Hij is al meerdere decennia sant in Belgenland. Maar zijn roem stopt zeker niet aan onze landsgrenzen. Begin deze maand toerde hij nog rond in Japan. Maar nu was de Frans-Libanese pianist in het Concertgebouw Brugge te gast. Zijn naam: Abdel Rahman El Bacha. Zijn handelsmerk: fabuleus verklankte vertellingen.

Hij is al meerdere decennia sant in Belgenland. Maar zijn roem stopt zeker niet aan onze landsgrenzen. Begin deze maand toerde hij nog rond in Japan. Maar nu was de Frans-Libanese pianist in het Concertgebouw Brugge te gast. Zijn naam: Abdel Rahman El Bacha. Zijn handelsmerk: fabuleus verklankte vertellingen.

Terwijl twaalf jonge pianisten zich op dit moment naarstig voorbereiden op de finaleweek van de Koningin Elisabethwedstrijd, doet de naam Abdel Rahman El Bacha aan de editie van 1978 terugdenken. In dat jaar – ondergetekende was nog niet eens verwekt, laat staan geboren – werd El Bacha unaniem tot eerste laureaat uitgeroepen. En passant sleepte de toen 19-jarige pianist ook nog de publieksprijs in de wacht. Deze dubbele overwinning in Brussel betekende het startschot voor een wereldomspannende carrière waarin componisten van Bach tot Prokofiev de hoofdtoon voerden. Ook vanavond sierden twee van zijn favoriete toondichters het programma: Ravel en Chopin, wiens werken voor piano solo El Bacha volledig én in chronologische volgorde heeft opgenomen. Maar eerst zette de Frans-Libanese pianist zijn reputatie van marathonman nog eens in de verf met een uitvoering van Granados’ monumentale suite Goyescas, volgens velen de kroon op ’s mans oeuvre. Meer dan voldoende moois dus om naar het Brugse Concertgebouw te sporen voor een recital met als veelbelovende titel De kleuren van de piano.

Aartsmoeilijke uitdaging

El Bacha is een man van de lange adem, zoveel is zeker. Op het Festival International de Piano de La Roque d'Anthéron stond hij in de zomer van 2013 vijf avonden op de planken voor een integrale van de pianosonates van Beethoven. Dit 32-delige huzarenstukje is tevens één van de sleutelmomenten uit de documentaire Un piano entre Orient et Occident (2014) die Gérard Corbiau – u weet wel, de Belgische cineast achter films als Farinelli (1994) en Le roi danse (2000) – over El Bacha draaide. El Bacha was met deze marathon allerminst aan zijn proefstuk toe, want in 2005 speelde hij in Flagey (en elders in Europa) ook al eens alle pianostukken van Chopin door. In vergelijking daarmee lijkt de meer dan vijftig minuten durende, zesdelige pianosuite Goyescas (1911) van de Spaanse componist Enrique Granados klein bier. Maar vergis u vooral niet: dit meesterwerk, geïnspireerd door taferelen uit Los caprichos, een reeks van tachtig maatschappijkritische etsen van zijn landgenoot Francisco de Goya (1746-1828), is een aartsmoeilijke uitdaging. De pianist heeft daadwerkelijk zeer veel noten te spelen, benadrukte musicoloog Jan Christiaens in zijn inleiding. En toch betrad El Bacha het podium zonder partituur. De hele avond zou hij zich als het ware blindelings door de muziek manoeuvreren. Het is en blijft overweldigend.             

Goyescas, ondertitel Los majos enamorados, verklankt het verhaal van een noodlottige liefde. Het is daarbij zaak om je publiek op sleeptouw te nemen en een zeer weidse spanningsboog te trekken. El Bacha was daar op een voortreffelijke manier mee gestart. In het bijzonder virtuoze Los requiebros spreidde hij niet alleen een solide techniek tentoon, maar werden ook bijna alle door de componist voorgeschreven dynamische nuances en tempo-aanwijzingen goed hoorbaar in acht genomen. Het resultaat klonk eens verleidelijk speels, dan weer uitzinnig opgewekt, maar bleef vooral te allen tijde transparant en eindigde met een meer dan overtuigende climax. Helaas sloeg in het tweede deel, Coloquio en la raja, de wet van Murphy toe. El Bacha ging nochtans op zijn doortastende elan door, liet op een even delicate als karaktervolle manier de dialogen van dit innige liefdesduet tegen elkaar opklinken, maar knipte dan opeens met zijn vingers om er meteen daarna onverwachts de brui aan te geven. “Na onderzoek bleek dat een houtsplinter de hamer van één toets kort blokkeerde. Iets dergelijks is hier nog nooit voorgevallen, het was een stom toeval”, verklaarde het Concertgebouw daags nadien via mail.

