Nominatie Gouden Label – “Alles wat je wil weten over mij is in mijn muziek.” Dit antwoord gaf Maria Callas in juli 1977 – twee maanden voor haar overlijden – aan Alan Sievewright, de Britse impresario die nog een discussieavond met haar wilde organiseren in Covent Garden in Londen. Een box met alle liveopnamen van Maria Callas tussen 1949 en 1964 biedt de kans dit citaat van de diva recht te doen.

De veertigste verjaardag van het overlijden van Maria Callas rechtvaardigt natuurlijk een (zoveelste) uitgebreide hommage aan de diva. Maar laten we meteen stellen dat een zangeres van dat uitzonderlijke talent geen aanleiding behoeft om speciale discografische aandacht te krijgen. De box uitgebracht door Warner Classics met de liveopnamen van de zangeres zijn een fantastische verzameling, én uiteraard een welkome aanvulling van de luxe box studio-opnamen die Warner Classics reeds in 2014 uitbracht. Sinds de twintigste verjaardag van haar overlijden heeft EMI individuele liveopnamen uitgebracht en deze Maria Callas Edition, die reeds vijftien historische opnamen bevatte en een aantal recitals, wordt nu vervolledigd. Het resultaat is niet alleen een vollediger beeld en getuigenis van de exceptionele theaterkunst van de zangeres, maar bovendien een ‘update’ van de klankkwaliteit van de historische opnamen tot een verbazend auditief resultaat. Het zou misleidend zijn te beweren dat het niet hoorbaar is dat het om ‘oude’ opnamen gaat. Maar de klank is zo direct en komt zo verrassend helder en natuurgetrouw over, dat je als het ware als luisteraar onweerstaanbaar in de uitvoering meegezogen wordt en blijft luisteren. Dit geldt trouwens voor de opname in haar geheel, en dus ook voor de orkestklank en de partners van Callas. Maar de focus ligt natuurlijk op de unieke stem van Callas herself!

Opmars van het belcanto

Die ontdek je al meteen op de vroegste liveopname van een integrale opera met Maria Callas: Verdi’s Nabucco in het Teatro San Carlo in Napels in 1949. Maria Callas is dan pas 26 jaar oud, maar ze heeft op dat moment al een stuk carrière achter de rug: haar beginperiode in Griekenland, waar ze onder andere als achttienjarige haar eerste Tosca vertolkte. Als ze in 1945 Griekenland verlaat, heeft ze al een repertoire opgebouwd van zeven hoofdrollen. Het passionele en onsympathieke karakter van Abigaille geeft Callas in deze opname perfect gestalte. Bij een liveopname is het ook leuk soms de reactie van het publiek mee te krijgen, zoals hier na haar aria Anch’io dischuiso un giorno. De partij heeft ze – zoals Armida van Rossini’s opera seria en Elena in Verdi’s I Vespri Siciliani nooit een tweede keer op plaat gezet. Dit zijn dus unieke documenten. Andere opera’s van Verdi in de verzameling zijn Aida, Macbeth, Rigoletto en uiteraard La Traviata, naast Norma de andere magistrale verpersoonlijking van Callas met de legendarische vertolking van de aria Sempre libera. Het zijn trouwens de twee rollen die ze het meest heeft gespeeld.

Eerlijkheidshalve moeten we toegeven dat niet elke opname een gelijke klankkwaliteit heeft. Zo klinkt de Armida van het Teatro Comunale di Firenze (1952) minder helder dan Nabucco en heeft ze wat ruis. De producers van Warner Classics geven de mindere kwaliteit toe, en voegen op de cover van de cd een noot toe over de niet weg te werken onzuiverheden van de opname. Maar de aanpak van maestro Tullio Serafin – een van de mentor-dirigenten voor Callas – is zo gepast voor de Rossiniaanse sprankelende klank van deze opera seria, dat de opname haar waarde heeft in de discografie. De Armida-partij die Callas hier vertolkt is – gezien het haar enige opname van de opera is – de enige toetssteen om te vergelijken met de buffo-partij van Rosina in Il Barbiere di Siviglia. Haar vertolking van de aria in het tweede bedrijf D’amore al dolce impero geeft gewoon kippenvel: pure emotie in coloratuur gegoten met verbluffend aangehouden hoge noten (gevolgd door daverend applaus). In de slotaria van de opera, Dove son’io? geeft Callas een staalkaart van haar ruime stemregister. De opname heeft uiteraard haar belang in de langzame opmars van het pure belcanto-genre in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, waartoe Maria Callas met haar uitzonderlijke dramatische coloratuursopraan een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd.

