**** Dirigent Hans-Christoph Rademann gaf met het Dresdner Barockorchester, het Dresdner Kammerchor en solisten voor het label Carus een cd uit met twee miscomposities uit de 18de eeuw van de Dresdense componist Johann David Heinichen. Prachtige muziek gecomponeerd voor een prachtige stad.

**** Dirigent Hans-Christoph Rademann gaf met het Dresdner Barockorchester, het Dresdner Kammerchor en solisten voor het label Carus een cd uit met twee miscomposities uit de 18de eeuw van de Dresdense componist Johann David Heinichen. Prachtige muziek gecomponeerd voor een prachtige stad.

De Frauenkirche, de voormalige Katholische Hofkirche, de Zwinger, het Residenzschloss, het Taschenbergpalais, de Gemäldegalerie Alte Meister en de Porzellansammlung: het zijn tot de verbeelding sprekende architecturale en culturele pronkstukken van Dresden. De stad was de magistrale, barokke herzogliche Residenzstadt van het Saksische Huis Wettin. Dresden was het Firenze aan de Elbe.

Een ander pronkstuk was de Oper am Taschenberg – oorspronkelijk Komödienhaus am Taschenberg – in 1664 gebouwd door Wolf Caspar von Klengel. Het was één van de grootste theaters van die tijd. Opera in de moderne betekenis van het woord  ontstond, zoals u weet, aan het eind van de 16de eeuw in Firenze. In de tweede helft van de 17de eeuw wilden alle belangrijke Duitse vorsten een eigen theater. In Saksen was dat bijvoorbeeld de kunstminnende keurvorst Johann Georg II. Bij de opening van het Komödienhaus in 1664 werd de opera Il Teseo van Giovanni Andrea Moneglia uitgevoerd. In Dresden heerste zoals overal de Italiaanse opera.

Onder Johann Georg III werd Carlo Pallavicini kapelmeester en directeur van de Italiaanse Opera in Dresden, maar ook Duitse muzikanten zoals Christoph Bernhard werkten aan de Opera in het Taschenbergpalais. In 1691 verbouwde Johann Georg Starcke de opera naar Italiaans model. Ongeveer 40 jaar na de opening kreeg het operagebouw echter een andere functie. Het werd de katholieke hofkapel. De tot het katholieke geloof bekeerde Friedrich August II van Saksen liet in 1707 en 1708  het Operahuis tot een katholieke hofkapel ombouwen. De castraat en operaster Senesino vertrok naar Londen, toen Händel er in 1712 arriveerde. Na de voltooiing van de Hofkirche in 1755 werd de hofkapel opnieuw “Ballhaus”. Door de ombouw  naar katholieke hofkapel had Dresden ruim tien jaar geen operahuis. Pas door de  voorbereiding van de komende viering van het huwelijk van de keurvorst van Saksen, de latere keurvorst Friedrich August III, met Maria Josepha, de oudste dochter van keizer Jozef I van het Heilige Roomse Rijk, kreeg Dresden in 1719  met  de “Oper am Zwinger” een nieuw operahuis. Maria Josepha kwam op een Venetiaanse gondel op de Elbe Dresden binnen gevaren. Later werden het Kyrie en Gloria van Bachs Hohe Messe  gecomponeerd met de hoop van het verkrijgen van een hoftitel bij deze nieuwe keurvorst. Zoals u misschien wel weet, tevergeefs. Pas met Johann Adolf Hasse  beleefde het Dresdens operahuis haar nieuwe en grootste bloeiperiode. In 1733 verhuisde Hasse namelijk naar Dresden en maakte samen met zijn vrouw, de zangeres Faustina Bordoni, als Dresdner Hofkapellmeister, van de opera een topensemble. Het is onder andere dankzij Wagner en Richard Strauss sindsdien zo gebleven.

