Zijn twerkende deernes in banale videoclips echt nodig om klassieke muziek aantrekkelijk te maken? Allesbehalve. Het Arcanto Quartett en Jörg Widmann klaarden die klus met beduidend meer overleg, panache en vooral stijl tijdens een heerlijk avondje deSingel.

Zijn twerkende deernes in banale videoclips echt nodig om klassieke muziek aantrekkelijk te maken? Allesbehalve. Het Arcanto Quartett en Jörg Widmann klaarden die klus met beduidend meer overleg, panache en vooral stijl tijdens een heerlijk avondje deSingel.

 

Het blijft verbazing én dankbaarheid wekken. Eens te meer nu de gloednieuwe seizoensbrochures één voor één in de bus vallen. Ook in 2014-2015 zal de melomaan zijn hart kunnen ophalen aan de briljantste solisten, knappe ensembles en tot de verbeelding sprekende orkesten met hun befaamde dirigenten. Jawel, alle doemdenkerij ten spijt is klassieke muziek in ons Belgenlandje springlevend. En omdat hokjesdenken haaks staat op de boeiende artistieke zoektocht eigen aan een muzikantenbestaan is het zelfs mogelijk om het beste van deze drie werelden op één podium te verenigen. Het tweeluik van het Arcanto Quartett – een uniek gezelschap van zowel gereputeerde solisten als orkestleiders – en klarinettist Jörg Widmann in deSingel en de Handelsbeurs leverde hier het ultieme bewijs van.

 

Droomcast zoekt vergelijk

 

Te midden de ensembles die al vele decennia menig hart beroeren, is het Arcanto Quartett een jong veulen. Hoort het na tien jaar al thuis in het pantheon der strijkkwartetten? Afgaande op de ervaring van haar leden en de beperkte, maar kwaliteitsvolle discografie, is het antwoord volmondig ja. Met haar residentie in deSingel heeft de Duitse primaria Antje Weithaas – “allicht de grootste violiste die u niet kent”, dixit Rudy Tambuyser in Staalkaart – zich het voorbije seizoen van haar veelzijdigste kant laten zien. Haar visie op de sonates en partitas van ene Johann Sebastian Bach heeft u wel nog te goed. Haar landgenoot en secondant Daniel Sepec is al vele jaren lang alternerend concertmeester van de Kammerphilharmonie Bremen, maar maakt als solist ook in het barokrepertoire grote indruk. En dan is er nog Tabea Zimmermann: vandaag onmiskenbaar de vaandeldraagster onder de altisten. Een naam als een klok met een curriculum om “u” tegen te zeggen. Veelgevraagd chambrist Jean-Guihen Queyras ten slotte is niet alleen in België, maar ook bij de grootste orkesten cellist aan huis. Vier all-rounders dus die samen niets minder dan een verbluffende droomcast vormen.

 

Redelijkerwijs wordt daarbij door Kwadratuur de vraag gesteld waar deze musici de tijd – dat o zo kostbare goedje – vandaan halen om al deze activiteiten te combineren? Tegelijk wordt er ook een antwoord gesuggereerd: passie. En ongetwijfeld ook de onstuitbare goesting om met gelijkgestemde zielen in de kamermuzikale schatkamer te duiken en over die onverwoestbare stukken intensief met elkaar van gedachten te wisselen. Alle leden van Arcanto zijn immers in min of meerdere mate ook als professor actief. Een interpretatie moet gemeenschappelijk ontstaan, zo betoogt Weithaas in de maandkrant van deSingel (januari 2014). "Nu is het wel zo dat, wanneer je samenspeelt met mensen die een sterk muzikaal voorstellingsvermogen hebben, het vinden van een compromis soms een hele opgave is. Je moet naar een vergelijk zoeken waar iedereen zich principieel maar ook emtioneel in kan vinden." Eenzelfde geluid op de website van Zimmermann: "Die besten Ergebnisse lassen sich erreichen, wenn sich jeder Musiker eingeladen fühlt, eine Interpretation mit zu gestalten, wenn die Kommunikation über den musikalischen 'Flow' stattfindet."

