Nominatie Gouden Label Festival – Het Mozartfestival, jaarlijks in september, is in Vlaanderen amper gekend. Is het de fout van de organisatoren die zich teveel tot het Franstalige publiek uit Brussel en de omgeving van Waterloo richten? Meteen het enige minpunt van een festival met muziek die alle (taal)grenzen overstijgt.

Het Mozartfestival is een heel apart festival dat aandacht heeft voor gevestigde waarden en jonge talenten die met die gevestigde waarden samen op het podium mogen. Mozarts muziek staat al 20 jaar centraal – hoe kan het anders in een festival dat zijn naam draagt – en de programmatie is dermate opgebouwd dat Mozart ze zelf zou kunnen goedgekeurd hebben, ook al zijn er namen bij van componisten die je niet meteen aan Mozart kunt koppelen.

Daniel Rubinstein is artistiek directeur. Zijn vader, Jerrold Rubinstein stichtte het in 1995 samen met Dalia Ouziel en Vladimir Mendelssohn (hij zou via via nog een afstammeling zijn van Felix Mendelssohn). Zoals vele festivals die of toevallig of zeer bescheiden begonnen, maar waar de initiatiefnemers vol idealen zitten en kwaliteit hoog in het vaandel voeren, groeide het Festival Mozart uit tot een alround festival met niet alleen concerten, maar ook masterclasses en tentoonstellingen.

Abdal Rahman El Bacha, Alexander Dmitriev, Marc Grauwels, Jean-Claude Vanden Eynde, Daniel Blumenthal, het zijn enkele namen van de artiesten die het festival al jaren terzijde staan als sterke steunpilaren. Zij staan borg voor de inhoudelijke kwaliteit en delen op de verschillende concerten het podium.

Galaconcert 20 jaar Festival Mozart

Op uitnodiging van de Israëlische ambassade trokken we met een paar Klassiek Centraal mensen naar Studio 4 in Flagey (Elsene/Brussel) voor een grootster opgezet galaconcert waar in aanwezigheid van onder meer de Israëlische ambassadeur het slotgalaconcert van het Festival Mozart werd aangeboden. De zaal zat afgeladen vol en zoiets is voor de mensen op het podium altijd inspirerend. Daniel Rubinstein praatte de avond zelf aan elkaar (in het Engels…) ‘ad interim’. De presentator van dienst moest op het laatste moment afhaken. Soms ging hij wat te diep op de dingen in en werd te technisch. Zeer interessant voor mensen die meer van muziek kennen, moeilijker voor ‘gewoon’ publiek. Ik zou van die man wel eens les willen krijgen, hij heeft veel te vertellen.

Prokofiev zijn ‘Ouverture op een Hebreeuws thema’ (opus 34) was het eerste werk om te beluisteren. Van Rubinstein vernamen we dat het Hebreeuwse thema geen Hebreeuwer kent, maar dat het wel in de stijl is en een Hebreeuwse melodie zou kunnen zijn ook al is het dus niet zo. Het kwintet van vier strijkers en klarinet speelde het werk levendig, niet overdreven jazzy (dat durft te dikwijls wel zo zijn) en soms smeuïg met wat klezmer-inslag (klezmer kennen we bij ons voornamelijk als Oost-Europese joodse muziek). Het was op zich een zaligheid om alleen al de klarinettist aan het werk te zien. Neemt u mij niet kwalijk, hij deed denken aan Mister Bean, maar weet dat Rowan Atkinson een groot artiest in zijn vak is, net als klarinettist Pascal Moraguès.

Van Joseph Jongen (altijd te weinig geprogrammeerd en dus blij dat we naar werk van hem konden luisteren) voerde men zijn Danse Lente voor dwarsfluit en piano uit. Een sierlijk en stijlvol werk met de nodige elegantie en esthetiek vertolkt. Het was een aanzet voor het er op volgende, langere werk van Shostakovitsj, het Pianotrio nr. 2 opus 67. Het werd een aangrijpende, imponerende en expressieve vertolking van een nog werk vol dramatiek die het schokkende van een dictatuur verraadt. Zeg maar dat ook dit trio een van de vele radicale aanklachten tegen Stalins bloedregime is, waar de trotse Sjostakovitsj op meesterlijke wijze als een gladde paling doorheen wist te maneuvreren.

Het tweede deel van het concert bood Wolfgang Amadeus Mozart – trouw aan het Festival Mozart –zijn kwartet voor fluit en strijkers K285. Een droomuitvoering waar fluitist Marc Grauwels in opging op een wijze dat hij niet meer op een podium zat, maar bij Mozart zelf en hem liet horen hoe hij de zaak interpreteerde. Een briljante uitvoering waar de fluit en de strijkers in elkaar smolten en onbezoedeld werk het publiek cadeau deden.

Mendelssohn was 16 jaar toen hij zijn beroemd strijkoctet schreef. 16 jaar (lees het drie of honderd keer en besef het goed, 16 jaar). De verzameling van acht strijkers palmde het publiek in met een fascinerende uitvoering van dit octet dat niet alleen zeer volwassen energie en diepzinnigheid uitstraalde, maar ook bevallige en jeugdelijke bekoring. Een uitvoering uit de duizend helemaal passend in een festival dat een keer extra in de aandacht mag gebracht worden.