Met maar liefst zeven concerten op negen dagen stomen Alina Ibragimova, Nils Mönkemeyer, Christian Poltéra en William Youn dezer dagen door Duitsland. Het nieuw samengesteld gezelschap stak daarbij ook even de grens over en verblijdde deSingel met pianokwartetten van Mozart, Brahms en … Mahler.

In de pop- en rockmuziek noemen ze zoiets een supergroep. Want elk lid van dit onuitgegeven ensemble heeft ook een bloeiende solocarrière én, zeker zo belangrijk, is ook al vele jaren als chambrist actief. Zo is violiste Ibragimova primaria van het geprezen Chiaroscuro Quartet, stond altist Mönkemeyer mee aan de wieg van het Julia Fisher Quartett en maakt cellist Christian Poltéra deel uit van het Trio Zimmermann. Op de Facebookpagina van pianist William Youn lezen we dan weer: “I love chamber music, always have and always will, and I am very glad that it plays such a big role in my life as a musician.” En dus stapte er deze avond ruim voldoende talent, ervaring en goesting het podium op om er een meeslepende verhoring van te maken. Bovendien was het programma van een al even hoge kwaliteit. De kwartetten voor piano(forte) en strijkers van Mozart en Brahms behoren sowieso tot de top in het genre. Beide zijn zelfs hors categorie. Maar beginnen deed het viertal met een unicum: het enige kamermuziekwerk ons van Mahler bekend.

Wie Gustav Mahler zegt, die denkt natuurlijk op de eerste plaats aan zingende symfonieën en orkestrale liederen. Als componist was dat een leven lang zijn corebusiness. Maar zoals het een leergierige student betaamt, schuwde hij in zijn jaren aan het Weense conservatorium het kamermuzikale experiment niet (1875-1878). Integendeel, Mahlers eerste composities waren bijna uitsluitend kamermuziekwerken. Tijdens zijn opleiding viel de jonge Gustav zelfs tot tweemaal toe in de prijzen met – nota bene – het openingsdeel en een scherzo uit een kwintet voor piano en strijkers. Die proeven zijn helaas verloren gegaan, net als veel van zijn andere arbeid uit deze periode. Of dat is alvast de veronderstelling. In de jaren ’60 van vorige eeuw dook immers het eerste deel van een pianokwartet op dat in 1964 in New York voor de eerste keer publiek werd uitgevoerd. De overtuigende manier waarop deze ongeveer tien minuten durende Klavierquartettsatz dramatische kracht aan warmbloedige lyriek koppelt, doet betreuren dat Mahler niet meer naar dit medium heeft teruggegrepen. Ibragimova en haar mannelijk gevolg gaven er een even indringende als bezwerende emanatie van. Tussen de onheilspellende akkoorden in de piano waarmee Mahler aanzet (Nicht zu schnell) en de wegstervende pizzicato’s op het eind hoorden we één brok intensiteit. Ibragimova en Mönkemeyer stuwden elkaar daarbij vastberaden naar de grootst mogelijke expressiviteit. “There has to be passion”, schreeuwde new wave-poëet Anne Clark midden de jaren tachtig uit in één van haar bekendste nummers, en die hartstocht was van bij aanvang van dit concert goed hoorbaar. De cadens die net voor de coda in de eerste viool opduikt – ungemein rubato und leidenschaftlich – was op dit punt exemplarisch.

Maniakale energie

In een brief aan zijn vader Leopold schreef een zelfzekere Mozart op 7 februari 1778: “[…] denn ich kann so ziemlich, wie sie wissen, alle art und styl vom Compositions annehmen und nachahmen.” En dat was, of wat dacht u, geenszins overdreven. Zo bleek eens te meer toen Wolfgang goed zeven jaar later door collega en uitgever Franz Anton Hoffmeister werd verzocht om drie pianokwartetten te componeren. Het was een genre dat in die tijd nog in de kinderschoenen stond. In de voorbeelden die voorhanden waren, hadden de strijkers nog een ondergeschikte rol. Toen Mozart midden oktober 1785 zijn eerste exemplaar afleverde – een driedelig pianoconcerto in zakformaat – werd algauw duidelijk dat die tijd voorbij was. Dat het werk op die manier buiten het bereik van amateurs en liefhebbers lag, had zijn weerslag op de verkoopcijfers, in die mate zelfs dat Hoffmeister zijn bestelling prompt annuleerde. Maar wie dit pianokwartet vandaag hoort, raakt steeds opnieuw gecharmeerd door de grote speelvreugde die deze muziek ontlokt. Zo ook vanavond. Zoals Dirk Mommertz, pianist van het Fauré Quartett, in onderstaande video betoogt: kamermuziek is de hoogste vorm van communicatie. En de eerste beweging (Allegro), net als het vierde strijkkwintet (KV 516) en de veertigste symfonie (KV 550) in de mineurtoonaard van sol, levert er een wonderbaarlijk staaltje van. De constante, eens ernstige en dan weer sprankelende dialoog die de vier musici aldus voerden, klonk zeer spontaan, allesbehalve theatraal. Gevat reageerden ze op elkaars invallen, hetgeen vooral in de prachtige doorwerking tot verfijnd samenspel leidde. Youn ontpopte zich daarbij als een pianist met aandacht voor balans en een heldere intonatie. Ook in het zachtmoedige Andante koppelde het kwartet raffinement aan beheersing en inlevingsvermogen. Nu en dan werd de partituur met een subtiele versiering opgesmukt. De aandacht voor dynamische nuance maakte het helemaal af. Ieder spoor van routine bleef ten slotte ook in de melodieuze finale achterwege (Allegro moderato). Het leek daarentegen alsof het publiek de muziek samen met de uitvoerders voor de eerste keer ontdekte: boordevol fraîcheur, soms met een iets wranger geluid, maar altijd getuigend van een onmiskenbaar genie. Het hart is dol op alle mooie dingen. En dus spreekt Mozart rechtstreeks tot ons, raakt hij ons diep in de ziel.

