Nominatie Gouden Label – Laten we er geen doekjes om doen. Als op deze cd vijf namen zouden prijken met internationale faam… zouden we van onze stoel vallen bij het horen van zo veel moois. Welnu, dit zijn vijf musici van eigen bodem – gepokt en gemazeld aan de conservatoria van Antwerpen en Gent en ex-studenten van briljante pedagogen in binnen- en buitenland. En jawel, van bij de aanhef – intro door de piano, onmiddellijk gevolgd door de respons van de hobo, de klarinet en daarna de fagot – voel je het aan: dit is topklasse.

Nominatie Gouden Label – Laten we er geen doekjes om doen. Als op deze cd vijf namen zouden prijken met internationale faam… zouden we van onze stoel vallen bij het horen van zo veel moois. Welnu, dit zijn vijf musici van eigen bodem – gepokt en gemazeld aan de conservatoria van Antwerpen en Gent en ex-studenten van briljante pedagogen in binnen- en buitenland. En jawel, van bij de aanhef – intro door de piano, onmiddellijk gevolgd door de respons van de hobo, de klarinet en daarna de fagot – voel je het aan: dit is topklasse.

Niet grijsgedraaid

Bijkomende troef van deze productie is het feit dat men geen ‘makkelijk’ succes gezocht heeft met een zoveelste versie van het ‘grijsgedraaide’ repertoire.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) is natuurlijk een van de iconen in de muziekgeschiedenis, maar de muziek die je hier te horen krijgt, is niet iets dat je zelf in de badkamer zingt of godbetert door de luidsprekers in elke supermarkt hoort schallen.

Maar eerst worden we vergast op een kwintet voor blazers en piano van Fritz Spindler (1817-1903). In functie van zijn activiteit als leraar schreef de Duitse pianist, componist en docent Fritz Spindler veel pedagogisch pianowerk, heel wat kamermuziek en een paar puike operatranscripties. Niet zonder succes overigens, vanwege het toen populaire Duitse idioom. De man is echter compleet in de vergetelheid geraakt. Ten onrechte, want zijn muziek klinkt nog steeds verrassend fris.

Het Kwintet in F (opus 360) voor piano en blazers begint, zoals hierboven vermeld, met een ontroerende langzame expositie met (in hetzelfde deel) een uitwerking die Lebhaft und Munter is tot in de kleinste uithoeken.

Deel twee is Leidenschaftlich und frei im Vortrage. Hartstochtelijk is inderdaad deze solopassage voor piano, waarin Lies Colman zich voluit kan ‘geven’. Dit duurt maar twee minuten, maar is een en al passie, niet alleen een expressie van hartstocht maar ook van een metafysisch lijden. Prachtig. In feite een pakkende prelude voor het Sehr getragen und langsam derde deel waarin de hoorn in de eerste plaats de toon zet. Zeer boeiend ook hoe de overige instrumenten (klarinet, fagot, hobo) op een bedje van piano de prachtigste akkoorden laten horen.

Mässig bewegt, doch frisch – laat zich raden – is een vrolijke, als het ware humoristische conclusie waar de Freude ans Spielen vanaf druipt. Maar Spindler heeft een en ander in zijn mars want dit is na het eerste deel (11’) een afsluiter die ons 7’55” op het puntje van onze stoel houdt. Dit is nota bene een wereldpremière van dit werk op cd.

Jonge Beethoven

Nog sterk onder de invloed van Mozart schreef een nog jonge Ludwig van Beethoven – hij was toen 26 – zijn Kwintet  in Es (opus 16) voor piano en blazers. Een werk van pakweg 25 minuten waar vooral in de doorwerking van de ‘klassieke’ thema’s een nieuwe pianostijl te horen is. Het bijna heroïsche hierin wijst op een snel groeiende maturiteit van de componist. De latere herwerking tot Pianokwartet, met strijkers (opus 16/bis) mist de warmte van de blazers. Weet je wel: muziek uit de buik… met veel meer organen aan het werk dan bij het aanslaan van een pianotoets…

Van bij het begin “Grave-allegro ma non troppo” is het je reinste Beethoven. Maar de subliemste klanken en wonderlijke melodieën, afwisselend solo op elk van de vijf instrumenten of in diafane dialogen, zijn te horen in het Andante cantabile. Beethoven zat zelf aan de piano bij de allereerste uitvoering van dit werk. Een uitstekende gelegenheid om aan het publiek te laten horen wat hij zoal uit een piano kon toveren. Maar ook de blazers zijn hier op hun best.

Verdere details over de manier waarop elk van de solisten briljant bepaalde passages vertolken, zou ons te ver leiden. Eén ding staat vast: kippenvel galore.

In cauda

Dit keer geen venenum est. Het Rondo a capriccioso in G (opus 129) voor piano solo. Beethoven schreef het tussen 1795 en 1798 maar werkte het niet af. Vermoedelijk heeft Diabelli het vervolledigd en postuum uitgegeven – vandaar het late opusnummer. Beethoven noemde het “Rondo alla ingharese”, wellicht een samentrekking van ongarese (Hongaars) en zingharese (in de stijl van zigeunermuziek). Voor Anton Schindler, vriend van Beethoven, was het “Die Wut über den verlorenen Groschen, ausgetobt in einer Caprice” (waarin austobben staat voor uitrazen). Veel woede vinden we er niet in. Wel een nog relatief jonge Beethoven die het, allicht in een vlaag van colère, in de hoek kieperde. Hij was toen druk bezig met o.a. zijn eerste pianoconcerto’s, zijn eerste pianosonates en zo veel meer. Het is wel degelijk capricieus en (bij Beethoven) zeker niet van de poes. Lees: virtuoze pianistiek.

Opdracht

De cd is opgedragen aan Sir Walter Boeykens, mentor, vriend en vader. Iets waarbij ik me in naam van Klassiek Centraal en in naam van de luisteraars graag bij aansluit.