Tijdens een lezing in februari 1948 aan het Vassar College, New York State, vertelde John Cage aan de studenten, dat een ogenschijnlijk onopvallende opmerking van de dichter Edwin Denby (1903-1983),  hem  twee jaar geleden aanzette tot het componeren van  korte “Sonatas and Interludes”. 

Tijdens een lezing in februari 1948 aan het Vassar College, New York State, vertelde John Cage aan de studenten, dat een ogenschijnlijk onopvallende opmerking van de dichter Edwin Denby (1903-1983),  hem  twee jaar geleden aanzette tot het componeren van  korte “Sonatas and Interludes”. De opmerking hield nl. in dat korte stukken even veel in zich kunnen hebben als lange. Een maand na de lezing voltooide Cage er twintig. Zestien sonaten en vier interluden.

Een stukje persoonlijke voorgeschiedenis

We schrijven 1976-1977. Mijn voorkeur gaat uit naar Kagel, Nono, Berio, Maderna, Xenakis e.a.  Jean-Yves Bosseur (°1947), leerling van Henri Pousseur en van Karlheinz Stockhausen, Michel Chion (°1947), componist van musique concrète en Marc Vignal (°1933), radioproducer van France Musique, programmadirecteur van Radio France en recensent van “Harmonie” en later van “Le Monde de la Musique”, brengen mij met hun teksten in contact met de muziek en vooral met het denken van John Cage. Ik ben 15-16 jaar en de professionele muziekwereld verwart mijn naam met die van Henri Dutilleux.

De cd

Ik had kunnen wachten tot 15 september, maar gezien het tempo waaraan het aantal prachtige cd’s  verschijnt, ben ik er als de kippen bij, om u deze nieuwe Cage-CD voor te stellen. Op die datum werd Cage in 1912 geboren. 2012 is het Cage-jaar, Cage’s centennial. Voor die gelegenheid heeft de Frans/Zwitserse pianist Cédric Pescia, zijn sonaten en interluden opgenomen. Vergis u niet, die twintig stukken zijn tussen 1950 en 2012, reeds 31 keer opgenomen!

Pianist Joshua Pierce heeft ze  tussen 1975 en 2000 zelfs vier keer opgenomen en de Japanse pianist Yui Takahashi (°1938) twee keer (in 1965 en 1975). Tussen haakjes, Yui Takahashi was naast pianisten als David Tudor, de broers Kontarsky, Claude Helffer, Roger Woodward, Paul Jacobs en Frederic Rzewski, één van de eersten die, zo ongeveer vanaf 1960, de toenmalige avantgarde-muziek op hun concerten speelden en opnamen. Herinner U hierbij o.a. het belang van het label Wergo.

De pianist

Cédric Pescia (°1976) studeerde eerst aan het Conservatoire de musique van Lausanne waar hij in 1993 zijn Premier Prix de Virtuosité won. Daarna werd hij leerling aan het Conservatoire de musique van Genève waar hij in 1997 zijn Premier Prix de Virtuosité behaalde. Daarna ging Cédric naar Klaus Hellwig aan de Universität der Künste in Berlijn. Hellwig was ook de leraar van Severin von Eckardsteinn (Koningin Elisabethwedstrijd, 2003). Daarna trok Pescia naar Leon Fleisher, Andreas Staier e.a. aan de Internationale  Piano Academie aan het  Como-meer en perfectioneerde hij zich bij Pierre-Laurent Aimard, Daniel Barenboim en Christian Zacharias. Hij werd de begeleider op de meestercursussen van Dietrich Fischer-Diskau en behaalde in 2002  Goud op de Gina Bachauer International Artists Piano Competition in het betoverende Salt Lake City in Utah. Gina Bachauer (1913-1976) was een beroemde Grieks-joodse pianiste die nog les had gekregen van Rachmaninov. Cédric vormt een duo met de violiste Nurit Stark en geeft meesterklassen aan de Accademia Pianistica Internazionale "Incontri col Maestro" in de Italiaanse  Ferrari-Formule 1-stad Imola.

Cédric Pescia heeft drie jaar lang de Sonaten & Interluden van Cage op diverse soorten vleugels tijdens concerten gespeeld. Daardoor heeft hij in oktober 2011 de opname snel, quasi live, kunnen realiseren. Cédric koos voor het Steinway B model. Het oorspronkelijk, kleinere Steinway O model dat Cage voor zijn sonaten en interluden heeft geprepareerd, wordt niet meer gemaakt.

Wat weet u best vooraleer u de cd beluistert?

