Dat een middagconcert beperkt is in tijd, maar heel gevarieerd geprogrammeerd kan worden, mochten we op vrijdag 12 augustus meemaken. Liederen van drie al te jong overleden componisten met een totaal verschillende achtergrond werden samengebracht in één cocktail van cabaretliederen.

Twee jonge en gedreven artiesten, sopraan Naomi Beeldens (1988) en pianist Isaak Duerinck (1994), student van Eliane Rodrigues, beide breed actief in het klassieke en in andere, actuele divergente genres, gaven niet alleen het beste van hun kunnen, maar speelden opvallend op elkaar in als een harmonieus muzikaal paar.

Als eerste kwam Francis Poulenc (1899-1963), een fervent bewonderaar van Guillaume Apollinaire (1880-1918), aan de beurt met vijf van zijn schijnbaar makkelijker toegankelijke gedichten.

Soms zijn de teksten surrealistisch, maar aan de andere kant is de poëzie ook wel eclatant expressionistisch. Uit diverse bundels werden deze samengebracht onder de titel Banalités (1940). Centraal in het Chanson d’Orkenise staat de liefde; een voerman brengt zijn liefdeshart naar de stad Orkenise (waarschijnlijk wordt hier Autun bedoeld); een vagabond wil daar weg en zijn liefde achterlaten. Dit wordt én door de pianist en de vocaliste met het nodige vuur gepresenteerd.

Hôtel gaat over een persoon die zijn hotelkamer als kooi opvat en vrij wil roken, hetgeen frivool maar – zoals bedoeld – eerder traag tot expressie wordt gebracht door de zangeres en waarbij de sigarettenrook in de finale door de pianist uitgeblazen wordt. In een ietwat somber en door winden geteisterd pianospel brengen de Fagnes de Wallonie ons naar het Waalse noorden, hetgeen in sfeervolle contrasten door beide kunstenaars aangeboden wordt.

In slechts vijf lijnen beschrijft Voyage à Paris de vreugdevolle wens om naar de Lichtstad, geschapen door de liefde, te vertrekken, hetgeen flamboyant en compact aan de toehoorder voorgesteld wordt. Het heel tragisch bewogen Sanglots tenslotte bevat nogal wat onverwachte modulaties als ‘la chanson des rêveurs’ met een gebroken hart. Wanneer Poulenc deze cyclus eind november 1940 componeerde eindigt Sanglots niet toevallig met “Et rien ne sera libre jusqu’à la fin des temps. Laissons tout aux morts. Et cachons nos sanglots”. Beide artiesten brengen het publiek tot overtuiging van het karakter van deze cyclus: gesofisticeerd met regelmatig een extreme diversiteit van gevoelens in woord en klank.

Totaal anders is de vier-gedichten cyclus Cabaret Songs (1937) van Benjamin Britten (1913-1976) op tekst van W. H. Auden (1907-1973). Deze laatste had in de vroege dertiger jaren hiervoor inspiratie gehaald in het nachtleven van de Berlijnse cabarets. Tell me the Truth About Love reminisceert zowel in tekstopvatting als muzikale taal Cole Porter. Pianist en soliste analyseren heel fijnzinnig het gevoelige onderwerp hoe de ware liefde ons benadert en de moeilijkheid hoe deze te definiëren, hoewel een snuifje humor kan opduiken. De knappe intonatie van de soliste dient hier onderstreept te worden. Funeral Blues is eerder donkergekleurd door de dood van de geliefde, en staat in contrast met de rest van de cyclus. Johnny is heel gevarieerd waarbij elke strofe een ander muziekstijd bevat van folk-song over polka tot een trage wals. Dit wordt terecht energiek door het jonge duo gepresenteerd. In Calypso ontmoeten we een man die zich haast naar het station om zijn nieuwe geliefde te ontmoeten op het ritme van een trein in beweging. De kracht van de liefde wordt hier op passende wijze heel expressief weergegeven.

Tenslotte presenteerde het duo drie liederen van Kurt Weill (1900-1950). Je ne t’aime pas en Complainte de la Seine (1934) zijn gedichten van Maurice Magre (1877-1941), die heden nog bekendheid geniet bij kenners van Occitanië en de katharen. In het eerste lied is Satie niet veraf. Soms ja, soms nee, maar tenslotte, eigenlijk neen, liefde was het niet, slechts een droom en folie, het vuur is uitgeblust… Heel gemotiveerd wordt dit door Naomi Beeldens aangeboden.

Het tweede lied is dan weer eerder somber en macaber. Nanna’s Lied op tekst van Bertold Brecht (1898-1956) werd gecomponeerd in 1939. “Gott sei Dank geht alles schnell vorüber” – ook op de liefdesmarkt. Een citaat van François Villon over de tranen van vorig jaar en de sneeuw van vorige nacht ontdekken we hier ook. Dit was een van de favoriete liederen van Lotte Lenya; er komt ook gereciteerde tekst voor. Zowel de pianist als de vocaliste brengen dit lied met een heel gevoelige snaar.

Der Abschiedsbrief, op tekst van de polygraaf Erich Kästner (1889-1963) uit 1933, was bedoeld voor Marlene Dietrich, maar deze schijnt het nooit in een optreden gezongen te hebben. Een vrouw wacht al twee uur in Café Bauer, de geliefde komt maar niet, en zie, een oude rijke mansfiguur lonkt al achter de hoek, maar na plusmin overwegingen concludeert ze: “Behalt dein Geld und schlaf allein, mein Sohn”. Niets is hier tragisch noch door diepe gevoelens beladen – een lichtvoetige melodie beklementoont de zakelijke instelling van de vrouw, typisch Weill. De onderliggende toch wel ironische toets wordt door de zangeres fijnzinnig in de verf gezet.

In een kort tijdsbestek konden de toehoorders genieten van twee jonge artiesten die uitmunten in een heel divers repertoire dat technisch noch interpretatief niet zo makkelijk blijkt te zijn. Voor dit optreden zijn ze geslaagd met grote onderscheiding; overigens getuigt Naomi Beeldens ook van een acteertalent dat tot de verbeelding spreekt. We kijken inmiddels al uit naar een gezamenlijk optreden van deze jonge, veelbelovende kunstenaars.