Belangrijk nieuws  voor liefhebbers van avant-garde. Na de CD-opnamen van composities voor cello van Jonathan Harvey (° 1939, zelf cellist), van Giacinto Scelsi (1905-1988), van Morton Feldman (1926-1987), ("indeterminacy of composition" en "indeterminacy of performance", de lijn Ives-Cage-New York School, weet U nog?) en  van Phil Niblock (° 1933, de Gentenaars onder U zullen hem kennen), heeft cellist Arne Deforce voor het Franse label “aeon” zijn keuze laten vallen op het integrale werk voor cello (al dan niet solo) van Iannis Xenakis (1922-2001).

Belangrijk nieuws  voor liefhebbers van avant-garde. Na de CD-opnamen van composities voor cello van Jonathan Harvey (° 1939, zelf cellist), van Giacinto Scelsi (1905-1988), van Morton Feldman (1926-1987), ("indeterminacy of composition" en "indeterminacy of performance", de lijn Ives-Cage-New York School, weet U nog?) en  van Phil Niblock (° 1933, de Gentenaars onder U zullen hem kennen), heeft cellist Arne Deforce voor het Franse label “aeon” zijn keuze laten vallen op het integrale werk voor cello (al dan niet solo) van Iannis Xenakis (1922-2001). Samen met vier andere solisten en het Keulse Ensemble musikFabrik voor de gelegenheid o.l.v. James Wood (° 1953) van het Centre for Microtonal Music en bekend van het  Festival of Microtonal Music in het Barbican Centre in Londen,  ontdekken we acht werken, gecomponeerd tussen 1951 en 1996,  van de Grieks-Roemeense  componist,  architect en wiskundige die tien jaar geleden in Parijs overleed. Weet vooraleer U verder leest, voor  alle duidelijkheid, dat ikzelf in 1975 als 14-jarige, mijn studie van de geschiedenis van de muziek begon, niet met Bach of Palestrina, maar met Berio, Nono, Kagel, Maderna, Stockhausen en, jawel zeer zeker met Iannis Xenakis, weliswaar eerder met zijn orkestwerken (o.a. “Metastasis”, “Nomos Gamma” en “Pithoprakta”). Het is  de grote verdienste van cellist Arne Deforce, als navolger van Siegfried Palm, deze CD uitgebracht te hebben. De muziekliefhebber kan nu naar hartenlust ten volle genieten van microtonale fluctuaties en knarsende en kwellende  strijkstokgeluiden, (batuto- en martellatospel, al dan niet col legno) op de anders zo gevoelige tenor onder de strijkinstrumenten, en dit nog wel  met een Pierre Guilaume, een kranige, 65-jarige Brusselaar (dat is de strijkstok). In het geval van Arne’s cello gaat het zelfs om een Pierre Gaggini, een onder gewone omstandigheden, wondermooi klinkende cello uit Nice, eigenlijk gemaakt om de kleuren van Bonnard, Vuillard en Valloton te verklanken. Maar soit. Hier geen emotionele expressie, maar de cello beschouwen als een resonantiekast waarop de strijkstok, Pierre dus, de rechterhand van Arne,  schuurt, hakt en houwt. Vier snaren en een (strijk)stok. Hout en snaren, schreeuwen, janken en huilen. De kracht van het beest in de muziek. Moderne demonen. Naar eigen zeggen, “tussen snaar en strijkstok, niet de eenheid maar de veelheid”. Xenakis omschreef dit als de fysieke kracht van het spelen zelf. “De niet-noteerbare act van het spelen op noteerbare wijze voorstellen”. “Monochordisch denken”. Allemaal goed en wel maar moeilijk, aarts- aartsmoeilijk. Alstublieft. Hoe hij nooit zo ver is gegaan te vragen om de cello midden door te zagen of aan stukken te slaan is mij nog steeds een raadsel. Zijn tijdgenoten César en Arman uit de plastische wereld van de  Compressions, Expansions, accumulation, en de poubelle, waren op dat gebied toch consequenter. Komen daar dan nog eens zoölogische multiphonics van de klarinet van Benjamin Dieltjens bij, het gekrijs, gepaard gaande met de deconstructie van  dubbelsnaren (grommend en grollend als de darmen van het dier) van de viool van Wibert Aerts, of van de hemeltergende contrabasklanken  van Lode Leire, dan is het hek helemaal van de dam. Ik bedoel eigenlijk kam, jawel ponticello. Onspeelbaar maar uitvoerbaar heet het dan. Een piano erbij, in “Paille in the wind” (Track 5), gaat nog, omdat die edele toetsendichter – op deze CD liever