Het Teatro Comunale di Firenze heeft trouwens een belangrijke rol gespeeld in de evolutie van haar carrière in Italië. Ze zong er ook met Tullio Serafin haar eerste Norma van Bellini (november 1948), een partij die met de beroemde aria Casta diva zowat een fetisj-partij van haar geworden is. Wie de opnamen kent van 1954 en van september 1960 – met Christa Ludwig als Adalgisa en allebei met Orchestra del Teatro alla Scala en onder leiding van Tullio Serafin – kan de collectie mooi aanvullen met deze Norma uit 1952 uit het Royal Opera House London o.l.v. Vittorio Gui. Vanaf 1952 had ze met Walter Legge een contract ondertekend bij EMI, het label waarop al haar opnamen verschenen zijn en dat nu als Warner opereert. Deze Norma was haar veelbelovend debuut in Londen en de opname is er een knappe en technisch nagenoeg perfecte getuigenis van. De sopraan, die op dat moment voor het kritische publiek in Londen nog alles te bewijzen had, kreeg Ebe Stignani als tegenspeelster. Aangezien die in Londen een geapprecieerde zangeres was, was er enig krediet voor de voorstellingen onder leiding van Vittorio Gui. Maar na de eerste voorstelling in november 1952 had Callas het publiek overtuigd en begon de stormloop op kaartjes. Eigenaardig dat de Britse muziekcriticus John Steane (1928-2011), een gerespecteerde autoriteit van stemmen die bij een van de voorstellingen aanwezig was, stelt dat de stem van Callas niet zuiver was. En die van Ebe Stignani daarentegen wel … De criticus is verwonderd dat Joan Sutherland (de rol van Clotilde in die voorstelling) zich maar met die kleine partij tevreden moet stellen … Bij die voorstelling besefte John Steane evenwel hoe gevaarlijk een aria als Casta diva is en hoe fragiel een stem en een adem zijn om op de ragfijne draad van de klank te breken. De opname is opnametechnisch in elk geval wonderlijk. Callas klinkt stralend, al is haar vibrato hier misschien iets sterker dan op de (studio-)opname van 1954 (ook met Ebe Stignani), die ik verkies boven die van 1960 (allebei onder leiding van Tullio Serafin). Binnen het bestek van deze beschrijving kunnen we uiteraard niet steeds met andere opnamen vergelijken. Van Bellini zit ook La Sonnambula (met de heerlijke en ook weer onovertroffen aria Ah, non credea mirarti) en Il Pirata in de verzameling.

Van Gaetano Donizetti, die andere ras-belcantocomponist, kunnen we genieten van Lucia di Lammermoor, een opname gemaakt in september 1955 in Berlijn met niemand minder dan Herbert von Karajan op de pupiter. Een triomf voor zowel Karajan, Callas als de fantastische tenor Giuseppe di Stefano, en een grote stap voorwaarts voor de restitutie van het belcanto-genre. De voorstelling had een onvoorstelbaar succes en een criticus schreef dat Callas “nooit beter zou zingen dan ze toen deed”! De remastering heeft hier tot een uitstekend resultaat geleid: de klank is helder en theatraal écht (of echt theatraal). Callas klinkt wondermooi: wat een souplesse en natuurlijk legato in de hoogste coloratuurnoten met bovendien een duidelijke dictie. Luister naar de prachtige cavatina uit het eerste bedrijf Regnava nel silenzio, waarin ze de cabaletta Quando rapito in estasi zo mogelijk nog superlatiever zingt. En het houdt niet op: van het duet met Giuseppe di Stefano (Verrano a te) aan het slot van dit eerste bedrijf (dat een stampend applaus en gejuich krijgt) tot de sublieme waanzinsscène. Een opname om hartsgrondig te koesteren.

Wagner en de ‘klassieke’ opera’s

Een rariteit is uiteraard de opname die in Rome gemaakt is van een concertante Parsifal (november 1950 – auditorium van de RAI). De opname is niet in de originele taal, maar in het Italiaans. Bovendien is het een van de zeldzame opnamen van een Wagner-opera die Maria Callas maakte. Ze zong in New York Tristan und Isolde, Brünnhilde in een aantal voorstellingen van Die Walküre in La Fenice en de hier opgenomen Kundry in Parsifal. Maar na 1950 kwam Wagner niet meer voor op haar repertoire. Ho visto il figlio sul materno sen (Ich sah das Kind an seiner Mutter Brust) kan wat ‘ontheemd’ klinken, maar Callas legt er ontroering in en haar typische ietwat scherpe sopraanklank krijgt een persoonlijke gevoeligheid mee, zeker waar ze Parsifal aanspreekt. De opname biedt bovendien de prachtige autoritaire en toch lyrische stem van Boris Christoff als Gurnemanz en een mooie orkestklank met dirigent Vittorio Gui.

