“Ik mag zeggen dat de vriendschap tussen Britten en Sjostakovitsj één van de redenen is waarom ik muzikant geworden ben” (Teodor Currentzis in gesprek met Chantal De Waele, Staalkaart nr 21, pag 7)

“Ik mag zeggen dat de vriendschap tussen Britten en Sjostakovitsj één van de redenen is waarom ik muzikant geworden ben” (Teodor Currentzis in gesprek met Chantal De Waele, Staalkaart nr 21, pag 7)

Het Klara-Festival 2013 maakte een dappere keuze met de combinatie van Benjamin Britten en Dmitri Shostakovich. Dat het Festival niet aan Britten voorbij kan is logisch: hij is een van de componisten van wie dit jaar de verjaardag herdacht wordt, in zijn geval de 100ste. Aangezien Dmitri Shostakovich een tijdgenoot is en de twee componisten vanaf hun ontmoeting in 1960 een artistieke vriendschap onderhielden is een samengaan van beide componisten helemaal niet vergezocht. Boeiend is daarenboven dat het festival niet minder dan drie concerten aan hen wijdt, wat een mooie diversiteit aan werken toelaat.

Voor het drieluik werd het Mahler Chamber Orchestra uitgenodigd, een schitterend orkest dat een aparte positie inneemt in het concertlandschap. Het is namelijk aan geen enkele stad of concertzaal verbonden. Het reist de wereld rond en treedt op de meest prestigieuze festivals op, zoals Luzern, Salzburg, Berlijn. Het werkt projectmatig met wisselende dirigenten, en die zijn niet van de minste, zoals Daniel Harding, Pierre Boulez en natuurlijk Claudio Abbado, de dirigent die het initiatief nam voor het orkest.

Teodor Currentzis

Voor de drie concerten van het Klarafestival werkte het met de jonge dirigent van Griekse origine Teodor Currentzis. Een perfecte keuze volgens het citaat waarmee dit stuk inzet. De pers focuste naar aanleiding van zijn komst uitgebreid op deze nieuwkomer in de wereld van de klassieke muziek. De interviews creëerden grote nieuwsgierigheid naar deze jonge man die op zijn minst excentriek overkomt. Hij houdt er een eigen mening op na over het reilen en zeilen van de klassieke muziekwereld. De titel van het stuk in De Standaard (Tom Janssens, weekend 24-8-13): “Eigenlijk zou muziek verboden moeten worden”, prikkelt op zijn minst de verbeelding maar moet uiteraard niet zo letterlijk genomen worden. In het zelfde interview verklaart hij ook zijn keuze voor Rusland, een land dat hem toelaat zijn emotionaliteit voluit te beleven en anarchistisch te zijn. Hij is vol bewondering voor zijn leraar Ilja Musin, die nota bene ook de leraar geweest is van Valery Gergiev en Semyon Bychkov. En toegegeven, de drie concerten leren ons een gedreven dirigent kennen, die de muziek beleeft tot in de diepste poriën van geest en lichaam.

Het concert in Bozar (5-9) met Brittens Serenade voor tenor, hoorn en strijkers, op. 31, het tweede pianoconcerto van Sjostakovich en de negende symfonie van Sjostakovich biedt alvast een verbluffende kennismaking met de dirigent. De lange magere man bruist van vitaliteit, zwaait met zijn lange armen en vingers (dirigeerstokje overbodig!), springt heen en weer op het dirigeerpodium. Zijn halflange samengebonden haar laat zijn gezicht vrij dat – van in profiel gezien – de lichaamsexpressie nog versterkt. Zijn vurige ogen houden het hele orkest in de ban. Met zijn uiterste beweeglijkheid en zijn zijïge zwarte hemd aan de mouwen versierd met witte kantjes, doet hij denken aan een figuur uit de commedia dell’arte. Of die uitbundige dirigeerstijl dan niet stoort, zal u zich afvragen. Eigenaardig genoeg niet, want hij heeft tegelijk een overtuigingskracht die zowel publiek als orkest meeneemt. Het is een kenmerk dat constant blijft in de drie concerten.

perfecte partners

Van de concerti van Shostakovich kregen we verspreid over de drie programma’s het tweede pianoconcerto met solist Alexander Melnikov, het eerste celloconcerto met Steven Isserlis en het tweede vioolconcerto met Andrey Baranov. In het eerste waren dirigent en pianist perfecte partners van elkaar in de energische hoekdelen, terwijl de lyriek van het Andante door Melnikov subtiel beheerst werd. Melnikov ontpopte zich tot een spectaculair virtuoos in het slotdeel.

Steven Isserlis die de zieke Jean-Guihen Queyras verving liet het knappe en graag gehoorde 2de celloconcerto zinderen met een enthousiasme dat helemaal strookte met het engagement van orkest en dirigent. Vooral de krachtige explosieve passages maakten indruk, het samenspel met xylofoon, trom en vooral de hoorn was virtuoos. De rustige refrein-achtige melodie speelde Isserlis met aangrijpende schoonheid.