toetsentimmeraar –  immers geen  wanklanken kan produceren en zijn harmonie, in dit geval 10-toon clusters,  altijd wel ergens in de lijn Varèse-Messiaen te situeren valt. Varèse en Xenakis ontwierpen overigens samen het multimediaspektakel voor het Philipspaviljoen van Le Corbusier op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Mocht U meteen naar Track 2 (“Charisma”) of Track 3 (het gebrul van de reus “Kottos”) gaan, verschiet dan niet en denk niet dat er iets scheelt met uw muziekinstallatie. Wat U zal horen is zo bedoeld. Weet dat de partituren van Xenakis eigenlijk mooier zijn om te bekijken dan wel om ze te beluisteren. Deze toch. Overigens valt het mij op dat de beste momenten in  “Epicycles” (Track 4)  voor cello en twaalf instrumenten uit 1989, schatplichtig zijn aan Stravinsky, Honegger en de modes à transpositions limitées, de valeur ajoutée en de rhytmes non-rétrogradables (Mode de valeurs et d'intensités) van Olivier Messiaen. Of de compositie nu  geïnspireerd is door geocentrische kosmologie of niet. Het verschil is wel dat, in tegenstelling tot Messiaens “langage communicable”, dit alles bij Xenakis een “langage non  communicable wordt”. Naar eigen zeggen komt de uitvoering ervan hierop neer, dat men interpreteert  als een productiemachine door middel van het  koppelen van klankpunten, klanklijnen en klankblokken, verdeeld tussen solo’s, trio’s en tutti. Pleins de bruit. Allez vooruit. De groepen van permutaties op de nulpunten van het algebraïsch polynoom, die het polynoom zelf invariant laten, is wel exact verklankt, het sonoor resultaat verstoort wel de normale functies van het lichaam van de luisteraar. Techniek is een kwestie van zenuwen, zei Xenakis. Inderdaad. Wat te doen met de onze als luisteraar? Kortom, jammer. Punt. Lichtpunt op de CD is wel Track 8, “Dhipli Zyla”, een Duo voor viool en cello, gecomponeerd door de 29-jarige Xenakis. Het aanstekelijke volksdansritme situeert zich mooi in de lijn Bartok-Kodaly-Martinu-Szymanowski-Enescu, hoewel het, wat het uitgewerkte minimalistisch-repetetitieve betreft, toch wachten was op  Terry Riley, La Monte Young, Philip Glass en Steve Reich. Mocht U van deze CD zeggen, dit smaakt naar nog, dan verwijs ik U voor de overige 28 kamermuziekwerken van Xenakis  naar Geoffroy Douglas Madge, (piano) en solisten o.l.v.  Peter Eötvös en Huub Kerstens, het Xenakis Ensemble, Claude Helffer (piano) en het Arditti Quartet, het ST-X Ensemble o.l.v. Charles Zachary Bornstein en naar Pierre Strauch, (cello) met het  Ensemble Intercontemporain,  o.l.v. Michel Tabachnik en Pierre Boulez. Uitvoerige uitleg leest U in het begeleidend boekje met tekst van Arne Deforce zelf. Merkwaardig genoeg ontbreekt in de tekst hét sleutelwoord van Xenakis, nl. stochastisch. Vreemd. Misschien is deze CD met behulp van de lectuur van de boeken over Xenakis voor U begrijpelijk en genietbaar. Dan leest U maar eerst Xenakis zelf, U maakt zich vertrouwd met de (muziek)leer van Aristoxenes, en U leest Mâche, Amagali, Olivier Revault d'Allonnes, Sterken, Kanach, Solomos, Baltensperger, Jean-Marc Bardot, Varga, Salvatore di Biasi en Nouritza Matossian,  en zeker  “Capitalisme et schizophrénie” van het duo Gilles Deleuze en Félix Guattari. Als U dit combineert met een gedegen kennis van stochastische variabelen (jawel, vooruit, zowel de continue als de discrete, U kan er niet onderuit), de Game Theory van Neumann, de Verzamelingenleer, de Galoistheorie en  de Maattheorie (jawel, de kansrekening en de integraalrekening van Tarski, Banach, Lebesgue en Riemann), (gaat het nog ?), dan is deze CD voor U zeker een  meerwaarde  van uw avant-gardecollectie. Het is immers de allereerste keer dat Xenakis’ werk voor cello nu op CD is, nogmaals met dank aan Arne Deforce.  Anderzijds vreest U misschien ook, net als ik, dat de Franse schrijfster Françoise Gargouil, alias Mevrouw Xenakis, in 2009, het wel eens persoonlijk meende toen ze haar nieuwe roman de titel, “J'aurais dû épouser Marcel” gaf. Zou wel eens kunnen.