Buiten het strikte belcantogenre zijn de opnamen van Cherubini’s Medea, Glucks Alceste en Spontini’s La Vestale. Als Medea zullen velen zich Callas herinneren als de actrice in de film van Pasolini uit 1970. Het was de enige keer dat ze in een film speelde en haar vertolking werd legendarisch. Maar zoveel jaren eerder had de nog jonge Callas de opera van Cherubini uit de vergetelheid gered met haar Medea in de Scala onder leiding van de 35 jaar oude Leonard Bernstein. De twee artiesten voelden elkaar perfect aan en hun energieke samenwerking maakt de eerste volledige opname uit 1953 van deze ‘klassieke’ opera tot een belangrijk document. De trots en wraakzucht spat eraf, zowel in de stem van Callas als in het opgejutte orkest. Bernstein beschreef Callas als een “krachtcentrale” – maar, voegt John Steane in de cd-commentaar eraan toe: “dezelfde elektrische stroom was voelbaar in de orkestbak.” Ook hier zijn de andere partijen (Gino Penno als Giasone en Fedora Barbieri als Neris) een kennismaking waard. De slotpassage Io son Medea is als een persoonlijke bekentenis van immense pijn van de gekwetste en radeloze vrouw. De piraatopname van deze voorstelling met historische waarde is langer geleden door EMI overgenomen, maar deze remastered-versie heeft de klankkwaliteit van de opname fel verbeterd.

Elegantie en stijl

De verzameling bevat ook drie dvd-opnamen van liveconcerten met Maria Callas. Een eerste in Parijs in 1958, wat meteen het allereerste optreden van Callas was in de stad die haar laatste verblijfplaats zou worden. Ze had dan al in alle grote operahuizen gezongen. De dvd krijgt een mooie intro met beelden van de Parijse Opéra Garnier en een beknopte presentatie van de zangeres. En dan kan je je vergapen aan de super-elegante verschijning van La Callas! In het eerste deel zingt ze aria’s van Bellini, Verdi en Rossini. Het tweede deel is een geënsceneerd tweede bedrijf van Puccini’s Tosca: de partij die Callas voor het eerst zong in Athene toen ze negentien jaar oud was. Scarpia is de – al even legendarische – Tito Gobbi. Het optreden is gewoonweg indrukwekkend. Callas is een echte “star” zoals de presentator haar voorstelde. Deze Tosca-opname wordt op de derde dvd nog overtroffen door de beroemde Tosca in Londen.

De tweede dvd toont twee concerten in Hamburg: een eerste uit 1959 met dirigent Nicola Rescigno, het tweede met Georges Prêtre. Het is een puur visueel en auditief genot om Callas op het concertpodium te zien, met sprekende mimiek en expressieve gestiek van de handen. Wat een stijl! De stem is onbreekbaar en tegelijk buigzaam in de coloraturen als vloeibaar goud. Je krijgt rillingen bij het beluisteren van de aria van Lady Macbeth Vieni t’affretta. De dramatische kleurschakeringen in de aria uit Il Pirata – met heerlijke hobo-intro – zijn verbluffend. En dan die stralend dankende glimlach bij het uitbundige applaus. Wat een artieste.

Op de derde dvd krijgen we eerst een concertfragment met de heerlijk sobere, maar super-suggestieve dirigent Georges Prêtre. Dan volgt het tweede bedrijf uit de beroemde Londense voorstelling van Tosca met Tito Gobbi in de enscenering van Zeffirelli en onder leiding van Carlo Felice Cillario, zodat we haar nog eens Vissi d’arte horen zingen: een artistiek credo dat misschien op niemand beter past dan op Maria Callas. De opname illustreert ook de angstwekkende présence en de bijtende baritonstem van Tito Gobbi. Callas had ondertussen haar theaterleven enigszins opgeofferd voor een mondain leven met Onassis, op wie ze in 1959 verliefd was geworden. Ze beleeft in deze Tosca-voorstellingen haar laatste triomf op de scène, zodat ook deze tv-opname een onschatbaar document is.

We kunnen besluiten dat deze uitgebreide verzameling niet alleen een getuigenis biedt van de vocale kunst van de zangeres, maar ook van haar talent als geboren tragédienne. Welk personage ze ook vertolkt, Callas overtuigt altijd met haar totale inleving in de emoties die het personage doormaakt, met alle nuances en in alle intensiteit. En dat komt nog sterker tot ‘leven’ in opnamen gemaakt in het theater dan in de studio. Een luxe-editie die luxe beluistering biedt voor de operaliefhebber en bij de fans van Callas obligaat op het verlanglijstje terecht moet komen. Voor de zorg die zowel aan de opnamen als aan de begeleidende documentatie is besteed, verdient deze 45-delige box (42 cd’s en 3 dvd’s BluRay) uiteraard een nominatie Goud.


  • WAT: Maria Callas Live. Remastered live recordings 1949-1964
  • UITGAVE: Warner Classics
  • CREDIT FOTO: © Weston, Getty Images. Maria Callas in Londen in 1958.