Het begint al een beetje op een traditie te lijken: in de lente van elk seizoen strijkt het befaamde Budapest Festival Orchestra in het Brugse Concertgebouw neer. Na Dvorák vorig jaar stond deze keer een andere symfonicus uit het Zweite Zeitalter der Symphonie centraal: Johannes Brahms.

Het begint al een beetje op een traditie te lijken: in de lente van elk seizoen strijkt het befaamde Budapest Festival Orchestra in het Brugse Concertgebouw neer. Na Dvorák vorig jaar stond deze keer een andere symfonicus uit het Zweite Zeitalter der Symphonie centraal: Johannes Brahms.

Er was de voorbije weken geen ontkomen aan. Of je nu in Knack aan het bladeren was of even naar het toilet ging in een café op Place Lux, overal botste je op de kale kruin van Iván Fischer. Voor het tweede jaar op rij waren de Hongaarse dirigent en zijn vermaarde Budapest Festival Orchestra de eregasten op hun eigen festival. De driedaagse was door het Concertgebouw Brugge wederom tot hét symfonische event van het jaar uitgeroepen. En daar valt inderdaad wat voor te zeggen. Het BFO heeft dan wel niet dezelfde roemrijke geschiedenis als de Wiener of Berliner Philharmoniker of het Koninklijk Concertgebouworkest, maar behoort niettemin – zo bleek uit de oefening die Gramophone in 2008 maakte – tot het kruim van ’s werelds orkesten. Fischer en de zijnen kunnen teren op een ijzersterke live-reputatie en een veelvuldig bekroonde discografie. Het orkest is kind aan huis in de meest prestigieuze concertzalen. Zo was dit festival onderdeel van een internationale tournee met haltes in achtereenvolgens Londen, Parijs, Wenen en Praag.     

Reusachtige erfenis

Was Antonín Dvořák tijdens de eerste editie van het Budapest Festival de componist om wie het allemaal draaide, dan richtte het gelijknamige orkest zijn pijlen dit jaar op diens goede vriend en toeverlaat Johannes Brahms. Over twee avonden gespreid, werden alle vier zijn symfonieën in chronologische volgorde ten gehore gebracht. De worsteling van Brahms met het symfonische genre is u allicht bekend. De muziekwereld verwachtte veel van de man die door Schumann in het artikel Neue Bahnen (1853) als niemand minder dan de redder van de muziek werd aangewezen. Alsof de druk daarmee nog niet hoog genoeg was, voelde het hele 19de-eeuwse componistengild de adem van Ludwig Van Beethoven in de nek. “Ich werde nie eine Symphonie komponieren! Du hast keinen Begriff davon, wie es unsereinem zu Mute ist, wenn er immer so einen Riesen hinter sich marschieren hört”, zo legde Brahms in een brief aan dirigent Hermann Levi (1839-1900) nog eens de vinger op de wonde. Bovendien had Brahms het als componist van absolute muziek niet makkelijk om zich te manifesteren in een periode waarin programmatische muziek razend populair was. En dus zou het nog meer dan twintig jaar duren vooraleer de Hamburger zijn eerste symfonie aan het grote publiek presenteerde. We schrijven 1876.     

