De musici die op de affiche van enkele Vlaamse muziektempels stonden (deSingel, Flagey, Concertgebouw Brugge) met onder meer het Berliner Requiem op het programma, zijn niet de minsten: I Solisti Del Vento en het Collegium Vocale Gent onder leiding van Philippe Herreweghe en de solisten Maximilian Schmitt (tenor), Florian Boesch (bas) en Patricia Kopatsjinkskaja (viool).

De musici die op de affiche van enkele muziektempels stonden (deSingel, Flagey, Concertgebouw Brugge) met onder meer het Berliner Requiem op het programaa, zijn niet de minsten: I Solisti Del Vento en het Collegium Vocale Gent onder leiding van Philippe Herreweghe en de solisten Maximilian Schmitt (tenor), Florian Boesch (bas) en Patricia Kopatchinskaja (viool).

Weil, Eisler en Brecht

Van Kurt Weil (1900-1950) was het luisteren naar Vom Tod im Wald en Das Berliner Requiem beide op teksten van Eugen Berthold Friedrich – beter bekend als Bertolt – Brecht (1989-1956) en zijn concerto voor viool en orkest. Hanns Eisler (1898-1962) / Brecht: Liturgie vom Hauch en Gegen den Krieg en van Hugo Distler (1908-1942) Die Sonne sinkt von hinnen op tekst van Hermann Claudius die net geen 102 jaar werd (1878-1980).

De orkestpartijen werden bewerkt zodat het blazersensemble van Francis Pollet er zich ten volle kon voor geven. Opnieuw werden alle verwachtingen ingelost: I Solisti Del Vento bewees niet zomaar naambekendheid te genieten. Zo dikwijls kan het werk van Weill en companen vervelend, tergend klinken – althans naar mijn aanvoelen – maar daar was niets van te merken, ingetendeel. Het openingswerk Vom Tod im Walde werd niet alleen door de blazers in een groot transparant evenwicht gespeeld maar ook de bas zette een zeer heldere vertolking neer. Een knappe uitspraak van het Duits (niet altijd een zekerheid bij Duitstaligen) en wat een intonatie en interpretatie! Dat is dus zingen, vertolken.

Herreweghe ja of nee

Philippe Herreweghe leidde maar of hij daar nu stond of niet, het veranderde niets aan de muzikale prestaties. Zijn wijze van orkestmusici leiden is toch wel bedenkelijk. Hoe de leden van een orkest bij hem gelijkmatig kunnen inzetten, de maatslag en muzikale lijn volgen en gelijk stoppen bij zijn ‘afslag’ is me een raadsel. Ik heb nog maar eens zijn a-typische arm- en handbewegingen pogen te volgen maar het sluiten van de ogen en luisteren drong zich op.

De Liturgie vom Hausch, a capella en geleid door Herreweghe, klonk mooi, knap gefrasereerd en toonvast gezongen met ietsje minder coherentie in de koorzang – iets wat al een tijdje aan de gang is – maar het verschil tussen de koordirigent en de orkestdirigent kon niet duidelijker. Herreweghe zijn ding is (was?) koor. Zijn dirigeren is meezingen maar eens er een orkest, groot of klein mee op het podium komt, dan is hij verloren. Tenzij het Bach is. Bach is de muziek van en voor Herreweghe. Classisicme, romantiek en wat er na komt, kan je echt niet Herreweghe zijn muziek noemen en ik heb nooit begrepen, noch begrijp ik vandaag, waarom hij persé Brukner en Mahler of in dit geval Weill en anderen wil dirigeren.

Veel poeha voor violiste, terecht?

Ze speelde knap, de met overdreven veel poeha aangekondigde violiste Patricia Kopatchinskaja. Maar of het nu zo knap was om er bij flauw te vallen? Enige overdrijving is in de pers – als er al een keer pers is – niet ver weg. Nuance is op zijn plaats en nog meer muzikale eerlijkheid. De beroemde violiste komt op de scène op een wijze die me tegenzin geeft nog te luisteren. Zij is de ster en dat moet je weten maar dat moeten we niet vaststellen aan het ego dat op het podium staat te jongleren, dat moeten we vaststellen uit wat we horen. Gelukkig hoorde ik wat ik wilde. Niet dat ik dieper dan diep onder de indruk was maar zeker meer dan tevreden. Het probleem is dat je, precies door de poeha, te  veel verwachtingen stelt en je niet meer gewoon objectief in je stoel kan gaan zitten. Kopatchinskaja speelde met de nodige violistieke lyriek, geen vuile toontjes, geen geknars, geen ongewenste glissando’s: zuiver vioolspel én een sterke interpretatie. Het viel op, voor wie het wilde zien, hoe de violiste onopvallend de armen van de dirigent meed maar wel zijn mimiek volgde en goed dialogeerde met geconcertreerd, in alle raffinement en coloriet de partituur trouw volgend I Solisti Del Vento.

Berliner Requiem

Na de pauze was het koor niet altijd in het grote evenwicht en er werd teveel kracht gezet, zeker in het Berliner Requiem. Hugo Distlers Die Sonne sinkt vom hinnen was niet op en top toonzuiver en het koor zakte zowaar ongeveer een halve toon. De partituur scheen me niet grondig gekend. Te weinig samen gerepeteerd zeg maar? Een tenor stak gedurig en voor alle werken, boven de andere zangers uit en dat stoorde. Het blazersensemble daarentegen presteerde uitstekend met een rijke frasering en zette zich op gelijke hoogte met de bas en de tenor in Das Berliner Requiem. Mocht je de kans hebben de tenor Schmitt in Mozart te horen: ga zeker. Als je Kurt Weill op de wijze interpreteert en zingt zoals hij deed, heel nauw aanleunend bij de visie van zijn collega Boesch, dan roept Mozart je tot hem. Neen, ik vergelijk Mozart en Weill niet, absoluut niet maar wie Weill zo zingen kan?

En eindelijk heb ik, voor de allereerste keer, los van de bendenkingen die ik heb over Philippe Herreweghe met dit soort muziek, kunnen begrijpend luisteren naar muziek uit een tijd die met veel duisternis omhuld is. Ik moet er Luc Breawaeys voor danken want hij en niemand anders gaf me het inzicht hoe te luisteren naar niet meteen de meest harmonische muziek.

Een extra woord verdienen de tekstdichters. Zoek je het gedicht Gegen den Krieg van Brecht eens op? Een kernachtige harde aanklacht tegen alle betweters, politieke leiders, nep-vredesorganisaties en zo meer die altijd en overal, telkens opnieuw, in naam van hun waarheid en machtszucht, mensen slachtofferen: “Der Schweiss des Volkes ist nutzlos vergossen. Ah!”…