De bekendste van de in deze reeks van vier cd’s besproken componisten is zonder tegenspraak het kind van de zonnewende, geboren op 21 juni (1733, overleden 1795), Johann Christoph Friedrich Bach.

De bekendste van de in deze reeks van vier cd’s besproken componisten is zonder tegenspraak het kind van de zonnewende, geboren op 21 juni (1733, overleden 1795), Johann Christoph Friedrich Bach.

De hof(fe)lijke orkestmuzikant uit Silezië, Johann Gottlieb Janitsch (1708-1763) was nochtans meer dan gewoon verdienstelijk, net als de begaafde Tsjech Jan Dismas Zelenka (1679-1745). Met de vier Italianen in deze reeks (Tartini, Veracini, Mossi en Bonporti) krijg je een ander beeld van de muziek uit dezelfde periode. Het onderscheid is in elk geval groter dan tussen de Duitsers en de Tsjech die sterk onder Duitse invloed stond.

Nominatie Gouden Label – Berliner Quartette / Johann Gottlieb Janitsch

Of het aan zijn betere afkomst lag of alleen aan zijn talent, Janitsch werd orkestmuzikant aan de hofkapel van kroonprins Friedrich in zijn paleis Schloss Rheinsberg. Via dit orkest en andere ervaringen, werd hij contrabassist bij de nieuw opgerichte Berliner Hofkapelle. Daar zou hij uitmunten met zijn bekendste werken, de Berliner Quartette.

Il Giardelino nam in 2000/2001 deze cd op die nu heruitgegeven werd. Wat een goede keuze terug te grijpen naar een uitvoering die los staat van alle soms bizarre hedendaagse interpretaties van barok en classisisme. De galante muziek van Janitsch staat er tussen en de muzikanten keren terug in de tijd om zich in een bad te dompelen en helemaal te laten doorweken in dat wat galant is.

Janitsch is in elke noot, elke zin, elke eenvoudige volgbare en begrijpelijke lijn de galante stijl in al zijn fijnheid. Sommigen noemen dit de rococo van de muziek al is de muziek gelukkig minder overladen met allerhande versieringen en ornamenten.

Op deze cd hoor je Jan de Winne en Wim Vandenbossche (traverso), Marcel Ponseele (artistiek leider van Il Gardelino en barokhobo), Ryo Terakado (barokviool), François Fernandez (barokviool en altviool), Philippe Pierlot (viola da gamba), Roel Dieltiens en Thomas Fritzsch (cello) en Shalev Ad-El (klavecimbel). Het gezelschap musiceert vlot, ontspannen, zonder enige pretentie, rijk fraserend, in- en uitademend, met sterke interactie en brede dialogen. Er heerst een grote harmonie onder de verschillende instrumenten wat meer volheid schenkt aan de muziek en tegelijk een innemende rust over de luisteraar laat komen.

Zo een heruitgave, gerealiseerd bij Accent, mag een keer bekroond worden en wel met een nominatie Gouden Label.

*** Weltliche Kantaten van Johann Christoph Friedrich Bach

Broer Carl Philipp Emanuel van de zoon van J.S. wordt in 2014 herdacht voor zijn 300ste geboortedag. Hij verwierf veel meer bekendheid in zijn leven dan bijvoorbeeld zijn vader en zijn broer Johann Christoph Friedrich. Goed dat Cappricio JCF even uit de schaduw haalt van CPE ook al is de cd dan een heruitgave. Omdat er net zoals met het werk van Janitsch te weinig van opgenomen wordt?

Hermann Max dirigeert Das Kleine Konzert met als solisten Barbara Schlick en Harry van der Kamp. Deze laatste ontgoochelt toch wel in deze opname. Soms horen we hem aan de rand van de toonzuiverheid en ook zijn interpretatie mag voller en meer Duits belevend zijn, minder technisch dus. De cantate voor bas en orkest ‘Pymalion’ blijft door zijn zang teveel op de vlakte ondanks het orkest meer kleur invult.

In Die Amerikanerin is sopraan Barbara Schlick, die een rijke carrière opbouwde als specialiste ‘oude’ muziek, overtuigender. Ze legt meer gevoel in een verder braaf werk. De Amerikaanse dominantie die we vandaag kennen, was in JCF Bachs tijd (gelukkig) nog niet zo alles overdonderend al was dat verre Amerika in elk geval inspirerend. In Ino, eveneens een cantate voor sopraan en orkest, leeft Schlick zich het best uit. Echt grote werken zijn het niet, wel een fijn overzicht van muziek van iemand die telg was van een groot componistengeslacht.

