**** Ontdek tijdens uw vakantie totaal onbekende muziek van een totaal vergeten componist. Het gaat over composities van de Franse componist Théodor Dubois (1837-1924). Lees verder  en ga vlug luisteren.

**** Ontdek tijdens uw vakantie totaal onbekende muziek van een totaal vergeten componist. Het gaat over composities van de Franse componist Théodor Dubois (1837-1924). Lees verder  en ga vlug luisteren.

De Franse componist Théodore Dubois wordt herontdekt. Zo kon U bvb. dit jaar, van 14 april tot 27 mei, tijdens het Festival van Venetië,  naar de concertreeks “Théodore Dubois (1837-1924) et l'art officiel” in de Scuola Grande di San Rocco, de Scuola Grande di san Giovanni Evangelista en in het Palazzetto Bru Zane,  het  plaatselijke Centre de musique romantique française.

Maar, eerst en vooral, wie was Théodore Dubois eigenlijk? Wel, ik kan hem U het best voorstellen aan de hand van de vier groten die hij heeft opgevolgd. Ambroise Thomas, als directeur van het Parijse conservatorium, César Franck, als maître de chapelle van de Sainte-Clothilde, Saint-Saëns als organist van de Madeleine, en Charles Gounod als lid van de Académie des Beaux-Arts. Hij studeerde eerst bij Louis-Simon  Fanart (1807-1883), de koorleider van de kathedraal van Reims, en studeerde vervolgens piano bij Marmontel, orgel bij François Benoist en compositie bij de operacomponisten François Bazin en Ambroise Thomas. Eventjes situeren.

Bazin (1816-1878) was leraar harmonie aan het Parijse conservatorium en werd in die functie opgevolgd door zijn leerling Emile Durand (1830-1903). Zijn andere leerlingen waren Dominique Ducharme, Charles Lecocq, Adolphe Danhauser, André Wormser, Georges Mathias, en Théodore Salomé. Zijn opvolger, Durand,  was lid van de groep “Les Bretons de Paris," oftewel "La Pomme", en was op zijn beurt de leraar van o.a. Gabriel Pierné, Claude Debussy, Camille Erlanger en Arthur Goring Thomas. Ga vlug Durands  “Chants d'Armorique” ontdekken. Magnifiek.

N.a.v. “l’affaire Ravel” in 1905, werd Dubois als directeur van het conservatorium opgevolgd door Gabriel Fauré.  Na het winnen van de Prix de Rome met zijn cantate “Atala”, was Dubois  eerst koordirigent (maître de chapelle)  aan de St. Clotilde in Parijs, en volgde hij later Saint-Saëns op als organist van de Parijse Madeleine. In 1871 werd hij professor harmonieleer aan het Conservatoire in Parijs, waarvan hij van 1896 tot 1905 directeur was. Tot zijn leerlingen behoorden naast de bekende Paul Dukas en Florent Schmitt, o.a. Pierre de Bréville, Guillaume Couture, Gabrielle Ferrari, Gustave Doret, Achille Fortier, Xavier Leroux, Albéric Magnard, Édouard Risler, Guy Ropartz en de Griekse  operacomponist Spyridon Samaras, die in 1896, de officiële, Olympische hymne componeerde.

Wilt u de componisten van deze Franse School ontdekken of verder uitdiepen, dan doet u dat het best aan de hand van de lijst van de winnaars van de Prix de Rome, en aan de hand van de lijst van de leraars aan de Schola Cantorum en de Ecole Niedermeyer. De muziek van Dubois situeerde zich stilistisch tussen de moderne richting van Debussy en de  richting van Dubois’ aartsrivaal Vincent d’Indy (1851-1931). D’Indy was  leerling  geweest van Antoine Marmontel, Albert Lavignac, Louis Diémer en vooral César Franck, en richtte, in 1894, samen met Charles Bordes en Alexandre Guilmant,  de Schola Cantorum op.

Dubois moest in 1905 echter aftreden als directeur van het Conservatoire, omdat hij geweigerd had de Prix de Rome toe te kennen aan Maurice Ravel, die nota bene, voor de vijfde keer meedeed. Gabriel Fauré nam het directeurschap over.

