Op één avond twee strijkkwartetten programmeren: het komt hoogstzelden voor. Maar als het gebeurt, is dat wel meteen de sleutel tot een magnifiek en soms (te) weinig gespeeld repertoire dat samen uitgevoerd kan worden. En dus versterkten het Duitse Armida Quartett en het Franse Quatuor Modigliani elkaar in uitvoeringen van Mozart, Brahms en Mendelssohn.   

Op woensdag 23 mei 2018 stonden kamermuziekliefhebbers voor een ronduit verscheurende keuze. In Brussel kwam namelijk het legendarische Hagen Quartett over de vloer, terwijl deSingel met maar liefst twee strijkkwartetten uitpakte. L’embarras du choix dus, waarbij het exquise programma van het Armida Quartett en het Quatuor Modigliani uiteindelijk de doorslag gaf. Met een strijkkwintet van Mozart, een strijksextet van Brahms en het befaamde octet van Mendelssohn kreeg het publiek muziek gepresenteerd die vooral op festivals furore maakt, maar doorheen het reguliere seizoen helaas minder frequent te horen is. Daarom was dit een niet te missen gelegenheid die al lange tijd met grote stip in de agenda stond. Iets wat trouwens ook Klara niet was ontgaan. De radiozender nam dit concert op voor latere uitzending in het programma Klara Live op dinsdag 3 juli (20u).

Natuurlijk is het altijd fijner om een concert in de zaal mee te maken, al was het maar omdat je dan minder afleiding hebt en bovendien je ogen de kost kan geven. Zo kregen de aanwezigen meteen ook een antwoord op de vraag welke rolverdeling er deze avond zou gelden. Het waren immers de vier Fransmannen van het Quatuor Modigliani die als eerste het podium betraden. Vreemde eend in de bijt was Teresa Schwamm, al zou de altiste zich tijdens het vierde van Mozarts strijkkwintetten (1787) vakkundig in het ensemble integreren. De keuze voor een tweede altviool was ingegeven door de voorliefde die het genie uit Salzburg voor dit instrument koesterde én, zo verrast hoboïst Piet Van Bockstal in het programmaboekje, door het voorbeeld van Haydns jongere broer Michael. Het resultaat in de mineurtoonaard g wordt unaniem tot een van diens meest geslaagde kamermuziekwerken gerekend. “Dieses Quintet ist, so zu sagen, ein’s seiner grössten kleinern Werke”, zo schreef Schubert na het aanhoren van dit stuk op 13 juni 1816 in zijn dagboek. Helaas stond de uitvoering van Modigliani+ niet altijd op hetzelfde niveau. Op de balans in het vijftal was evenwel niets aan te merken, eerder integendeel: die was vanaf de eerste beweging (Allegro) voortreffelijk, net als de timing en het heerlijk pulserende werk van de binnenstemmen. Minder succesvol was de weliswaar energieke maar nogal eenzijdige rechttoe rechtaan aanpak van de primarius, die vooral oog had voor de eigen partij en te weinig voor de talrijke dialoogjes met zijn medespelers. Nochtans komt Mozart de fenomenale operacomponist ook in werken als dit regelmatig om de hoek piepen. Het ware dus bij momenten, in de plotse levenslust van de finale bijvoorbeeld (Allegro), zeker mogelijk om een boeiender verhaal te vertellen. Ook het tempo waarin het menuet (Allegretto) werd gestreken, riep dezelfde gemengde gevoelens op. Wat op het eerste gehoor nog vloeiend klonk, maakte een beetje later allengs een ietwat overhaaste indruk. Ook het trio verdiende op die manier meer ademruimte. Gelukkig was die er in de trage delen ten overvloede – jawel, de durfal Mozart start de laatste beweging met een bijzonder aangrijpend Adagio. Het publiek genoot van fraaie fraseringen en een dito toonvorming, zowel individueel als gezamenlijk. Voeg daar nog het soms zeer zachte en kwetsbare spel aan toe en de uitkomst was een indringende vertolking.