Enige tijd geleden bekende onze hoofdredacteur: “Brahms heeft me nooit kunnen verleiden met zijn grote symfonische werken […].” Maar bekering is mogelijk. Daarvoor heb je blijkbaar een dirigent nodig die erin slaagt om tot de kern van de muziek door te dringen. Welnu, Iván Fischer, zo mocht worden aangenomen, is zo iemand. Alleen leek het alsof hij bij aanvang van de eerste symfonie niet helemaal bij de les was. Fischer heeft sowieso al een ietwat aparte stijl van dirigeren: soepel, als het ware uit de losse pols, en vanavond ook zonder de houvast van een partituur. “I lead it more like a theatre director leads actors, than a conventional conductor conducting an orchestra.zo verklaart hij de creatieve vrijheid die hij aan zijn musici geeft. Maar met zo veel muzikale lijnen die zich van bij de gespierde langzame inleiding van dit werk (Un poco sostenuto) ontplooiden, was een vastere hand geen overbodige luxe geweest. Werden vele individuele motieven uit de eerste beweging door de verschillende instrumentengroepen knap gefraseerd, dan ontbrak weliswaar een duidelijk zicht op het broeierige binnenwerk, op datgene wat zich in de buik van het orkest afspeelt en waar veel van de stuwing en ideeën vandaan komen. Deze behoefte liet zich in de beide middendelen, hoe dan ook een stuk eenvoudiger van opzet, veel minder voelen. Tekenen van beterschap waren zonder twijfel de subtiele dynamische nuances en de ronduit prachtige verwevenheid van eerste en tweede violen in het Andante sostenuto. De melancholische vioolsolo was een lust voor het oor. Het hout leverde niet minder dan een glansprestatie. De vele, fraaie dialogen in het orkest tijdens het snel genomen Allegretto onderstreepten het kamermuzikale karakter van Brahms’ symfonische oeuvre. De finale, met zijn glorieuze, hymnische hoofdthema, groeide uit tot een episch slot. Koperblazers, strijkers en fluiten vulden elkaar heerlijk aan, maar het waren toch vooral de opmerkelijk gefluisterde pizzicati aan het begin die de meeste bewondering wekten.

Orkest wordt koor

Ontbrak het in de eersteling van Brahms volgens Clara Schumann aan Melodienschwung, dan werd zij met de tweede symfonie op haar wenken bediend. Alsof er een grote last van zijn schouders was gevallen, voltooide Brahms dit werk reeds in het jaar na de première van zijn eerste symfonie (1877). “Das ist ja lauter blauer Himmel, Quellenrieseln, Sonnenschein und kühler grüner Schatten!”, schreef zijn goede vriend Theodor Billroth (1829-1894) enthousiast over het idyllische karakter van dit stuk. En hoewel niet over de hele lijn onbekommerd, zijn beide opusnummers inderdaad als yin en yang: een contrasterend tweeluik dat om die reden bijzonder geschikt is om op één concertavond uit te voeren. Fischer en het BFO overtuigden ditmaal over de ganse lijn. In het monumentale openingsdeel (Allegro non troppo) en het bedachtzame Adagio non troppo werden rust en spanning op boeiende wijze met elkaar afgewisseld. Met zo’n prachtige thema’s kunnen de cello’s in beide bewegingen alvast weinig verkeerds doen, maar kwaliteit was in alle geledingen van het orkest aanwezig. En die kwam in wat nog volgde ook mooi aan de oppervlakte. Klarinet en hobo toverden in het vijfdelige Allegretto grazioso de schitterendste kleuren tevoorschijn. Zeker zo belangrijk was dat er gevat op elkaars partij werd geanticipeerd en de tempowissels goed uit de verf kwamen. Het slotdeel (Allegro con spirito) leverde zoals verwacht het nodige vuurwerk en exuberant geschal op, maar bevatte naast veel energie ook enkele opmerkelijke rustpunten met heerlijke sourdine passages.

Het publiek bedankte met een staande ovatie. Fisher en het BFO antwoordden met een hoogst origineel extraatje. Brahms bleef de inspiratiebron, maar in plaats van een Hongaarse dans haalden de muzikanten onverwacht een ander instrument boven: hun stem. Was Es geht ein Wehen uit de Sieben Lieder (opus 62) lukraak gekozen? Ik durf geloven van niet. Want een zucht van verlichting, dat was ongetwijfeld wat Brahms moet hebben geslaakt toen hij zijn eerste symfonie voltooide.

PS: Op maandag 11 mei stelde het Concertgebouw Brugge haar programma voor volgend seizoen aan pers en publiek voor. En ook in 2016 is het Budapest Festival weer van de partij. Het aftellen kan beginnen.