***** Na Dieter Klöcker, Paul Meyer en Paul Campbell is het de beurt aan  klarinettiste Sharon Kam om ons te betoveren met het Klarinetkwintet van Brahms. Het resultaat is een haast onwezenlijke, zelden gehoorde klarinetklank en een samenspel dat u niet voor mogelijk houdt. Subliem in de hoogste mate. Een must!

***** Na Dieter Klöcker, Paul Meyer en Paul Campbell is het de beurt aan  klarinettiste Sharon Kam om ons te betoveren met het Klarinetkwintet van Brahms. Het resultaat is een haast onwezenlijke, zelden gehoorde klarinetklank en een samenspel dat u niet voor mogelijk houdt. Subliem in de hoogste mate. Een must! 

De twee mooiste kamermuziekwerken van de 19de eeuw zijn ongetwijfeld het Strijkkwintet van Schubert en het Klarinetkwintet van Brahms. En sta mij toe dat ik mij beperk tot het klarinetkwintet en de opname van het 2de strijkkwartet ter zijde laat. Na de levendigheid van Mozart kwam het bedachtzaam, melancholisch karakter van Johannes Brahms die net als Mozart een groot liefhebber was van kamermuziek. Brahms keek trouwens graag eens achteruit naar zijn illustere voorgangers. Dat deed hij bvb. ook met Bach en Couperin. Maar voor Mozart koesterde hij een heel grote bewondering. Nu ja, wie niet? Door het Hoforkest in het Duitse Meiningen hoorde hij diens Klarinetconcert met als solist een zekere Richard Mühlfeld. Brahms raakte zo in de ban van de solist dat hij zich onmiddellijk ging verdiepen in het instrument. Op 12 december 1891 – honderd jaar na de première van het Klarinetconcert van Mozart – had de eerste uitvoering plaats van  Brahms' Klarinetkwintet in Berlijn. Vanaf 1891 groeide er tussen Mühlfeld en  Brahms, die sinds 1881 nauw  met de Meininger Hofkapelle samen werkte, een nauwe persoonlijke en muzikale vriendschap. De beide klarinetsonaten op. 120 zouden ze trouwens samen op één jaar tijd wel op twintig verschillende concerten uitvoeren.

Licht in de duisternis

In 1890, Brahms was toen 57, schreef hij aan een vriend: "Es will nichts mehr werden. Ich war stets gewohnt, mir über alles klar zu sein. Mir scheint, es geht nicht mehr so wie bisher. Ich tue gar nichts mehr. Ich war mein Lebtag fleißig, nun will ich einmal recht faul sein." En na de voltooiing van zijn Strijkkwintet op. 111: "Viel zerrissenes Notenpapier habe ich zum Abschied von Ischl in de Traun geworfen."

Ook tijdens zijn vakantieverblijf in het zonnige Ischl met zijn prachtige omgeving lukte het Brahms niet om "über alles klar zu sein." Terug in Wenen voltooide hij nog enige composities die hij enige decennia eerder had geschetst, waaronder de 'Deutsche Volkslieder', de meerstemmige vocale kwartetten op. 112 en de canons voor vrouwenstemmen op.113.