Mocht dit alles voor u nieuw zijn, kent u misschien de mooie, oude, Italiaanse  havenstad Pozzuoli nabij Napels. Waarom? Wel, omdat daar, waar Paulus predikte, Pergolesi overleed, en Sophia Loren opgroeide, de zoon van Dubois, Charles (1877-1965), als bekende antieke archeoloog, er de  opgravingen leidde.

De Franse dirigent François-Xavier Roth (°1971), in ons land geen onbekende,  en pianiste Vanessa Wagner, laten ons kennis maken met zijn (tweede) pianoconcerto uit 1897. Eigenlijk zijn enige pianoconcerto in de letterlijke betekenis, maar zijn tweede, omdat hij eerder een concerto-cappricio voor piano en orkest componeerde. Vandaar. Het concerto in vier bewegingen  bruist van energie en pianistische virtuositeit. De Franse pianiste Vanessa Wagner uit Rennes (°1973) laat zich, als gewezen leerlinge van Leon Fleisher, Murray Perahia en Alexis Weissenberg, op een Erard uit 1874, horen van haar beste kant. De pianopartij is overigens heel virtuoos en vraagt alle mogelijke pianistisch-technische vaardigheden. Vanessa doet dat uitstekend en dirigent Roth, overigens de zoon van de grote Franse organist Daniël Roth (°1942) uit het Elzassische  Mulhouse, volgt haar met zijn in 2003 zelf opgericht orkest “Les Siècles”, waarin de blazers periode-instrumenten zijn, op de voet. Een echte revelatie en een ontdekking van jewelste. Let ook op de puike paukenisten die Spenke & Metzl-pauken uit 1900 bespelen. Spectaculair. Heerlijk.

Naast het concerto ontdekken we op deze cd zijn mooie ouverture tot “Frithiof” en zijn Dixtuor (eigenlijk een dubbel kwintet) voor twee violen, altviool, cello, contrabas, fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn. Een bijkomende kwaliteit daarvan is dat het een uitvoering betreft op een Bonneville-fluit uit 1905, een Lorée-hobo uit 1907, een Couesnon-klarinet uit 1905, een Buffet-Crampon-fagot uit 1907 en een Selmer-ventielhoorn uit 1920. Instruments d’époque, dus. Heel interessant. Wie andere kamermuziek van Dubois wil ontdekken kan terecht op het label ATMA  Classique en voor zijn andere orkestwerken is er de schitterende cd op het label Mirare, door de Franse cellist Marc Coppey (°1969) die op 18-jarige leeftijd ontdekt werd door Yehudi Menuhin,  en  de Franse pianist Jean-François Heisser (1950) uit het mooie Saint-Étienne, die tegelijk speelt, en het Orchestre  Poitou-Charentes dirigeert!

Bijzonder spijtig is wel dat we bij de cd van Les Siècles niets vernemen over de muziek, en bijzonder weinig over de componist, in de tekst, gedrukt op de binnenzijde van  de cd.

Het oratorium als genre wordt nog al eens  uitsluitend, zo niet, dan toch zeker, hoofdzakelijk gesitueerd in de barokperiode. Weet dat in de 19de eeuw ontzettend veel, onnoemelijk veel oratoria zijn gecomponeerd. De geestelijke inhoud van de compositie van Dubois kaderde in de tijdsgeest van christelijk-katholieke revival na de Commune-opstand en van patriottisme, in Parijs, muzikaal geleid door de Société nationale de musique. De nieuw gebouwde, magistrale kerk Sacré-Coeur van Montmartre, was daarvan het architecturale symbool. De compositie “Le Paradis perdu” mist echter melodisch genie. Dat is wat mankeert. Wat de musicologische goegemeente academisch en eclectisch noemt, noem ik gewoon gemis aan genie en talent, om prachtige melodieën te componeren. Want, harmonisch en contrapuntisch is de compositie evenwaardig aan alle andere. Maar de intervaliek van de melodie, noem het het thema, bepaalt de inhoud van de harmonie. Het componeren van prachtige lyriek is niet aan iedereen gegeven.