**** Missa Paschalis & Litaniae Omninum Sanctorum van Jan Dismas Zelenka

Het Ensemble Inégal en de Prague Baroque Soloists, onder leiding van Adam Viktoria, werken al langer aan de opname van de werken van Jan Dismas Zelenka. De cd die nu voor ons ligt, doet ons kennis maken met Zelenka’s Missa Paschalis en de Litaniae Omnium Sanctorum.

Voor deze religieuze muziek werd beroep gedaan op de solisten Gabriela Eibenová (sopraan), Terry Wey (contratenor), Cyril Auvity (tenor) en Marián Krejčik (bas).

Net zoals Janitsch was hij contrabassist. Dat hij meer dan de moeite loonde als musicus, bewijzen de uitspraken van Johann Sebastian Bach, die Zelenka goed kende en hem hoog inschatte. Als we luisteren naar de beide werken op deze cd kunnen we Bach wel volgen al hebben we de indruk dat hij zijn vriend mogelijk omwille van de vriendschap op een iets hoger trapje plaatste.

Wie Zelenka doodeerlijk wil horen, luistert best naar de cd’s in deze reeks. Mooi in alle kleuren, een warm getinte orkestratie en ingetogen zang die nooit overdreven solistisch noch persoonlijk wordt. Deze latere barokmuziek van iemand die Bach zo goed kende verwijst niet naar hij die tot de absolute top behoort, maar blijft zichzelf en zo komen zowel de mis als de litanie over. Dat heet inleving en zeg ook maar overgave die de luisteraar meesleept in wat er te vertellen valt. Een muzikaal verhaal van een regio die na de 30-jarige oorlog heropgebouwd was en nog ver weg stond van de gewelddadige verstoringen van de 20ste eeuw. Mogen we hopen dat de harmonie die deze muziek in zich draagt, en die er vandaag relatief heerst, verder mag uitgedragen worden en inspireren.

*** Devil’s Trill: de virtuoze Italiaanse viool uit de 18de eeuw

Violist Enrico Onofri stuurt het Imaginarium Ensemble dat in variabele samenstelling optreedt. Voor deze opname houdt men het bij een trio met Onofri zelf als violist, Alessandro Palmeri aan de cello en als klavecinist horen we Riccardo Doni achter het klavier van een kopie van een anoniem Italiaans instrument, gebouwd rond 1670.

Het eerste werk op de cd, een sonate voor  viool en continuo van Giuseppe Tartini (1692-1770) is mogelijk wel erg violistisch, maar het vertelt een klein verhaal, als er al een verhaal in zit. Het is aan de uitvoerende musici er meer uit te halen dan er in zit. Dit gebeurt niet echt. Men vertelt wat er niet te vertellen valt en zo is de luisteraar snel vergeten wat hij hoort. Men omschrijft de cd als ‘Devil’s Trill’ omwille van de ‘duivelstrilling-sonate’ van Tartini maar het werk is in de loop der jaren zo ‘bijgecomponeerd’ dat van het origineel niet veel overblijft. Daarom misschien dat het niet veel vertelt?

De sonate VIII voor viool en cello van Francesco Maria Veracini (1690-1768) heeft meer te bieden. Er is dialoog tussen de instrumenten enerzijds, maar ook het leidende instrument, de viool, heeft een partituur die vol verwijzingen zit en woord en wederwoord pleegt. De cadens, gecomponeerd door Onofri, valt wat tegen, jammer en het is eigenlijk typisch. Zelden hoor je goede cadensen van solisten. Daar moeten ze immers even componist en/of improvisator zijn en dat is niet gelijk aan het inlevend en technisch perfect vertolken.

In gelijke zin luisteren we naar een sonate van Giovanni Mossi (1680-1742), een tweede sonate van Veracini en de vierde inventie van Francesco Antonio Bonporti (1672-1749). Het zijn werken in de rij van zoveel, soms heel mooie volzinnen, dan weer doorgecomponeerd zonder veel diepgang. De viool komt wel goed naar voor en je kan raden dat de vier componisten die aan bod komen, het instrument met de ogen dicht konden uit elkaar halen en terug monteren, als we het zo even mogen stellen. En toch is er geen overdreven virtuositeit, men blijft binnen de lijntjes van het aanvaardbare. Mocht de opname minder technisch uitgezuiverd zijn – er is amper nog iets te horen van het uitklinken van de instrumenten – dan gaven we een ster meer. Los van deze opmerking: een cd die je kan verpozen tijdens het lezen, strijken, koken of gewoon lekker lui in de zetel weggezakt zitten.