De kamermuziek van Brahms is doorgaans minder vlot te behappen. Ze geeft haar geheimen niet zo snel prijs, ligt soms moeilijker in het oor, maar geeft net daarom eens zoveel voldoening wanneer de vele noten precies op hun plaats schijnen te vallen. Op die momenten swingt het soms heerlijk de pan uit. Zoals in de beweeglijke finale van diens derde (en laatste) pianokwartet bijvoorbeeld. Nochtans is de teneur van dit werk er geen om vrolijk van te worden. “Sie dürfen auf dem Titelblatt ein Bild anbringen, nämlich einen Kopf mit der Pistole davor. Nun können Sie sich einen Begriff von der Musik machen!”, zo schreef een enigszins ironische Brahms in 1875 aan zijn uitgever Fritz Simrock. Aanleiding voor dit suïcidale gekoketteer was zijn onmogelijke liefde voor Clara Schumann, waar de componist een leven lang in min of meerdere mate zou mee worstelen, en dat in het opus 60 op een onstuimig dramatische wijze verklankt wordt. Het leverde dit pianokwartet de bijnaam Werther op, naar Goethes tragische, maar in de 19de eeuw immens populaire romanpersonage. Niemand minder dan Clara zelf toonde zich bijzonder opgetogen over het uiteindelijke resultaat, al had ze ook haar reserves: “Über das Quartett habe ich noch viel gedacht, die drei letzten Sätze sind mir tief in’s Gemüth gedrungen, aber, dürfte ich mir erlauben es zu sagen, ich finde den ersten nicht auf gleicher Höhe stehend, es fehlt mir darin der frische Zug.” Het grotendeels sombere eerste deel is inderdaad verre van een lachertje (Allegro non troppo). En toch was de haast maniakale energie waarmee het viertal de toehoorders overspoelde een genot om naar te luisteren. Terwijl Youn bijzonder stevig doorpakte, lieten Ibragimova en co de snaren zuchten en snerpen. Die strijd ging onverminderd verder in het daaropvolgende scherzo (Allegro). Alleen verslikte de toetsenist zich hier aanvankelijk in zijn bruusk gearticuleerde gedram. Ook zijn medespelers gingen maar wat graag de ruige toer op: het contrast met de Mozart van voor de pauze kon niet groter zijn. De aanhef van het tedere Andante was dan weer het sein om ten volle van de schitterende ‘Mara’ Stradivarius van Poltéra te genieten, hoewel zijn collega-strijkers hun partijen met evenveel gevoel fraseerden. In het Allegro comodo werd er iets te nadrukkelijk op veilig gespeeld. De pianist schoot met de fluctuerende hoofdfiguur nogal gezapig uit de startblokken, waardoor de finale niet voluit dartelde. Toch duurde het niet lang alvorens ook hier de ruwere kantjes werden geaccentueerd. Maar ondanks alle tumult bleef het klankbeeld hecht. Er volgde een enthousiast applaus, en dat was dubbel en dik verdiend.

De volgende ochtend, zo vertelde Poltéra na afloop in de artiestenfoyer, moest het nieuw samengesteld gezelschap al ontiegelijk vroeg terug de baan op richting het Zuid-Duitse Göppingen. Dat er geen encore meer volgde, was dus best te begrijpen. Maar zelfs zonder extraatje past het om in deze een vers van Vestdijk te parafraseren: En niemand treurt … die aanwezig was op dit concert.


  • WAT: Gustav Mahler (1860-1911) – Klavierquartettsatz in a | Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – Kwartet voor piano en strijkers nr. 1 in g (KV 478) | Johannes Brahms (1833-1897) – Kwartet voor piano en strijkers nr. 3 in c (opus 60)
  • WIE: Alina Ibragimova (viool), Nils Mönkemeyer (altviool), Christian Poltéra (cello) en William Youn (piano)
  • WAAR: deSingel, Antwerpen
  • WANNEER: donderdag 4 april 2019
  • FOTO’S: © Sussie Ahlburg | Irène Zandel | Neda Navaee

»Füreinander – Miteinander – Nebeneinander«: Film zur Kammermusik an der HMTM

Das gemeinsame Musizieren im Ensemble ist eine besondere Form der Kommunikation. In einem Videoportrait zur Kammermusik an der Hochschule für Musik und Theater München denken Prof. @Dirk Mommertz, Prof. Julia Fischer, Prof. Nils Mönkemeyer und Studierende der Kammermusik-Klassen über die musikalische Arbeit in Kleinbesetzungen nach. Viel Spaß beim Video!

Publiée par Hochschule für Musik und Theater München sur Vendredi 5 avril 2019