Nog geen jaar later leerde Brahms de klarinettist Richard Mühlfeld kennen. Brahms had Mühlfeld reeds horen spelen wanneer het orkest van Meiningen onder leiding stond van Hans von Bülow. Het was weliswaar de opvolger van von Bülow, Fritz Steinbach, die in maart 1891 de aandacht trok van Brahms op het spel van die uitzonderlijke klarinettist. Brahms was danig enthousiast dat hij in de zomer van dat jaar in Bad Ischl opnieuw in de pen kroop en meteen twee werken schreef voor Mühlfeld, het kwintet en een Trio voor piano, klarinet en cello in la-klein, op. 114. Brahms zou daar in 1894 nog twee klarinetsonaten aan toevoegen. Het kwintet werd in een eerste private uitvoering gespeeld op 24 november 1891 in Meiningen door Richard Mühlfeld en het ensemble (kwartet) van Joseph Joachim. De publieke première was op 12 december 1891 in de Berlijnse Singakademie. Algauw volgden uitvoeringen in Londen en Wenen. Het klarinetspel van Mühlfeld maakte op Brahms  een dusdanig diepe indruk dat hij alle speeltechnische mogelijkheden van het instrument wilde leren kennen. Zo bracht Brahms vele uren bij Mühlfeld thuis door om zoveel mogelijk diens oefeningen op zijn instrument te kunnen volgen. Maar Mühlfeld spoorde hem ook aan om voor de klarinet  te componeren, hetgeen nog in 1891 resulteerde in vier nieuwe hoogtepunten van de klarinetliteratuur: het klarinettrio op. 114, het klarinetkwintet op. 115 en de beide Sonaten op. 120. Dit  waren echter niet alleen de laatste kamermuziekwerken die Brahms componeerde, maar naast de 'Vier ernste Gesänge' op. 121, tevens Brahms' laatste grote composities. De beide klarinetsonaten heeft Brahms in 1894 samen met Mühlfeld voor het eerst uitgevoerd maar ook nadien trad hij nog regelmatig met Mühlfeld op. Het tekent de relatie tussen beiden dat de opbrengst van de gezamenlijke concerten zonder uitzondering naar de klarinettist ging. Brahms wilde er nl. geen cent aan verdienen.  Integendeel, Brahms schonk Mühlfeld een set zilveren theelepels met monogram als blijk van zijn vriendschap.

Klarinettist Mühlfeld

Richard Mühlfeld (1856-1907) werd geboren in Bad Salzungen in Thüringen en was de vierde zoon van de Stadtmusikus Leonhard Mühlfeld. Hij groeide op in een muzikale familie, zijn broer was de hoboïst, violist en altist Wilhelm (1851-1912) die ook dirigeerde en componeerde. Richard leerde al vroeg thuis viool, piano en klarinet spelen. Daarnaast zong hij in het Salzunger Kirchenchor.

Mühlfeld was een autodidact op de klarinet, wat in de negentiende eeuw niet ongewoon was. Samen met zijn broer en vader speelde hij o.l.v. Carl Müllerhartung de Sinfoniekonzerten in Eisenach. In 1869 ging  Mühlfeld bij de „Kapelle des Hessischen Füsilier-Regiment Nr. 80“  en nam zodoende deel aan de Pruisisch-Franse Oorlog van 1870-1871. Tijdens de belegering van Parijs bevond hij zich met zijn koor in de buurt van Versailles en speelde hij herhaaldelijk voor de Pruisische Koning en later keizer Wilhelm. Van 1872 tot 1891 was Mühlfeld lid van de Kurkapelle in Wiesbaden  en speelde hij altviool in een strijkkwartet.

Vanaf 1873 speelde Richard in de Herzoglichen Meininger Hofkapelle, maar eerst als tweede violist. Algauw schakelde hij over op klarinet. Zijn militaire dienst van drie jaar bracht hij door als soloklarinettist in de Regimentskapelle. Richard Mühlfeld speelde met collega’s van de Meiniger Hofkapelle in 1876 de officiële opening van de Bayreuther Festspiele in de “Eröffnungs-Ring” o.l.v. Hans Richter. Vanaf 1884 was hij voor twaalf jaar de eerste klarinettist (Soloklarinettist) in het Bayreuther Festspielorchester, en speelde onder Hermann Levi, Felix Mottl en Richard Strauss.

De compositie en de magistrale uitvoering

De inzet van de klarinet in het eerste deel van het kwintet komt net als bij Mozarts Klarinetkwintet, uit de diepte. Maar daarmee houdt de overeenkomst tussen beide composities wel op. In een eeuw tijd hadden componisten als Weber, Schubert en Berlioz de klarinet omarmd als een lyrisch en expressief instrument. De klarinettist zat op een vaste plek in het orkest naast de andere houtblazers. De klarinet van Brahms klonk niet meer als een nieuw wonder zoals bij Mozart, maar als een gloedvol deel van het muzikaal geheel.