Sta mij toe dat ik ervan uitga dat de sonore wereld van John Cage u niet zo bekend is. Daarom toch eerst een korte kennismaking. John Cage (1912-1992) werd geboren in Los Angeles, California. Hij werd leerling/Valedictorian van de Los Angeles High School (Dustin Hoffman trouwens ook) en aan het prestigieuze nogal elitaire Pomona College in het mooie Claremont. In 1931 ging hij in het zonovergoten Santa Monica les volgen bij de pianist Richard Buhlig (1880-1952). Daar raakte hij bevriend met de legendarische Duits-joods-Amerikaanse kunstpausin Galka (“kraai”) Scheyer (eigenl. Emilie Esther Scheyer, 1889-1945). Zij richtte  beginjaren ’20 de groep “The Blue Four” (Die Blaue Vier) op : Lyonel Feininger, Wassily Kandinsky, Paul Klee en Alexej Jawlensky. Cage ging vervolgens naar New York City om er te studeren bij Adolph Weiss (1891-1971) en bij de experimentele modernist Henry Cowell (1897-1965) aan de  New School for Social Research. Daarna volgde Cage op advies van Buhlig, in 1934, les bij Arnold Schoenberg, aan de University of California, Los Angeles (USC en UCLA). Ook Weiss had gestudeerd bij Schoenberg en  vader Weiss had zelfs gestudeerd bij Busoni.

In 1938 verhuisde Cage naar Seattle, Washington en werkte er als dance composer en begeleider aan de  Cornish School of the Arts. Daar ontmoette hij de schilder Mark Tobey en de choreograaf en danser Merce Cunningham. Cage ging zich voor zijn nieuwe klankvoorstelling focussen op dans en het fenomeen “tijd” werd een “primary source of musical structure”. Dit resulteerde in het gebruik van slagwerk tijdens happenings, maar  niet in traditionele zin. In First Construction (in Metal) (1939) en in Imaginary Landscape No. 1 (1939) gebruikte hij “all kinds of objects,  from tin cans and brake drums, to Asian instruments”. Ook gebruikte hij electrische toestellen zoals variable-speed turntables (platendraaiers).

Cage’s experimentele percussie ensemble, “junk percussion ensemble”, toerde door de West Coast en werkte samen met het ensemble van componist Lou Harrison (1917-2003) in San Francisco. In 1941 verhuisde Cage naar Chicago, Illinois, om er op uitnodiging van László Moholy-Nagy, les te geven aan de School of Design. Een jaar later vestigde hij zich in New York City en raakte er bevriend met Max Ernst, Peggy Guggenheim, Piet Mondriaan, André Breton, Jackson Pollock en Marcel Duchamp. Zijn ideeën rond “prepared piano” en zijn toenemende interesse in Indische muziek en oosterse filosofie, resulteerden  in zijn Sonatas and Interludes (1946-1948). Met deze compositie won Cage onderscheidingen van de Guggenheim Foundation en van de  National Academy of Arts and Letters. In ’48 componeerde hij ook zijn “Suite for Toy-piano”, zijn Hulde aan het speelgoedpianootje dat hij als kind had gekregen.

In 1949 kon Cage een jaar rondreizen in Europa. In Parijs had hij contact met o.a. Messiaen en de jonge Boulez, en frequenteerde hij het milieu rond de kunstgalerij van Suzanne Tézenas, waar Cioran, Michaux en Nicholas de Stäel, kind aan huis waren. Terug in New York vormde hij met Morton Feldman, Earle Brown en Christian Wolff, de  “New York School of composers”, het muzikaal equivalent van de abstract expressionistische “First Generation American painting” met Jackson Pollock, Willem de Kooning en Marc Rothko. Marcel Duchamp en André Mson lieten in New York hun invloed gelden en de reactie daarop kwam uit de hoek van Pop art met Jasper Johns, Robert Rauschenberg,  Larry Rivers, Andy Warhol, George Segal, Roy Lichtenstein, Jim Dine, Claes Oldenburg, Tom Wesselmann en James Rosenquist. Cage kwam in contact met Christian Wolff (°1934) door toedoen van de pianiste Grete Sultan (1906-2005), en Wolff, die de zoon was van de belangrijke Joods-Duitse geëmigreerde uitgever  Kurt Wolff (1887-1963) uit Bonn, bracht Cage in contact met de I Ching. “Stilte” (cfr. Rauschenbergs “white paintings”) begon een belangrijke rol te spelen in zijn muziek en Cage raakte meer en meer geïnteresseerd in Zenboeddhisme en in Chinese en Indische cultuur. Door het bijwonen eind jaren ’40, begin jaren ’50, van de lezingen door de Japanse auteur Daisetz Teitaro Suzuki (1870-1966), kwam Cage in de ban van het  Mahayana-boeddhisme (Chan, bij ons bekend als Zen), het Amitābha-boeddhisme  en Shin (Jōdo Shinshū of Zuiver Land-boeddhisme). Cage werd ook mycologist, een kenner van schimmels en zwammen.  