 

Ongehoord eerbiedig

 

In het eerste deel van deze concertavond bestond die flow uit twee nauw verwante componisten: Bach en Schumann. Hoewel Bachs omvangrijke erfenis voor veel van zijn begaafdste muzikale nakomelingen een sleutelrol heeft gespeeld, toch ging Schumanns devotie voor deze stamvader bijzonder ver. Het analyseren van fuga's samen met zijn vrouw Clara vond Robert een uitstekende romantische tijdsbesteding, zo schrijft Pieter Herregodts in het programmaboekje. En dus had Die Kunst der Fuge (ca. 1740-1750), Bachs fugatische magnum opus, voor hem de status van bijbel. Uit de ingetogen, ja zelfs ietwat gereserveerde manier waarop het Arcanto Quartett de contrapuncti I, IV en VI benaderde, sprak eenzelfde eerbied voor deze verheven, rigoureus geleerde muziek. Uitgenomen de alt, nam elk instrument een openingsthema voor zich, als ware het een plechtige voorstelling van de protagonisten. Een doorgedreven meerstemmig genre als de fuga is tevens ook een ideale testcase voor de balans, waarbij het vooral opviel hoe ongedwongen de tweede viool zijn stem in het fluwelen kapittel verwierf. Ook al wist je niet altijd vanwaar de wind precies waaide, de thematische ankerpunten boden immer houvast. Maar hoe hecht ook de structuur, en hoe paradoxaal dit ook moge klinken, de beoogde contrapuntische vervlechting kan alleen slagen als het viertal elkaar de nodige ruimte geeft. Hetgeen ook gebeurde. Bedachtzaam, tactvol en met een minutieus gevoel voor timing werden drie hemelse klanktapijtjes geweven.

 

Bach vormde aldus de perfecte opmaat voor Schumanns polyfone eerste strijkkwartet (1842). Aangemoedigd door Liszt en Mendelssohn zou hij dit werk als onderdeel van een drieling aan laatstgenoemde opdragen – zijn enige, doch originele bijdrage aan het genre. Wat allengs begon in een bedrukte atmosfeer, groeide algauw uit tot een kolkende stroom van modern aandoende klanken die je van begin tot eind op het puntje van je stoel hield. Hoed af voor het Arcanto Quartett, dat niet alleen de ritmische punch en kwetsbare lyriek maar evenzeer, met name in de eerste beweging, het bijwijlen golvende karakter van deze muziek met veel gevoel evoceerde. Dynamiek en fraîcheur waren evengoed aan de orde in het daaropvolgende scherzo. En hoe. Heb ik een gepunte ritmiek ooit al zo messcherp en krachtig weten aansnijden? Ik dacht het niet. Het meeslepende adagio, dat vooral in lengte stijlvol werd gefraseerd, klonk door de prominent aanwezige middenstemmen als een heuse openbaring. Wat een genot om in de concertzaal een diepgang te ervaren die je op plaat nooit eerder was opgevallen. Maar de echte climax werd, hoort het anders, de finale (presto). Geen echte rotvaart noch overhaaste halsbrekerij, wel spits gearticuleerd en markant getimed samenspel. Zodoende werd de aanhef een sprekende waterval aan noten en nootjes en het stormachtige vervolg één brok energie. Ongehoord!

 

Auditieve verwennerij

 

Na de pauze verscheen Jörg Widmann mee op de bühne voor Mozarts wondermooie klarinetkwintet (1789). Perfectie is doorgaans niet echt mooi, eerder beangstigend en zelfs steriel, maar wat Mozart hier neerpende, is volmaakt. Het vijftal zette deze parel, toentertijd enig in zijn soort, begin vorig jaar op plaat voor Harmonia Mundi. Aan een uitgekiende visie op dit werk zou het tijdens deze uitvoering dus niet ontbreken, ook al werd snel duidelijk dat de musici, net als de grootmeester zelf, vooral het hart lieten spreken. Pretentieloos, zoals iedere sterveling dat wordt in het aanschijn van zoveel genie. Het elysische openingsdeel (allegro), sowieso al rijk aan kleur, werd in zijn volle pracht gerestaureerd. Strijken had in dit geval meer weg van gracieus vleien. Enkel Queyras zorgde bij momenten voor een iets rustiekere aanpak. In het weemoedige larghetto schitterde Widmann. Hoog of laag, zijn toon was altijd trefzeker – eens mild, dan meer direct – en de lengte van diens frasen niets minder dan magisch. Met bravoure ornamenteerde hij het tweede trio van het menuet. Het bleek de voorbode van een opvallend speelse finale: een sublieme variatiereeks waarin met zeer veel empathie werd gedialogeerd en de aanwezige contrasten ongekunsteld in de verf werden gezet. Dit was auditieve verwennerij in haar edelste vorm.

 

Na afloop van hun Belgische tweedaagse maakte het vijftal in het gulden gastenboek van de Handelsbeurs gewag van “ein wunderbares Erlebnis. Menig toehoorder mocht tijdens dit concert eenzelfde gevoel van gelukzaligheid ervaren. En dat zonder het minste getwerk.