**** “An all-Dvorak tribute to conductor Sir Charles Mackerras.”

Stel je voor, je componeert een thema en een goeie kameraad van je vindt het maar niks. Integendeel, die daagt je zelfs uit er variaties op te componeren. Dit overkwam Antonín  Dvořák met  het thema van één van zijn koorliederen. Dit zogenaamd krakkemikkige thema zou echter wel uitgroeien tot zijn grootse Symfonische Variaties op.78 voor orkest.

**** “An all-Dvorak tribute to conductor Sir Charles Mackerras.”

Stel je voor, je componeert een thema en een goeie kameraad van je vindt het maar niks. Integendeel, die daagt je zelfs uit er variaties op te componeren. Dit overkwam Antonín  Dvořák met  het thema van één van zijn koorliederen. Dit zogenaamd krakkemikkige thema zou echter wel uitgroeien tot zijn grootse Symfonische Variaties op.78 voor orkest. Dit is een eerder leuke anekdote, maar de ontstaansgeschiedenis speelde zich af tegen de achtergrond van de grootste tragiek die Dvořák in zijn leven kon overkomen.

Het verhaal. Eind 1878 ontmoette Antonín  Dvořák (1841-1904), Brahms in Wenen. Die was verrukt over de koormuziek, meeste voor mannenkoor,  die de Boheemse componist reeds had gecomponeerd.  Dvořák zou voortaan aangaande uitvoeringen en vooral publicatie van zijn werken,  100 % kunnen rekenen op de steun van Duitslands grootste koorcomponist. Tot die koormuziek behoorden Dvořáks Drie Liederen voor mannenkoor a capella (op.28) uit 1877. De eerste twee liederen waren  Moravische volksliederen en het derde lied was op tekst van de Tsjechische dichter Adolf Heyduk (1835-1923). De liederen waren op 4 maart 1877 door de zangvereniging Hlahol o.l.v. de Tsjeschische operacomponist Karel Bendl (1838-1897), in Praag in première gezongen. Dit koor werd in de jaren ‘60 geleid door Bedřich Smetana (1824-1884).  Het thema dat Dvořáks kameraad bedoelde was het thema van het derde lied, “já jsem Huslar” (“Ik ben een vedelaar”). Dvořák besloot het thema  27 keer  te variëren en de variaties  uit te werken tot een orkestcompositie met een fuga als finale. Weet dat die compositie in zijn totaliteit maar een goeie 22 minuten duurt. Het Orkest van het Interim Theater in Praag speelde de variaties op 2 december 1877 o.l.v. Jan Ludevít Procházka (1837-1888) in première. Vervolgens bewerkte Dvořák zijn  compositie voor piano vier handen en de compositie werd een paradestuk  van de Wiener Philharmoniker o.l.v. de beroemde dirigent Hans Richter (1843-1916). Aan Richter zou  Dvořák in 1880 zijn zesde symfonie (met de fantastische Furiant, weet U wel)  opdragen. Met de variaties was  Dvořák niet  aan zijn proefstuk toe. Het jaar ervoor had hij zijn “Thema met 8 variaties” gecomponeerd voor piano. Vergelijk het met Janáčeks Thema con variazioni voor piano, de zogenaamde  “Zdenka’s Variaties”, uit 1880. Zdenka Schulzová was toen nog zijn vriendin, later, helaas voor haar,  zijn vrouw. Dvořáks pianovariaties werden gecomponeerd  naar het voorbeeld van de vijf variaties van de eerste beweging (Andante con Variazioni) van Beethovens pianosonate nr. 12 op. 26 uit 1802. U weet wel, U herinnert zich toch nog wel, de sonate met de befaamde “Marcia funebre sulla morte d'un eroe” als derde beweging. Maar jawel, waarvan het thema  sterk lijkt op de 2de Impromptu van Schuberts op. 142. Enfin.

De 8ste variatie van  Dvořáks compositie vertoont dan weer gelijkenis met de finale van Beethovens Sonate op.111. Een interessante kruisbestuiving, niet?

Maar terug naar Dvořáks koormuziek. Het waren vooral zijn vier bundels Moravische Duetten uit 1875 voor sopraan (of alt) en tenor met piano, die bij Brahms erg in de smaak vielen. Dvořák had ze gecomponeerd voor zijn vrienden Marie en Jan Neff die in Praag privé-concerten organiseerden en aan wiens kinderen Dvořák pianoles gaf. Door Jan leerde Dvořák trouwens de streek Moravië kennen, de godvergeten geboortestreek van Janáček (°1854) en Mahler (°1860). Door het enthousiasme van Brahms en vooral aangemoedigd door Brahms, zou Dvořák vanaf die tijd tot ongeveer 1885, een hele serie koorwerken a capella, met piano of  met orkest,  componeren. En dit op Moravische, Boheemse, Servische en Litouwse teksten. Ook ging hij Orkestliederen componeren en meer en meer vokale Duetten, Kwartetten en Solo-Liederen met piano (Avondliederen, Liefdesliederen, Bijbelse Liederen, Zigeunermelodieën, Nieuwgriekse gedichten). Net als de Duitse grootmeester zelf, maar dan op andere teksten. Zo werd Dvořák voor de verspreiding van de literair-muzikale Slavische cultuur, wat Brahms was voor de Duits-Hongaarse literair-muzikale cultuur.