"In the late forties I found out by experiment… that silence is not acoustic. It is a change of mind, a turning around. I devoted my music to it. My work became an exploration of non-intention. To carry it out faithfully I have developed a complicated composing means using I Ching chance operations, making my responsibility that of asking questions instead of making choices."

De  Rorschachtest inspireerde hem tussen 1952 en 1956, bij het ontwerpen van “space-notation” in zijn reeks indeterminate musical compositions, “Music for Piano”. De Rorschachtest uit 1921 is gebaseerd op onze  neiging, interpretaties en gevoelens te projecteren op inktvlekken (Tintenklecks). Die interpretaties zouden onze diepere karaktertrekken en impulsen onthullen. Weet wel vooraleer U  aan “Music for Piano” begint, dat er 85 verschillende space-notations, methoden van notatie dus, gebruikt zijn. Neem dus uw tijd. Studenten van zijn Experimental Composition classes aan de New School in New York, lagen eind jaren ’50 aan de basis van de conceptuele Fluxus-beweging (Dripp-music, performance art, happenings, collage, Mail-Art, en visual en concrete poetry). Eén van hen heette Ichiyanagi Toshi. Die had een vriendin die hij introduceerde in de wereld van avant-garde en neo-dadïsme van Cage. Die vriendin was een Japanse en heette Yoko Ono. Tijdens een bezoek aan Londen in functie van het boek “Notations” van Cage, ontmoette ze in een kunstgalerij  John Lennon. Geïnspireerd door  Feldman en de I Ching, (zijn geliefd “ancient Chinese coin-tossing oracle”), ontwikkelde Cage Extended techniques, d.i. het ongebruikelijk behandelen, (non-standard use), van muziekinstrumenten. Hij  begon “chance operations” toe te passen, om plaats te maken voor "whatever sound came along" en maakte zodoende, indeterminate compositions (d.m.v chance operations). Vliegenscheten op een vel muziekpapier, of het tegelijk laten klinken van radiozenders op willekeurige golflengtes. De muzikale Aleatoriek, d.i. het gebruik van toeval en onberekenbare factoren, vergelijk het met action painting en Pollocks “dripping”, was geboren.

“Certainly I intended to continue working by consulting the I Ching as usual. But I also wanted to have a very rapid manner of writing a piece of music. Painters, for example, work slowly with oil and rapidly with water colors. I looked at my paper, and I found my "water colors": suddenly I saw that the music, all the music, was already there.”

De verklanking van het in evenwicht brengen van tegenstellingen, de evolutie van gebeurtenissen als een proces en de acceptatie van het onvermijdelijke, kon beginnen. Cage bedacht “Music of Changes” (1951) en 4'33" stilte (1952), letterlijk. In zijn Concert for Piano and Orchestra (1957-1958) en in Variations II (1961) experimenteerde hij met de  toepassing  van indeterminacy, chance en  ambiguous systems of graphic notation.

Begin jaren ’60 was Cage een beroemdheid. Hij schreef Silence: Lectures and Writings (1961), het multimediale orkestwerk Renga (1975-1976), het radiospel Roaratorio, liet zich inspireren door “Finnegans wake”, en componeerde zijn vijf Europeras (1987-1991). In “Two” (1987), maakte hij een patchwork van muziekfragmenten ('number' of 'time bracket' pieces) en bleef die techniek trouw in niet minder dan 43 composities voor de rest van zijn leven. Wil u eventueel meer weten over Cage verwijs ik naar de boeken van o.a. James Pritchett, David Nicholls en Richard Kostelanetz.

