Er bestaan, grosso modo uiteraard, twee soorten kamermuziekensembles: er zijn de ensembles die ontstaan uit familiebanden, maar even vaak vloeit de bezetting spontaan uit vriendschap voort. Gelijkgezind, gelijkgestemd. Het Trio Capuçon-Müller-Schott-Angelich is van het tweede type, en ging in Brussel aan de slag met pianotrio's van Haydn, Brahms en Mendelssohn.

Er bestaan, grosso modo uiteraard, twee soorten van kamermuziekensembles: er zijn de ensembles die ontstaan uit familiebanden, maar even vaak vloeit de bezetting spontaan uit vriendschap voort. Gelijkgezind, gelijkgestemd. Het Trio Capuçon-Müller-Schott-Angelich is van het tweede type, en ging in Brussel aan de slag met pianotrio's van Haydn, Brahms en Mendelssohn.

 

Violist Renaud Capuçon, cellist Daniel Müller-Schott en pianist Nicholas Angelich werkten een Europese triotournee af die hen, tussen twee stops in Duitsland en eentje in Spanje, op 1 december naar het Koninklijk Conservatorium in Brussel bracht. Geen Gautier Capuçon, de jongere “broer van”, aan de cello dus deze avond. Wel een Frans-Duits-Amerikaans onderonsje: drie namen als, welja, klokken die in hun solocarrières ook het ietwat intiemere kamermuziekwerk niet schuwen. De verwachtingen waren hooggespannen, de zaal liep vol.

 

Het drietal beet de spits af met Joseph Haydn's meest geliefde pianotrio, geroemd omwille van het afsluitende rondo all'Ongarese. Het “Gypsy”-trio, geschreven in Londen in 1795, bleek mede door zijn onconventionele opbouw het ideale opwarmertje om balans te maken (in het openingsandante), eenheid van klank te vinden (in het tedere trage middendeel) en, natuurlijk, als volleerd zigeuner de vingers goed los te maken in het slot. Het resultaat was gracieus, wat braaf en onverstoorbaar, maar allesbehalve vlak. Met dank aan enkele mooie nuances in de cello tijdens het poco adagio. Of hoe, zelfs bij Haydn, ook in de zogenaamde begeleiding het verschil kan worden gemaakt.

 

Het tzigaans rondo, veelzijdig en gevat geïntoneerd, vormde het perfecte opstapje naar Brahms: die andere componist die in zijn kamermuziek vurige ritmes en majeur-mineur contrasten niet schuwde. Johannes' eerste worp in het genre (1854) heeft, hoewel op (veel) latere leeftijd herwerkt en beter uitgebalanceerd, zijn breedvoerig idioom altijd blijven behouden. En dat was er ook aan te horen in het allegro con brio, dat ondanks de bijwijlen briljante articulatie in de doorwerking te drammerig en declamerend werd gebracht. Gelukkig geeft Brahms' muziek nooit onmiddellijk al zijn precieuze geheimen prijs. Uit het trio opus 8 sprongen daarom vooral de beide middendelen in het oor. Liet Brahms zich in zijn scherzo inspireren door Mendelssohn? Het publiek zou de proef op de som zelf nog kunnen nemen. Hoe dan ook: eens vloeiend, dan weer spitant namen Capuçon, Müller-Schott en Angelich de toehoorders op duizelingwekkende wijze op sleeptouw. Om vervolgens zowel in de triosectie als het introspectieve adagio elkaar de ruimte te geven om doorheen de partituur een breed palet aan gemoed – de verbeten grimas van Angelich sprak boekdelen – en kleuren te schetsen. En de climax? Die was ronduit indrukwekkend, met drie muzikanten die ook in het afsluitende allegro elkaar na een lange, goed getimede worsteling spelenderwijs vooruit stuwden.

 

Na de pauze werd het tweede pianotrio van Felix Mendelssohn ten gehore gebracht (1845). Ten onrechte heeft dit stuk altijd al wat minder bijval geoogst dan diens melodieuzere eersteling in d. Nochtans bevat het alle elementen die van de “Mozart van de 19de eeuw” een toonbeeld van verfijnde vormbeheersing en romantisch classicisme maakten. De interpretatie van Capuçon, Müller-Schott en Angelich bevatte minder drama dan men na het beluisteren van de Brahms kon verwachten. Gedoseerd was het anderszins wel. En dat pakte bijzonder fraai uit. De kritiek als zou Mendelssohn de virtuoze pianopartij te dik hebben aangezet, smolt algauw als sneeuw voor de zon. Zo werd in het allegro energico e fuoco een even mooi als noodzakelijk evenwicht gevonden tussen de stemmen, wat meteen het beginpunt markeerde van een transparante doch intense uitvoering. Die intensiteit werd nog verder opgevoerd met het hartverscheurende andante espressivo, een parel van milde frasering, en de warmbloedige lyriek in de stoutmoedige finale. Daarin etaleerden beide strijkers een ultiem moment van gratie door met enkele subtiele versnellingen in de boogstreek een boeiende dialoog aan te gaan.

 

Opmerkelijk genoeg was het vat van de drie heren daarmee nog niet af. Ze trakteerden het publiek met een herneming van het energieke scherzo op een allerlaatste vederlichte vlucht. Een genereus gebaar dat het publiek na deze ongetwijfeld slopende avond bijzonder wist te appreciëren.

 

Kwam ik als manicheeër de zaal binnen, dan ging ik drie pianotrio's rijker buiten. Met dank aan deze vrienden. Laudamus.