En gloedvol als altijd componeerde Brahms zijn Klarinetkwintet. De klarinet en de vier strijkers zijn in dit kamermuziekwerk allemaal even belangrijk. Net als in het kwintet van Mozart spelen de strijkers het openingsthema. Deze beweging zet de toon van een herfststemming voor de rest van de compositie. Een lijn in de middenepisode, gespeeld door de klarinet, lijkt sterk op het thema uit de eerste beweging van Carl Maria von Webers Klarinetconcerto nr. 1 in fa klein op. 73 uit 1811.

In het tweede deel komt de klarinet het meest als solo-instrument naar voren terwijl de strijkers gedempt begeleiden. Maar hoe! Voor het overige reageren de instrumenten op elkaar in thema's en motieven die in een rustig tempo verlopen. De melodie is een contemplatief liefdeslied gespeeld door de klarinet. Het pianissimo spel van Sharon Kam tart alle verbeelding. Verderop verandert de sfeer opnieuw in de schaduwrijke sfeer van de eerste beweging. Dit adagio heeft een drieledige liedvorm. Het hoofdthema wordt dolce gespeeld door de klarinet. In de middenepisode (pui lento in si-klein) speelt de klarinet in een ander register opeenvolgende melodische en recitativische motieven, gracieus en lyrisch boven een tremolo van de strijkers. De muziek met zigeunerkarakter laat de solist toe zich rapsodisch te profileren. Vervolgens dialogeert de klarinet met de eerste viool  waarna de coda dit uiterst subtiele en intieme adagio besluit.

Het  kort Andantino (nauwelijks vier minuten) is één van de zeldzame verheffende momenten in de compositie. Op een bepaald ogenblik spelen de klarinet en de viool alsof ze met elkaar converseren. Brahms moduleert van zijn hartverwarmende re groot toonaard naar de donkere kleuren van si klein. Het andantino is feitelijk een melancholische inleiding tot een opgewekt ‘presto non assai, ma con sentimento’. Het zacht thema gespeeld door de klarinet wordt in het presto vrij verwerkt in de geest van een gevarieerd scherzo. Heel precies kiest Brahms ook in het derde deel de passages uit waarin hij de klankkleur van de klarinet met zijn verschillende registers tot zijn recht laat komen. Nooit brutaal, nooit overdreven, maar steeds met smaak en uitermate stijlvol gespeeld door de vier strijkers en de klarinet.

 

De vierde en  laatste beweging bestaat uit een thema met variaties, zoals in het klarinetkwintet van Mozart en  Brahms’ tweede klarinetsonate (andante con moto). Hier verschijnt opnieuw een zoete melodie vergelijkbaar met de zachte tweede beweging. Brahms zet de finale van zijn kwintet in met een sfeervol thema. Alle instrumenten zijn in fraaie melodiefragmenten en akkoorden verenigd. In de variaties die daarna komen, geeft de componist zijn instrumentalisten de kans om het thema te variëren en te omspelen. En de wijze waarop het Jerusalem kwartet dat doet is haast onevenaarbaar. Het kwintet met zijn droefgeestige sfeer licht op en wordt zelfs vrolijk. Even lijkt het zelfs of Mozart om de hoek komt kijken. Maar neen. Brahms herhaalt het beginthema van zijn eerste beweging en brengt daarmee zijn kwintet terug naar de melancholische  stemming. Het kwintet eindigt met de terugkeer van het Allegro en eindigt met een aanvankelijk sterk akkoord dat vervolgens wegsterft en…de eeuwigheid ingaat. Alweer een hoogtepunt in de catalogus van het label Harmonia Mundi. Bravo!