Gouden Label Na hun vorige cd’s The Art of Fugue BWV 1080 (2002) en Alio modo (2005) heeft het Gamba-ensemble Fretwork voor de derde keer haar keuze laten vallen op Johann Sebastian Bach. Dit keer zijn zijn Goldbergvariaties aan de beurt en het is alweer een hoogtepunt geworden qua verfijning en stijl. Om te koesteren.

Gouden Label Na hun vorige cd’s The Art of Fugue BWV 1080 (2002) en Alio modo (2005) heeft het Gamba-ensemble Fretwork voor de derde keer haar keuze laten vallen op Johann Sebastian Bach. Dit keer zijn zijn Goldbergvariaties aan de beurt en het is alweer een hoogtepunt geworden qua verfijning en stijl. Om te koesteren.

Het verhaal over de slapeloze nachten van Graaf Hermann Karl von Keyserlingk en zijn klavecinist Johann Gottlieb Goldberg zal u wel kennen. Dat von Keyserlingk door de „Goldbergvariaties“ „in seinen schlaflosen Nächten ein wenig aufgeheitert werden könnte“. Misschien is het u wel ontgaan dat Goldberg nauwelijks 29 jaar oud is geworden, en dat hij op 10-jarige leeftijd door de Russische gezant von Keyserlingk werd ontdekt. Tot daar. Maar kent u Richard Boothby?

Richard is professor  viola da gamba aan het Royal College of Music in Londen en professor Barokcello en viola da gamba aan het Welsh College of Music and Drama. Hij maakte een arrangement voor zes gamba’s (a consort of six viols) van Bachs oorspronkelijke klavierpartij. En hoe! Beluister meteen de variaties 20 en 23 op de tweede cd. Niet te missen. Zalig. Let op het pizzicato-spel in variatie 20. Tussen haakjes, het Engels woord voor (viola da) gamba is viol.

Boothby is één van de oprichters en leden van het ensemble Fretwork. En omdat hij de geheimen van de gamba door en door kent, heeft hij de klavierpartij over het (samen)spel van de zes gamba’s op een perfecte manier verdeeld. Twee Trebles, twee Tenors en twee Basses zorgen voor transparantie en afwisseling zonder gelijke. Soms was een arrangement in de strikte betekenis van het woord niet nodig, omdat het volstond de stemmen of lijnen te laten spelen door de gamba’s die correspondeerden met de oorspronkelijke toonhoogte. Waar het bij een uitvoering van de compositie immer op aankomt is ervoor te zorgen dat de rijkdom van de stemvoering tot uiting komt. De baslijn (32 “Fundamentalnoten” met name), en dus niet de aria zoals velen denken,  wordt dertig keer gevarieerd, en, als onderdeel daarvan, negen keer, om de drie variaties,  canonisch verwerkt. Die basnoten moeten daarbij altijd duidelijk te onderscheiden en traceerbaar zijn. De compositie, oorspronkelijk gecomponeerd voor een klavecimbel met twee manualen,  bestaat  uit een aria boven die basnoten, gevolgd door dertig variaties van of op die basnoten, waarna de aria tot slot zachtjes wordt herhaald. Het geheel werd gepubliceerd in 1742, als vierde en laatste deel van Bachs Clavier-Übung. De Aria, een melodie op zich dus,  kwam reeds voor in het tweede Notenbuch uit 1725 van Bachs tweede vrouw Anna Magdalena (1701-1760), niet te verwarren met de Air mit Variationen (BWV 991) uit haar eerste Notenbuch.

Weet vooraleer u de versie op zes gamba’s beluistert, dat Bach de canons, met uitzondering misschien van de Canone alla Settima (variatie 21), waar hij het niet gepreciseerd heeft,  oorspronkelijk componeerde voor één manuaal, terwijl de meeste overige variaties voor twee manualen bedoeld waren. Dit subtiel sonoor resultaat of gevolg werd op een prachtige wijze door Richard gearrangeerd voor gamba’s. Twee manualen betekende feitelijk een duo en dus een rijkere polyfonie en een vollere klank. Zo ook op de gamba’s. Heel, heel bewust gearrangeerd. De niet-canonische variaties  zijn daarnaast alle in een bepaalde vorm gecomponeerd: Polonaise (Variatie 1), Triosonate in de zin van deze van Corelli (Variatie 2),  Passepied  (Variatie 4), Gigue (Variatie 7 & 11), Fughetta (Variatie 10), Aria  (im Stile monodico) (Variatie 13), Französische Ouverture (Variatie 16), Menuett (Variatie 19), Lamento (Variatie 21 und Variatie 25), Sarabande (Variatie 26), Toccata (Variatie 29), Quodlibet (Variatie 30). Met dit laatste bedoelde Sebastian  een combinatie van fragmenten van bestaande volksliedmelodieën, hier meer bepaald „Ich bin so lang nicht bei dir gewest” en “Kraut und Rüben haben mich vertrieben”. Deze laatste melodie was in Bachs tijd populair en was overigens reeds gevarieerd door Frescobaldi, Buxtehude en Scheidt.

Het  mesmeriserend eeuwigheidgevoel  van de compositie komt misschien nog meer tot uiting op gamba’s dan op klavecimbel of piano. Ongeacht de uitvoerders. De structuur duidt immers, los van enige getallensymboliek, op eeuwige terugkeer of herhaling. Een soort beheerst en ingehouden perpetuum mobile, zonder eind of eind gelijk aan het begin. De muziek werkt bedwelmend en rustgevend en behoort tot de meesterwerken van het klavier. Nu dankzij Richard Boothby en Fretwork behoort het voortaan ook tot de meesterwerken van het gamba-repertoire. Een immense verrijking. Van onschatbare waarde. Om te koesteren.