Nominatie Gouden Label – “Permettez-moi de vous envoyer mon nouveau cd avec Jean-Claude Vanden Eynden, dont Brüll et Bargiel constituent des premiers enregistrements mondiaux.” Een unieke opname als deze: ze valt geheid niet elke dag in de bus. Waarom dit schijfje de ontdekking waard is, en nog vaak uit de kast zal komen …  

Eerst toch even dubbelchecken. Voor de vorm weliswaar. Want dat de composities van Woldemar Bargiel en Ignaz Brüll geen discografische hoogvliegers zijn, wordt al snel duidelijk bij een bezoek aan de websites van Amazon en ArkivMusic: hooguit een tiental cd’s van beide heren in de aanbieding, en inderdaad geen spoor van de sonates voor twee piano’s die men op deze plaat kan terugvinden. We hebben hier dus wel degelijk met een wereldpremière in tweevoud vandoen, ook al hoeft dit op zichzelf nog niet zo heel veel te betekenen. Er is immers een karrenvracht muziek voorhanden die in de vergetelheid is geraakt. Tijd is in vele gevallen een even strenge als betrouwbare scherprechter. Maar onachtzaamheden zijn natuurlijk altijd mogelijk, zoals de twee bijzonder mooie werken op deze nieuwe uitgave van Azur Classical aantonen.

Het is op aangeven van de Franse componist Nicolas Bacri, die als artistiek klankbord fungeerde en ook de tekst in het tweetalige (Frans-Engels) cd-boekje verzorgde, dat Éliane Reyes en Jean-Claude Vanden Eynden deze vergeten epigonen vanonder het stof hebben gehaald. Nochtans kenden beide in de tweede helft van de 19de eeuw wél hun deel van het succes. Bargiel, een halfbroer van Clara Schumann, gooide aanvankelijk hoge ogen met zijn eerste pianotrio en stond ook als pedagoog hoog aangeschreven – hij gaf een groot stuk van zijn leven compositieles aan de prestigieuze Hochschule für Musik in Berlijn. Zijn Moravische collega Brüll scoorde op zijn beurt een grote hit met de opera Das goldene Kreuz. Maar het is de vriendschap met hun tijdgenoot Brahms die als een rode draad doorheen het programma van deze cd loopt. Samen met hem was Bargiel co-editor van de complete uitgave van de werken van Schumann en Chopin. En Brüll, zelf een vooraanstaand interpreet van Brahms’ pianomuziek, was diens geprefereerde partner aan het klavier wanneer een nieuwe symfonie in private kring uitgetest moest worden.

Opperste gratie

Als u zich deze opname aanschaft – en, geloof mij, dat zou je eigenlijk wel es moeten doen – luister dan meteen naar het Andante ma non troppo uit de sonate van Brüll (1876). In die eenvoudige doch meer dan geslaagde trage beweging zitten immers enkele noten van opperste gratie die terstond in het oor springen en precies datgene doen wat muziek zo intiem maakt: op de meest intense manier een gevoelige snaar raken. Het gebeurt rond 1:12 en krijgt nog extra gewicht doordat de frase zeer subtiel wordt ingehouden. Eerlijk? Alleen al voor deze pakkend-gelukzalige ontdekking verdient deze cd een nominatie voor het Gouden Label, temeer omdat ze exemplarisch is voor de voldoening die het luisteren naar klassieke muziek met zich meebrengt. Dat dit moment in diezelfde hoedanigheid slechts één keer voorkomt, maakt het bovendien extra speciaal. Ook de overige drie bewegingen van deze sonate zijn trouwens van een meeslepende makelij. En de uitvoering, die is meer dan navenant. In het openingsdeel (Allegro) gaat veel aandacht naar een consciëntieuze opbouw en articulatie. Het heroïsche hoofdthema, dat in zijn afgeslankte vorm zeker zoveel kan bekoren, krijgt pas in de reprise het volle aplomb mee. Van een climax gesproken. Het contrast met het behoedzame tweede thema is groot. “Si ce mouvement était signé Brahms, nul doute q’il serait joué plus souvent …”. We kunnen de auteur van het cd-boekje alleen maar bijtreden. In de hoekdelen van het daaropvolgende scherzo (Allegro assai) is de speelvreugde duidelijk hoorbaar. Het geheel wordt met opvallende dynamische en agogische accenten verlevendigd, doorgaans passend, soms ook ietwat geforceerd. De finale, een bekoorlijk Allegro ma non troppo, is een bijwijlen sprankelend voorbeeld van geconcerteerd samen- en tegenspel.

