Gouden Label – Aanmoediging – Een rits ronkende namen op het programma van het Nationaal Orkest (NOB) dat dit jaar zijn 75e verjaardag viert. De concerten in het Paleis voor Schone Kunsten (PSK) worden meestal twee keer uitgevoerd: vrijdagavond en zondagnamiddag.

Met in het achterhoofd het idee aanwezig te zijn in het gezelschap van een totaal ander publiek, kozen we deze keer voor zondagnamiddag. De gemiddelde leeftijd lag nog hoger dan door de week, maar tot onze verrassing bleven de beruchte hoestbuien grotendeels achterwege. De belangrijkste reden hiervoor, geloof ik: de kwaliteit van wat we te horen kregen.

Vanaf september 2012 wordt de muzikale leiding van het NOB toevertrouwd aan de Russische dirigent Andrey Boreyko. Een prima keuze, zo blijkt. De man is niet meer zo piepjong (°1957) maar heeft nog geen sprietje grijs haar en straalt nog steeds een jeugd uit die velen hem kunnen benijden. Die dynamiek weet hij op de muzikanten over te brengen en samen met een bijzonder knappe dirigeerkunst leidt dit tot prestaties van het NOB die we – om eerlijk te zijn – tot voor kort slechts zeer zelden te horen kregen.

Het groot gemengd (!) Chor der Städtische Musikverein Düsseldorf werd opgericht in 1818 en kleppers als Felix Mendelssohn-Bartoldy en Robert Schumann waren er ooit muziekdirecteur. De Düsseldorfer Symphoniker staan nu onder de leiding van… Andrey Boreyko. Alllicht de reden voor een perfecte symbiose tussen koor en dirigent.

De parel aan de kroon voor dit concert was natuurlijk pianiste Anna Vinnitskaya, die we ons nog levendig herinneren van haar Eerste Prijs in de Koningin Elisabethwedstrijd 2007. Deze jonge vrouw is amper 29 maar heeft een reputatie ‘bijeengetokkeld’ als soliste bij de grootste orkesten en dito chefs ter wereld. Niet toevallig, zoals we ook vandaag te horen kregen.

Om te openen: de ouverture tot het Groot Russisch Paasfeest, opus 36 van Nikolai Rimski-Korsakov (1844-1908). Rimski-Korsakov was dirigent van de keizerlijke kapel en hij droomde er al een tijdje van liturgische thema’s in een symfonische compositie te verwerken. Het Groot Russisch Paasfeest was dan ook ‘gefundenes Fressen’ voor hem. Let wel: de componist was antitsaristisch en een vrijdenker en het werk hoort eigenlijk niet thuis in een kerk. Elk muziekinstrument (ook een orgel) is overigens verboden in de Orthodoxe Kerk. We vergeten dus de religieuze referentie en krijgen een wonderbaarlijke, ja zelfs triomfantelijke viering te horen. In het Russisch heet het Svetly prazdnik, wat lichtend feest betekend. En zo klinkt het ook onder de briljante leiding van Boreyko. Het is een genot om naar te luisteren en ook om naar te kijken: hoe de man met grote precisie alles, maar dan ook alles aangeeft – zo hoort het – maar tegelijk de muzikanten een grote graad van vrijheid geeft in de uitvoering van wat geschreven staat.

Na de obligate verhuispartij staat een imposante vleugelpiano klaar voor het Pianoconcerto in G van Maurice Ravel (1875-1937). Dit concerto ontstond tegelijk met het ‘andere’, dat voor de linkerhand, geschreven voor Paul Wittgenstein (broer van de filosoof Ludwig) die zijn rechterhand verloor tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ravel zelf dirigeerde de première in de Salle Pleyel, met aan de piano Marguerite Long aan wie het concerto opgedragen werd. Ravel benadrukt dat deze compositie een “concerto is in de echte zin van het woord”. En hij verwijst ook met zo veel woorden naar Mozart en Saint-Saëns. Dit ‘klassieke’ werk, in drie delen – een langzaam middendeel, een sprankelende opening en even briljant slot, is een muzikale caleidoscoop. Een veelheid van stijlen volgen elkaar op en Ravel aarzelt niet met referenties aan Baskische en Spaanse volksmuziek en aan jazz. Vinnitskaya gaat er stevig tegen aan, in een razend tempo in het Allegramente (eerste deel) en vanzelfsprekend in het Presto (derde deel). In het Adagio assai dan weer ontroert ze ‘tot op het bot’. Het is muisstil in de zaal.

Na de pauze staat nog grootse muziek op het programma. Geen lichte kost: Psyché, symfonisch gedicht voor koor en orkest van César Franck (1822-1890). Dit dateert uit de meest vruchtbare periode van Franck (zomer 1887 tot begin 1888) en dat is er als het ware aan te horen. Het werk wordt zelden uitgevoerd en dan nog meestal zonder koor. Om eerlijk te zijn: het had wat korter gekund, maar dat neemt niet weg dat we de volle lengte geboeid zitten te luisteren en vooral onder de indruk zijn van de volle orkestklank die het NOB slechts zelden laat horen. Het zit er dus wel in en er is de hand van een Boreyko nodig om het tot leven te brengen.