Johann David Heinichen

Tijdens de eerste  jaren waren onder andere hofdirigent Johann David Heinichen (1683-1729) en later Giovanni Alberto Ristori  aan de Oper am Taschenberg verbonden. Gezien de nieuwe functie van het gebouw, werd nu in het Komödienhaus religieuze muziek uitgevoerd, onder meer missen van Heinichen.  Johann David Heinichen hebben we in 1993 leren kennen door de schitterende opname van zijn Dresden Concerti op Archiv door Musica Antiqua Köln onder leiding van Reinhard Goebel, de wereldberoemde en erudiete Professor für historische Aufführungspraxis aan het Mozarteum in Salzburg. Twee jaar later volgde zijn “Concerti Per L'Orchestra Di Dresda”. Gevormd door Schelle en Kuhnau, speelde Heinichen eerst in het ensemble van Telemann vooraleer hij zelf de leiding nam van een gelijkaardig Collegium in Leipzig. Hij componeerde in de eerste plaats opera’s voor Leipzig en voor Naumburg, en na een bezoek aan Italië, meer bepaald aan Venetië, werd hij in 1716  aangesteld tot königlich-polnischen und kurfürstlich-sächsischen Kapellmeister in Dresden. Met een groot oeuvre aan concerti, opera’s en religieuze muziek (Missen, Requiems, Magnificats, Psalmen, Hymnen, Marianische Antiphonen, Litanieën, Te Deums, Oratoria, Passiecantaten en Serenatas) was Heinichen één van de productiefste en grootste componisten van zijn tijd.

Bij het beluisteren van zijn missen op deze cd vallen meteen de rijke blazerspartijen op. Houtblazers en natuurhoorn geven aan de plechtige en bijwijlen uitbundige devotie die typisch Duitse klank. In het Gloria geven drie groepen blazers (dreichörigen Konzertes) uiting aan de vreugde van de tekst. De typische, massieve Dresdense stijl werd juist gekenmerkt door houtblazers, koperblazers en strijkers, die elk een zelfstandige groep vormden, terwijl het koor (de Vokalstimmen) homofoon getoonzet werd. Wat Heinichen in Venetië in het werk van Antonio Lotti, Antonio Biffi, Albinoni, Allesandro en Benedetto Marcello en Vivaldi aan zangerigheid gehoord en overgenomen moet hebben, kunnen we mooi beluisteren in de midden-episode voor sopraan van het Agnus Dei van de mis nummer 11. Het is muziek van een betoverende, goddelijke schoonheid.

Juiste accenten en intonaties

Uitvoerders zijn het Dresdner Barockorchester onder leiding van Hans-Christoph Rademann, de kleinzoon van een bakker en een naaister die het tot opvolger van Helmuth Rilling als dirigent van het Bach-Collegium in Stuttgart bracht. Hij legt de juiste gearticuleerde accenten, brengt de juiste intonaties, laat de hoorns het Thüringer Wald bezingen en laat deze engelenmuziek klinken zoals de Duitse contrareformatorische laat-barok het wenste en zich voorstelde. Tussen haakjes, Hans-Christoph Rademann nam deze cd op in de St. Georgen Kirche in Schwarzenberg, de mooie stad in het Erzgebirge in Saksen waar zijn vader Rolf de plaatselijke Kantorei leidde en waar Hans-Christoph zijn kindertijd doorbracht.

Orkest, koor en solisten kennen en begrijpen de muziek zeer goed. De excellente solisten begonnen ooit als leden van het Tölzer Knabenchor (de tenor Hermann Oswald) en het Dresdens Kreuzchor (de baritons Andreas Scheibner en Egbert Junghanns) of lieten zich eerder al opmerken in opera’s van Mozart aan de Opera van Hannover (de sopraan Monika Frimmer) of in de Vespers van Monteverdi (de sopraan Christine Wolff). Onze eigenste, schitterende tenor Patrick Van Goethem (°1969) begon ooit in het jongenskoor Schola Cantorum Cantate Domino van Michaël Ghijs in Aalst en zingt ondertussen wereldwijd op alle belangrijke festivals onder leiding van de beroemdste en allerbeste barokdirigenten.

Deze cd vraagt terecht aandacht voor de rijkdom aan religieuze muziek die Heinichen ons heeft nagelaten. Hoewel Luthers van vorming, schonk Heinichen de sedert August der Starke katholiek geworden stad een schat aan jubelende, gezongen devotie met de instrumentale pracht en praal die van Dresden het “Elbflorenz” maakte. Een heel mooie cd. Zeker beluisteren.