De sonate van Bargiel (1864), oorspronkelijk als een quatre-mains opgevat, maar hier op twee piano’s uitgevoerd, vraagt geen grote virtuositeit, wél een fijngevoeligheid en muzikaliteit die het duo Reyes-Vanden Eynden duidelijk in overvloed bezitten. Het drieledige werk gaat van start met een gemoedelijk Moderato waarin de musici elkaar soepel in de rede vallen en de partijen knap op elkaar steunen. In het vredevolle Lento vormen zachtheid en subtiliteit een winnende combinatie, met als resultaat een stemmig rustpunt. Maar wat in deze beweging uiteindelijk nog het meest van al bewondering wekt, is hoe elk puzzelstukje en ieder akkoord geruisloos op zijn plaats valt. Groot is het contrast met de drive waarmee het slot uit de twintig vingers vloeit (Allegro molto). Aan zoveel aanstekelijk optimisme kan geen enkele melomaan weerstaan, toch. Reyes en Vanden Eynden vuren elkaar bij vlagen voortreffelijk aan en houden er tegelijk een strakke cadans op na, dewelke enkel door een even kort als weemoedig intermezzo onderbroken wordt (Allegro grazioso). Of beide alles uit de partituur halen dat zowel Brüll als Bargiel er zo kundig in hebben verwerkt, is uiteindelijk maar bijzaak. Andere uitvoerders, zeker ook in de concertzaal, zullen die proef op de som in de toekomst hopelijk nemen. De geïnteresseerde luisteraar zal het zonder twijfel met evenveel genoegen kunnen smaken.

Minutieuze maalstroom

Is er voor de sonates van Bargiel en Brüll geen vergelijkingsbasis voorhanden, dan is de sonate voor twee piano’s van Brahms (1863) al meermaals op plaat gezet. Ook de uiterst moeizame genese van dit werk is genoegzaam bekend. Gegroeid uit een strijkkwintet met twee cello’s – een hommage aan het exploot van Schubert dat Brahms jammer genoeg vernietigde – zou zijn noeste compositorische arbeid uiteindelijk in een pianokwintet uitmonden. De strijkers geven aan het grandioze opus 34 een uitgesproken surplus aan zangerigheid en kleurschakeringen, waardoor de inspiratiebron als zwaar op de hand en monochromatisch dreigt weggezet te worden. Maar doordat er alsnog vier handen in het spel zijn, komen sommige finesses uit het binnenwerk van het kwintet soms ook op een andere, onverwachte manier uit de verf. Dat is in de passionele eerste beweging bijvoorbeeld het geval in de transitie van het eerste naar het tweede thema (Allegro non troppo). Aanzwellen, hameren, eventjes temperen om daarna fluwelig te onthaasten: Reyes en Vanden Eynden houden het dramatische en het lyrische karakter van dit veeleisende werk uitmuntend in balans. In het doorvoelde Andante, un poco adagio blijkt er onderhuids toch altijd wel wat te broeien. En hoewel dit het enige deel is waar de pianoreductie het kwintet echt tekort doet, is de aanslag in het snedig geïntoneerde scherzo (Allegro) – goed getimed en soms verrassend licht – zeker een pluim waard. Dat het samenspel tussen deze pianisten zowel privé als professioneel al een lange voorgeschiedenis heeft, zo spreekt ook uit onderstaand filmpje, hoeft dus allerminst te verbazen. De finale ten slotte ontpopt zich na het geheimzinnige begin (Poco sostenuto) tot een kolkende maalstroom van minutieus verweefde beweeglijkheid (Allegro non troppo). Spankracht verzekerd tot de laatste maatstreep.

Een Brahms zo overtuigend neergezet, is uiteraard een extra troef voor dit album. En ook al zijn er enkele prima alternatieven – in het bijzonder de combinatie Ax-Bronfman – toch heeft dit geoliede Belgische duo onmiskenbaar een streepje voor. Met dank aan nobele onbekenden Brüll en Bargiel, die hiermee uit de schaduw van hun vriend treden en dit totaalopzet een gouden gloed geven.


  • WIE: Éliane Reyes & Jean-Claude Vanden Eynden (piano)
  • WAT: Johannes Brahms (1833-1897) – Sonate voor twee piano’s in f (opus 34b) | Woldemar Bargiel – Sonate voor twee piano’s in G (opus 23) | Ignaz Brüll (1846-1907) – Sonate voor twee piano’s in d (opus 21)
  • UITGAVE: Azur Classical (AZC 153)