***** In zijn recentste opname voor Harmonia Mundi grijpt de Britse pianist Paul Lewis (°1972) terug naar de componist waarmee hij precies tien jaar geleden voor de Franse platenfirma een opgemerkt debuut maakte: Franz Schubert (1797-1828).

***** Zijn integrale van diens tweeëndertig pianosonates werd met veel lofuitingen overladen en leverde hem een benijdenswaardige plaats op temidden van de allergrootste Beethoven-interpreten. In zijn recentste opname voor Harmonia Mundi grijpt de Britse pianist Paul Lewis (°1972) weliswaar terug naar de componist waarmee hij precies tien jaar geleden voor de Franse platenfirma een opgemerkt debuut maakte: Franz Schubert (1797-1828). Het resultaat getuigt eens te meer van een diepgaande muzikaliteit, gekoppeld aan een verfijnd gevoel voor timing en een opzienbarend oog voor detail.

Deze nieuwe dubbelcd, opgenomen in de Teldex Studio in Berlijn in de maanden maart en juli 2011, betekent voor Paul Lewis het startschot van een verdere exploratie van Schuberts oeuvre voor piano solo. De laatste drie pianosonates van het Wonder van Wenen (D958-960), die volgens Robert Schumann “de diepste roerselen van de menselijke ziel blootleggen” en die een mijlpaal zijn geworden in de pianoliteratuur, werden samen met de driedelige sonate in a (D784) in het  verleden reeds succesvol op plaat gezet. En nu wordt de draad van deze Schubertcyclus terug opgepikt. Het is een zeer genereus vervolg geworden, want naast de pianosonates in C (D840), D (D850) en G (D894) wordt de luisteraar ook getrakteerd op een lezing van de eerste reeks van vier Impromptus (D899) en de Drei Klavierstücke (D946). 

Lange tijd kende de pianomuziek van Schubert een slapend bestaan als ware het een goed verborgen schat op de bodem van de muziekgeschiedenis. In tegenstelling tot wonderboy Wolfgang en meester-improvisator Ludwig blonk Franz allerminst uit aan het klavier. Aan een pianoconcerto, nochtans iets wat in zijn tijd voor een componist eerder regel dan uitzondering was, heeft hij zich nooit gewaagd en virtuoze werken zijn schaars in zijn niettemin omvangrijke output voor dit instrument. Tegelijk was de Oostenrijkse toondichter zich goed bewust dat hij zijn eigen pianistische mogelijkheden niet als maatstaf mocht nemen voor zijn composities. En toch werd zijn pianomuziek lange tijd niet serieus genomen, ja zelfs verwaarloosd. Een even opmerkelijke als onbegrijpelijke onverschilligheid die we vandaag, met dank aan pianisten zoals Artur Schnabel (1882-1951), Wilhelm Kempff (1895-1991) en Alfred Brendel (°1931), gelukkig tot het verleden mogen rekenen.     

Persoonlijke stempel

Als oud-leerling van Brendel is het geen verrassing dat ook Paul Lewis zich ontpopt als een vurig pleitbezorger van Schuberts muziek, en net als zijn leermeester een persoonlijke stempel drukt op diens pianostukken. In navolging van zijn spraakmakende Beethovenopnames heeft Lewis ook nu weer heel wat te vertellen. Op de eerste cd prijken de pianosonate in D (1825), een van de meest bruisende en extraverte in het repertoire van de Liederkönig, en de sonate in G (1826), getiteld “Fantaisie”. De flamboyante Brit weet wel raad met het stormachtige karakter van het opvallend snelle openingsdeel. Aan zijn fabelachtige techniek voegt hij een grote dosis energie toe die noodzakelijk is om het momentum vast te houden. In het trage deel (con moto) spreekt Lewis dan weer zijn kwaliteiten als liedbegeleider aan om de luisteraar op sleeptouw te nemen. Zijn vertrouwdheid met Schuberts beroemde liedcycli, eveneens bij Harmonia Mundi uitgebracht met de tenor Mark Padmore, helpt hem in het onthullen van het harmonische raffinement dat deze beweging zo grandioos maakt. Met een beheerste plechtstatigheid baant Lewis zich een weg door het scherzo, om vervolgens in de lieflijke finale met enige aarzeling de moeilijke  balans te vinden tussen gefingeerde mijmering en naïeve frivoliteit.   