Dubois kan niet wedijveren met “Mors et Vita” (1884) en “Gallia” (1871) van Gounod, “L’Eden” (1848) van Félicien David, “Das verlorene Paradis” (1856) van Anton Rubinstein (Rubinstein componeerde bvb. vijf oratoria), het mystère “Éve” (1875) van Massenet, “Le Déluge” (1875) van Saint-Saëns of “Les Saintes Maries de la Mer”, légende de Provence en quatre parties (1892), van Émile Paladilhe (1844-1926), de drie laatste  op tekst van Louis Gallet (1835-1898), om er maar enkele te noemen.  En, volledigheidshalve, moeten we ook denken aan de religieuze opera ‘Le Prophète” (1849) over de wederdopers van Jan van Leiden,  van Meyerbeer, die als componist tussen 1825 en 1841, triomfen vierde in Parijs. 

Dubois componeerde zijn oratorium “Le Paradis perdu” voor een compositiewedstrijd die de stad Parijs uitschreef in 1878. Hij eindigde ex aequo met “Le Tasse” van Benjamin Godard (1849-1895). De première was op 27 november 1878 door het koor en orkest van Edouard Colonne. De solisten waren o.a. Sarah Bonneur (l’Archange), Fürst (Adam), Lauwers (Satan) en Mll Howe (Eve). Het libretto was van de hand van Édouard Blau (1836-1906) die zich vrij baseerde op het epic poem “Paradise Lost” uit 1667  van John Milton. Blau schreef ook de libretti voor de opera’s Le Cid (1885) en Werther (1892) van Massenet en voor Le roi d'Ys (1888) van Lalo. Dubois bezat het gedicht van Blau sedert 1871 en gestimuleerd door een gelijksoortige compositie, nl.  “Éve” van Jules Massenet, besloot Dubois uiteindelijk het gedicht te toonzetten voor zijn wedstrijdcompositie. Blau was overigens de medewerker van Louis Gallet die het libretto had geschreven voor “Éve”  van Massenet. De muziekpers die wanhopig wachtte op een opvolger van Berlioz die in 1869 was overleden, was ontgoocheld en bijgevolg eerder negatief in hun beoordelingen. Begrijpelijk.

Omdat de partituur lange tijd verhuisde tussen de uitgevers Girod, Leduc en Heugel, raakte zij ten slotte verloren. Op basis van een nog bestaande reductie voor stemmen en piano, realiseerde Olivier Schmitt (°1982) een reconstructie (une réécriture) van de orkestpartij, en dit voor een dubbel kwintet (strijkkwintet en blaaskwintet) en piano, zoals in Dubois’ Messe pontificale en zijn “Sept Paroles du Christ”. Het oratorium wordt op deze cd uitgevoerd door het ensemble “Les solistes des Siècles” en het koor “Les Cris de Paris” (4 x 8 stemmen per partij). De solisten zijn de sopraan Chantal Santon (Eve), de tenor Mathias Vidal (Adam), de bariton Alain Buet (Satan), de mezzo Jennifer Borghi (L’Archange), de tenor Cyrille Dubois (Uriel), de bariton Elias Benito (Molock) en de bas-bariton Sorin Dumitrascu. Aurélien Richard bespeelt een Erard uit 1881 en het geheel staat o.l.v. Geoffroy Jourdain. Het oratorium bestaat uit vier delen, La Révolte, L’Enfer, Le Paradis-La Tentation  en Le jugement. Na de uitgesproken Tristan und Isolde sfeer van de Introduction, volgen in het eerste deel absoluut geen muzikale hoogtepunten.

Er is veel oninteressant, recitativisch gezang en in de loop van de twee eerste delen, hoor je geen enkele keer een aria of een koorpassage die bijblijft. Jammer. In het derde deel gaat het beter. De liefkozingen tussen de eerste mensen (Oui, je bénis, ma bien-aimée” of “Aimons-nous”) zijn aanleiding tot meer lyrische muziek. De rol van Satan zorgt in de finale van dit deel, samen met Adam en Eva,  voor een achtenswaardig terzet. De drie laatste nummers van het vierde deel met de rol van de aartsengel en het koor van serafijnen, verdienen een plaats in de geschiedenis van het Frans oratorium van de 19de eeuw. De tekst luidt “Seigneur, Que ta grandeur soit proclamée, Que ton Saint nom soit béni”. Heel mooi.