In het 2de vioolconcerto toonde Baranov zich over heel de lijn een virtuoos solist, maar we onthouden vooral de concentratie waarmee hij het zachte en nostalgische adagio speelde waarbij hij repliek kreeg van de knappe hoornist van het Mahler Chamber Orchestra, een hoornist die we misschien liever gehoord hadden in het openingsstuk van de trilogie (zie verder).

Het luik van de symfonieën had het pluspunt dat ook eens de minder vaak gespeelde symfonieën van Shostakovich aan bod kwamen, zoals zijn eerste symfonie gecomponeerd op negentienjarige leeftijd en gecreëerd in 1926, waarin reeds kenmerken van de latere componist te vinden zijn: de dissonante klanken en zijn typische ironie. De negende symfonie (1945) is zeker geen populaire en het Mahler Chamber Orchestra heeft me ook niet overtuigd dat ze grotere belangstelling verdient. Ik vind ze weinig samenhangend met enkel een paar mooie passages voor klarinet en fagot. Hoogtepunt in dit programma-aspect was natuurlijk de vocale veertiende symfonie (1969), uitgevoerd in de Singel (7-9-13). Deze symfonie is de favoriet van de dirigent en dat was er zeker aan te horen. De concentratie waarmee hij dit werk rond het thema van de dood tot uitvoering bracht, benaderde een ritueel, met veel respect voor de teksten die de zangers zingen/reciteren. De gedetailleerde aanpak van Currentzis van elke instrumentengroep, bijna van elke muzikant hebben we ondertussen in de drie concerten goed leren kennen en die bereikt in deze symfonie het summum. Het is de andere kant van de medaille van zijn beweeglijkheid en lichamelijke souplesse, die gevoed wordt door een (waarschijnlijk) even beweeglijke geest. In een symfonie met passages voor onder meer xylofoon, klokken, celesta, castagnetten, is zo’n detailaanpak aangewezen.

ideaal slotstuk

De zangers die het Klarafestival had uitgenodigd behoren simpelweg tot de topklasse: Angela Denoke voelt zich als een vis in het water in 20ste eeuwse muziek, heeft vanuit haar opera-ervaring een perfect tekstgevoel en zingt met een volle, soepele sopraanstem. De bas Petr Migunov vertolkte met warme klank de geladen teksten die de ruggengraat vormen van de symfonie, die Shostakovich heeft opgedragen aan Britten.

Denoke vertolkte met tragische klasse het andere vocale werk van dit concert, Phaedra van Benjamin Britten, een weinig bekend vocaal werk dat Britten in zijn laatste levensjaar componeerde en waarin de vocale partij een sereen lamento vertolkt, dat soms aan de cantates van Berlioz herinnert (die waarschijnlijk inspiratie geweest zijn voor Britten) maar ook aan het barokke lamento vooral wegens het gebruik van het klavecimbel voor de recitatieven. De twee werken vormden een ideaal slotstuk voor een trilogie opgebouwd rond Britten en Shostakovich met melancholie als hoofdthema.

Een ander vocaal werk van Britten had op 5-9 in Brussel de trilogie geopend: de Serenade voor tenor, hoorn en strijkers. Ook hiervoor was een uitgelezen solist geëngageerd, de tenor Ian Bostridge die als geen ander vertrouwd is met het oeuvre van Britten. Hij vertolkte met uiterste concentratie de complexe teksten maar stond ook gespannen op het podium alsof hij niet het zelfvertrouwen had dat we van hem gewoon zijn. Het duurde even voor de stem de goede plooi vond en hij zijn melancholische intensiteit met die van de dirigent kon overeenstemmen. Maar de techniek van Bostridge is zo superieur dat er vocaal niets op aan te merken is. De hoornist ontgoochelde regelrecht: hij speelde de proloog te luid en leek ook niet echt in de sfeer van het stuk te passen. In de dagen erna hoorden we betere hoornpassages spelen door de muzikanten van het orkest… Het concert in Brugge liet ons kennis maken met het opus 1 van Britten, Sinfonietta (1932), een speels werk met her en der Schoenberg-toetsen, waarin Britten ook al zijn geliefde hoornklank laat horen en de pizzicati-effecten van de tarantella mooi vooruitwijzen naar de pizzicati die we later die avond in het celloconcerto horen.

Een Britten-Shostakovich-trilogie waar het Klarafestival trots op kan zijn en die het publiek waardevolle uurtjes muziek-beleven geboden heeft. Bovendien mooi omkaderd met inleidingen tot de concerten door Francis Maes, in de zaal beknopt en stijlvol gepresenteerd door Greet Samyn en – voor wie er niet kon bijzijn – uiteraard allemaal uitgezonden met commentaar door Klara.

En tot slot: we kunnen het Mahler Chamber Orchestra dit concertseizoen ook buiten het Klarafestival nog twee keer meemaken in Brussel, want het het orkest is in residentie in Bozar: op 18 november 2013 met Leif Ove Andsnes in een Beethovenprogramma en op 25 maart 2014 o.l.v. Vladimir Jurowski met solisten Gerald Finley en Sophie Karthäuser in een Mahler programma.