert als de eerste de beste routineklus, waarvoor helemaal geen extra inleving van doen was.

 

Een paar enkelingen probeerden zich wel te profileren (harp, fluit en eerste hoorn), maar wat er bij de saxofoon misging in de Arlésienne suite was op zijn minst vreemd. Dirigent Ion Marin spoorde hen trouwens weinig aan en leek al even zelfgenoegzaam zijn klus te klaren. Een absoluut gemiste kans voor het orkest om samen met zo’n artieste te tonen dat het toch wel meer in zijn mars heeft.

 

Voor wie graag Garanča beluistert in de genoemde fragmenten van het concert, kan ik nog vermelden dat de meeste terug te vinden zijn op haar Deutsche Grammophon-opnamen “Romantique” en “Habanera”.