De compositie

De Sonatas and Interludes  werden tussen februari 1946 en maart 1948 gecomponeerd in zijn nieuw appartement aan East River, Lower Manhattan, met zicht op de rivier en de lucht. Cage had zijn vrouw, de mooie Russische schilderes  Xenia Kashevaroff (1886-1958) verlaten om  een homosexueel koppel te vormen met de danser Murce Cunningham (1919-2009). Gita Sarabhai bracht hem in contact met Indische filosofie en de filosoof Ananda K. Coomaraswamy (1877-1947) leerde hem de Hindoe-Rasa-theorie van permanante emoties, vier witte of heldere en vier zwarte of donkere. Cage componeerde voortaan “ to sober and quiet the mind” om zich zodoende open te stellen voor goddelijke invloeden. Hij zocht een totaal nieuwe weg. Cage was daar blijkbaar toe voorbestemd want Schoenberg had hem reeds duidelijk gemaakt dat hij eigenlijk geen componist was, maar een uitvinder, een “inventor of genius”. Vader John Milton Cage was dat trouwens ook. De piano werd een huiselijk slagwerkensemble, a domestic percussion orchestra. Door Schoenbergs invloed kwam niet Harmonie, maar wel Timbre centraal te staan. Volgens Cage had Schoenberg van zichzelf gezegd dat “he had no ear for harmony”. Cage dus ook niet. Het oude en het nieuwe werden à la Scarlatti, verenigd in eenvoudige, pre-klassieke, binaire structuren. Soort van nieuwe partita’s. Dit verklaart de vorm van de meeste sonaten (AABB). Alleen de sonaten IX-XI kregen een drieledige structuur, prelude, interlude  en postlude. Cage beoogde voortaan d.m.v. de “gamut” techniek of kleurengamma, quietness, tranquillity en balance te bereiken. Hij verzamelde kleine stukjes hout, katoen, rubber, kurk, metaal en gom, verzamelde dobbers, dopjes of verfrommeld papier en plaatste die tussen en op de snaren van de vleugelpiano. Zodoende werd de piano als het ware geprepareerd en ontstond zijn uitvinding, “the prepared piano”.

Geïnspireerd door de “extended piano techniques” van de Noise music maker Henry Cowell, bedacht Cage de  term “prepared piano” wanneer hij in 1940, “Bacchanale” componeerde voor de Afro-Amerikaanse danseres Sylvia Fort (1917-1975). Zij vroeg om een compositie voor slagwerk maar in haar dansstudio was  geen ruimte  voor  een slagwerkensemble. Er stond wel een piano. Het bewerken van de piano tot slaginstrument was dé oplossing. Cage componeerde op een dergelijke wijze voor piano-solo, voor piano met zang (Duo, She is Asleep), voor piano met  kamerorkest (Pianoconcerto), of voor piano met andere dispositieven zoals een percussietrio  (“Amores” uit 1943). Het sonoor resultaat leek meestal op de klank van Balinese gamelans met een minutieus, afgemeten, harmonische zuurtegraad, met overwicht van het kleine. Weet wanneer u dit alles beluistert, dat de meeste composities voor prepared piano gecomponeerd werden “to accompany dances by dancers”. Dat waren dan oorspronkelijk dansers als Valerie Bettis, Wilson Williams, Pearl Primus en uiteraard Merce Cunningham.

Cage omschreef zijn Sonatas & Interludes als de “expression of  9 Hindu emotions; sonatas in binary AABB”.

De piano werd geprepareerd met schroeven en bouten, vijftien stukjes rubber, vier stukjes plastic, nootjes en een gom. Cage vermeed het gebruik van het laag register van de piano en de 45 snaren werden alle anders geprepareerd. Bepaalde behielden hun oorspronkelijke pianoklank, andere klonken meer als slagwerk en nog andere klonken metaalachtig en ratelend. Het subtiel gebruik van het  linker una corda-pedaal (soft-pedal)  zorgde daarbij voor nog meer sonore variëteit. De 14de en de 15de sonate  kregen de titel Gemini en werden geïnspireerd door het werk van de Amerikaanse beeldhouwer  Richard Lippold (1915-2002). Cage betrachtte een combinatie van elementen uit het Oosten (Hindoe, Coomaraswamy), Zen (Suzuki) en het Westen (Meister Eckhart). "Pieces with bell-like sounds suggest Europe and others with a drum-like resonance suggest the East" (Cage).

De sonaten & interluden werden opgedragen aan de joods-Amerikaans-Armeense pianiste  Maro Ajemian (1921-1978) die ze op 12 en 13 januari 1949 in Carnegie Hall in New York, voor de eerste keer voor het publiek speelde.

Moge deze cd voor u de aanzet zijn tot het meer, veel meer willen weten van deze meer dan opmerkelijke Titaan onder de avant gardisten. Muzikaal avant-gardisme is immers de sleutel tot uw sonoor geluk.