Maar wat dit ongelukkige voorval natuurlijk extra spijtig maakte, was dat de muzikale reis van zowel de toetsenist als de toehoorders bruusk onderbroken werd. El Bacha liet er zich weliswaar niet door uit het lood slaan. Zonder verpinken werd Coloquio van bij het begin hervat en de verfijnde muziek bloeide, mede door het spaarzame pedaalgebruik, eens zo prachtig open. In het kundig geaccentueerde El fandango de candil vertoonde El Bacha een ijzeren ritmische discipline, maar het geheel miste toch wat bevlogenheid en door de moeizaam gearticuleerde baspartij slibden de dansante ritmes soms dicht. Het bleek een kortstondige dip, want in wat volgde, werd er door de beide handen opnieuw helder en met veel gevoel gefraseerd. Door de subtiele rallentando’s kreeg het melancholische Quejas ó la maja y el ruiseñor extra veel expressie, terwijl het levendige slot met zijn opvallende trillers glansrijk parelde. Het was de perfecte opmaat voor El amor y la muerte, een ronduit grandioze ballade waar de smart dankzij het grote inlevingsvermogen van de pianist steeds onderhuids aanwezig bleef, maar er op fabuleuze wijze ook tedere hoop doorstraalde. Ondanks de reminiscenties aan eerdere delen kon het drama nochtans niet afgewend worden. In de mysterieuze epiloog (Serenata del espectro) wist El Bacha wel raad met de grillige schriftuur en kleurde deze met evenveel respect als stijl in. Slotsom: een zowel technisch als interpretatief imponerende prestatie.

Zacht, zachter, zachtst 

Na de pauze kreeg het publiek eerst drie stukken uit de bundel Miroirs (1904/1905) van Maurice Ravel te horen. De Parijzenaar, die overigens net als Granados bij Charles de Bériot (1833-1914) aan het conservatorium aldaar zou studeren, zij het dan zonder ooit het einddiploma te behalen, is dit seizoen niet voor niets componist in focus van het Concertgebouw. “Un recueil de pieces pour piano qui marquent dans mon évolution harmonique un changement assez considérable […]”, zo schreef Ravel over deze vijf quasi-improvisatorische schetsen. En inderdaad: doordat hij in deze suite de klassieke akkoorden bijna stelselmatig met toegevoegde tonen verrijkt, wordt een vernieuwende soort van harmonische meerduidigheid gecreëerd. De componist gaat bovendien meer dan ooit als een schilder te werk. Of daar lijkt het toch heel sterk op. In de eerste drie maten van Oiseaux tristes zet Ravel als het ware de cryptische contouren uit om deze nadien op een wispelturige manier bij te kleuren. Met zijn geraffineerd toucher is El Bacha een gedroomd vertolker van dit korte karakterstuk. Zacht, zachter, zachtst geeft de pianist een opmerkelijk introspectieve uitvoering ten beste. In het ritmisch uitdagende Une barque sur l’océan toonde hij zich zowel vingervlug als verbluffend accuraat. Door het bijtijds bedienen van de pedaal was het sop van de ene golf nog aan het schuimen terwijl de volgende al in aantocht was. Heerlijk. En ook de talrijke pianistieke effecten uit het capricieuze Alborada del gracioso werden frivool uit de vingers geschud.                

“Ik kies altijd werken die me in het hart raken en die mijn oren strelen”, zo vertelt El Bacha in het Concertgebouwmagazine (maart-juni 2016, p. 6). Geen wonder dus dat de keuze voor het laatste stuk van zijn recital op Chopins derde (en laatste) pianosonate viel (1844): minder bekend dan zijn tweede exemplaar, met de wereldberoemde Marche funèbre, maar mede dankzij het wonderschone middendeel van het Largo zeker zo memorabel. Bij de uitvoering van vanavond sprong meteen de eerder langzame, ietwat bedachtzame aanhef in het oor (Allegro maestoso). Voor sommigen ontbrak het hier allicht aan pathos, maar de meer contemplatieve lezing van El Bacha kon zeker ook bekoren en zijn weldoordachte rubato paste vooral het lyrische tweede thema als gegoten. Het omgekeerde fenomeen deed zich dan weer in de hoekdelen van het Largo voor, dewelke behoorlijk snel werden gespeeld. Wat meer breedvoerigheid had deze nocturne best kunnen gebruiken. Gelukkig wist het uitgebreide, expansieve middendeel wel een gevoelige snaar te raken. Ondertussen was het scherzo (Molto vivace), eigenlijk niet minder dan een uitdagende etude, met groot gemak gepasseerd en zat het publiek op het puntje van zijn stoel voor wat een magnifieke finale moest worden (Presto, non tanto). Het werd een halve afknapper. Jawel, na het explosieve drama van de openingsakkoorden werd het briljante refrein weliswaar dartel neergezet, maar even later pakte El Bacha meer dan eens met onnodige stopjes uit. Die waren geen streling voor het oor, maar onbegrijpelijk effectbejag dat jammer genoeg de drive uit de muziek haalde. Luister hier hoe het anders (en beter) kan, en doe uzelf een schitterende oorwurm cadeau.

Het grote publiek lustte er blijkbaar wel pap van, want trakteerde El Bacha op een staande ovatie. Die bedankte met een postume wals van Chopin waaraan naar eigen zeggen een persoonlijke toets was toegevoegd. Het bleek een mooie afsluiter van een grotendeels indrukwekkend recital.