Mét opgeheven hoofd

Na deze Mozart in een overwegend bekommerde bui volgde een opvallend opgewekte Brahms. Het eerste van het koppel strijksextetten dat de componist als twintiger afwerkte (1860), en waarmee hij vooralsnog bewust uit het vaarwater van Beethoven bleef, kreeg van opeenvolgende uitgevers niet toevallig de bijnaam ‘Frühlingssextett’ mee. Maar dat is dan toch zonder het Andante ma moderato gerekend. Het buitengewone thema van deze schitterende variatiereeks inspireerde in het verleden reeds menig filmregisseur. Louis Malle (in Les amants, 1958) en Michael Haneke (in La pianiste, 2001), om even de twee markantste te noemen, werden niet zozeer getroffen door het heersende lentegevoel van deze compositie, dan wel door de dramatisch kracht van precies deze beweging – een effect waarmee ze de kijker bij aanvang van hun film meteen overvallen. En zoiets laat, althans bij mij, diepe sporen na. Hoe zou het toch zijn om dit live te horen? Welnu, ook dan pakt deze tragische en tegelijk nobele muziek je ongenadig bij het nekvel. Met dank aan de altiste van het Armida Quartett, dat na een korte wissel van de wacht de basis van de formatie uitmaakte. Ook in de variaties die volgden, liet het zestal zich van zijn beste kant horen. De stevige ritmiek in de eerste variatie, de opeenvolgende, snedige attaques in nummer twee of de kleurrijke communicatie in de voorlaatste variant: aan hoogtepunten zeker geen gebrek. De coda, sereen ingezet door cellist Julian Steckel – vanavond de vervanger van vaste man Peter-Philipp Staemmler, is veel meer dan zomaar een ultieme stuiptrekking. Het is een laatste keer sterven, maar dan wel mét opgeheven hoofd. Zijn de overige delen zo nu en dan net iets minder interessant, dan maakte het gelegenheidsensemble er alsnog een bijwijlen opwindend relaas van, getuige het prachtig organische geluid en de turbulente doorwerking waarmee werd geopend (Allegro ma non troppo). Tijdens het bondige scherzo (Allegro molto) werd te midden van alle speelsheid een heel mooi golvend effect gecreëerd, waartussen een even joviaal als vurig intermezzootje weerklonk (Animato). Het slotstuk was de minst memorabele beweging (Poco allegretto e grazioso). Toch bleef het Armida Quartett met zijn versterkingen altijd helder en doortastend musiceren.

Brahms arrangeerde dat beklijvende Andante uit zijn eerste strijksextet ook voor piano, en schonk het als verjaardagsgeschenk aan niemand minder dan Clara Schumann. U vindt dit stuk onder deze recensie terug. Snel luisteren, is de boodschap! Want over wat er na de pauze in deSingel te beleven viel, kan ik behoorlijk summier zijn. Met zijn opzienbarend originele octet leverde de zestienjarige Mendelssohn een wonder af (1825). We horen geen twee strijkkwartetten zoals bij Louis Spohr, maar wel een (strijk)orkest in zakformaat. De Duits-Franse motor die in de Europese politiek zo cruciaal wordt geacht, sloeg nu ook in de concertzaal gensters. Dankzij een voorbeeldige entente werd het esprit van deze vierakter alle eer aangedaan. Eerst in het uitgelaten Allegro moderato ma con fuoco, waarin de acht musici meermaals ijverig naar een luisterrijke climax toewerkten. Dan via een vreedzaam en onthecht Andante, met in alle partijen een sterke betrokkenheid en subtiele dynamische nuances. Vervolgens door een dartel gearticuleerd scherzo (Allegro leggierissimo), waarbij de ene strijker de andere in springerigheid leek te willen overtreffen. En tot slot met een zinderende finale, die in het precieze tempo voorbijraasde (Presto), en waarvan de intensiteit door de violisten van Armida vanop de derde en vierde stoel bij vlagen zeer knap werd aangezwengeld. Amaury Coeytaux voerde het gezelschap glansrijk aan, en maakte in zijn virtuoos-solerende rol een betere beurt dan in Mozart. U begrijpt: dit was een magistrale afsluiter van een uitzonderlijk concert dat in stijgende lijn kon overtuigen.


  • WAT: Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791), Strijkkwintet nr. 4 in g (KV516) || Johannes Brahms (1833-1897), Strijksextet nr. 1 in Bes (opus 18) || Felix Mendelssohn (1809-1847), Octet voor strijkers in Es (opus 20)
  • WIE: Armida Quartett [Martin Funda & Johanna Staemmler (viool), Teresa Schwamm (altviool), Julian Steckel (cello)] – Quatuor Modigliani [Amaury Coeytaux & Loïc Rio (viool), Laurent Marfaing (altviool), François Kieffer (cello)]
  • WAAR: deSingel, Antwerpen
  • WANNEER: woensdag 23 mei 2018
  • FOTO: © Felix Broede & Quatuor Modigliani