De uitgebreide “Fantaisie”-sonate is in meerdere opzichten een voorafspiegeling van de meesterlijke pianomonologen uit Schuberts laatste levensmaanden. Allesbehalve een makkelijk tussendoortje dus. “Dit is moeilijk. Veel moeilijker dan het bij het doorbladeren lijkt”, merkte een recensent van de Allgemeine Musikalische Zeitung in 1827 reeds op. “Het is de concentratie die nodig is om de diverse stemmen te onderscheiden, om de thematiek of toespelingen daarop naar voor te halen. Dát is het, wat het moeilijk maakt […]”. Het is intrigerend te aanhoren hoe Lewis de karakteristieke sereniteit van deze sonate, en het molto moderato e cantabile in het bijzonder, op een haast instinctieve wijze benaderd, zonder daarbij op enig moment de indruk te wekken dat niet elke frase of elk akkoord grondig overdacht is. Imponerend is dan weer de meeslepende tegenstelling tussen lyriek en ingehouden intensiteit in de beide secties van het andante. En ook in het menuetto bespeelt Lewis deze uiteenlopende registers. De Engelsman gaat hier zelfs nog een stap verder en voegt een bijkomende scheut temperament toe. Een verleidelijke finesse en natuurlijke zin voor poëzie bekronen dit pareltje in het slotdeel.     

Ingetogen geestdrift

De intuïtieve aanpak van Paul Lewis is wars van elke vorm van misplaatste sentimentaliteit, maar daarom niet minder geaffecteerd. De onvoltooide sonate in C (1825), bij publicatie in 1861 “Reliquie” gedoopt in de verkeerde veronderstelling dat dit Schuberts laatste sonate was, is in dit opzicht exemplarisch. De ingetogen geestdrift waarmee Lewis de twee afgeronde delen met hun orkestrale dimensies, door de reeds vernoemde Kempff ooit vergeleken met de Kolossen van Memnon (twee enorme standbeelden van farao Amenhotep III nabij Luxor), aan de luisteraar presenteert, is kenschetsend voor de hele opname. Hij weet op die manier het contemplatieve karakter van dit mystieke werk treffend te vatten. Hoe de boude stemmingswisselingen op een zeer gevarieerde manier worden ingekleurd – eerst dramatisch, dan weer onstuimig of verheven van toon – is ronduit indrukwekkend. Een muzikaal verhaal dat, hoewel onaf, nog lang blijft nazinderen. 

 

De “Reliquie”-sonate wordt ingekapseld door de Impromptus (1827) en de Drei Klavierstücke (1828). Ook al zijn de opnames van deze werken legio, toch laat Lewis op velerlei vlakken een interessante wind door de composities waaien. De tempi, een even delicaat als richtinggevend onderdeel in elke interpretatie, zijn spot-on. Molto moderato, mosso, assai: het zijn stuk voor stuk subtiele nuances die bij Lewis hoorbaar uit de verf komen en waarmee hij deze voorlopers van het romantische karakterstuk hun zeggingskracht teruggeeft. Sommigen zullen ongetwijfeld een meer gepolijste – lees: rubato-arme – lezing verkiezen, maar de panache waarmee deze Liverpudlian de contouren van Schuberts muziek aftast, levert niet alleen een beeldrijke, maar ook een spannende luisterervaring op. Zowel articulatie als timing in het eerste Klavierstück  verhogen de intensiteit en de contrasten. Details worden zorgvuldig uitgelicht, zoals in het daaropvolgende allegretto, zonder dat het geheel aan expressiviteit en spankracht inboet. En in de laatste eenakter (allegro) roept Lewis temidden van de exuberante sfeer een trio op dat schittert door de vele dynamische accentverschuivingen.

“Wie mijn muziek niet kan spelen, moet er maar afblijven”, zou een kolerieke Schubert één van zijn uitgevers ooit hebben toegesnauwd. Het tegendeel geldt voor Paul Lewis. Doordat hij zoveel meer dan alleen maar noten evoceert, en tracht om ook het wezen van Schubert te vatten, kan men alleen maar gewag maken van een geslaagd muzikaal huwelijk dat hopelijk nog enkele nakomelingen mag voortbrengen.