Maar nu de tragiek. Dvořák was in november 1873 gehuwd met een 19-jarige privé-leerlinge van hem die hij zwanger had gemaakt. Foei. Haar naam, Anna Čermáková (1854-1931), één van de dochters van een goudsmid in Praag. Een ongelooflijke prestatie was wel dat het koppel ging inwonen bij …haar moeder, zijn schoonmoeder dus. Ongelooflijk. Op 4 april 1874 werd zoon Otakar geboren. In september 1875 werd dochter Josefa geboren. Josefa overleed na twee dagen. In september 1876 werd dochter Ruzena geboren. Dit kind overleed op 13 augustus 1877 ten gevolge van het drinken van een fosforoplossing die gebruikt werd voor het aanmaken van lucifers. Het kind was dertien maanden oud. Tot overmaat van ramp overleed op 8 september van hetzelfde jaar  Otakar aan waterpokken. Otaker was 3 jaar oud. Het echtpaar Dvořák was nu volledig kinderloos. De akelige stilte die nu intrad  werd voor hen ondraaglijk en ze besloten  te verhuizen. In hun nieuw huis begon vader  met zijn drie overleden kinderen in het achterhoofd, aan zijn Stabat Mater. In hun tweede leven zou het paar Dvořák nog ouder worden van Otilka (°1878),  Anna (°1880), Magda (° 1881), Antonin (° 1883), Otakar(°1885) en Aloisie (°1888).

Het nevelige, naar onraad riekend thema van de Symfonische Variaties is bijzonder kort en lijkt wel gecomponeerd door Leoš Janáček (1854-1928). De muziek zou zo uit één van diens  opera’s kunnen komen. De Glagolitisch gezinde Janáček was trouwens een Dvořák-fan van het eerste uur. Hij  had Dvořák  op 21-jarige leeftijd leren kennen aan de orgelschool in Praag, (met dank aan Broeder Pavel), en zou sterk beïnvloed worden door diens nieuwe, uitgesproken Boheems/Tsjechische folkloristische stijl. De muziek van de Symfonische Variaties houdt zowat het midden tussen de stijl van Brahms en deze van Janáček. We herkennen er niet meteen de stijl van de meester van de Nieuwe Wereld in, hoewel het beroemde thema uit de finale van zijn Nieuwe Wereld Symfonie uit 1893, in één van de variaties reeds in de kiem aanwezig is. Luister maar eens heel aandachtig.

De uitvoering is  doorleefd Tsjechisch. Dit  wellicht omdat  dirigent Charles Mackerras, de oude chef van de Sadler’s Wells Opera (nu English National Opera),  sedert 1951 de opera’s van Janáček uitvoerde en stilaan  erg vertrouwd raakte met Tsjechische muziek in het algemeen, zeg maar met het Boheems-Tsjechische opera- en orkestrepertoire. Van 1997 tot 2003 was Sir Charles trouwens de chefdirigent van het Tsjechisch Filharmonisch Orkest en had hij eerder het Filharmonisch Orkest van Brno gedirigeerd. Na het overlijden van Rafael Kubelík in 1996 werd hij dan ook beschouwd als de meest authentieke "Tsjechische" dirigent van de oude generatie. De uitvoering op deze cd heeft een meerwaarde omdat het een live-opname betreft, gerealiseerd in 1992. Het orkest is het  befaamde Filharmonisch Orkest van Londen, dat speelt in de  Southbank Centre’s Royal Festival Hall aan de Theems. De eerste keer dat Charles het orkest dirigeerde was in 1958, nota bene met de uitvoering van o.a. Dvořák s Carnaval ouverture, Tsjechische muziek dus. De Britse dirigent Thomas Beecham (1879-1961) richtte het orkest op in 1932 en het orkest werd achtereenvolgens gedirigeerd door grootheden als o.a. Eduard van Beinum (1947–1950), Adrian Boult (1950–1957), Bernard Haitink (1967–1979), Sir Georg Solti (1979–1983) en Kurt Masur (2000–2007). Sedert 2005 heeft het orkest haar eigen record label LPO. Een  zwakheid van de cd is echter dat de contrabassen weinig hoorbaar zijn. Of het aan de opname te wijten is of aan de uitvoering is moeilijk te zeggen. Het is in elk geval bvb. in de finale van de 8ste symfonie,  bijzonder jammer. ’t Zou niet mogen. Zeker als je beseft dat die symfonie lange tijd “de Engelse” werd genoemd, omwille van het feit dat de partituur in 1892 door de Engelse firma Novello & Co werd uitgegeven. Dat hij in de vierde beweging bij de herhaling van het thema door de strijkers andere noten speelt, begrijp ik ook niet. Blijkbaar had Sir Charles een andere partituur dan Kubelik, Karajan  en ikzelf. A la bonheur. Maar ja, ik geef toe, ik begrijp niet alles in de wereld.

Dvořák componeerde zijn meesterlijke 8ste symfonie in een mum van tijd,  nl. tussen eind augustus en begin november 1889. Hij droeg de feestelijke muziek op aan de Boheemse “Keizer Franz Joseph Akademie voor Kunsten & Letteren”. Aan Dvořák werd trouwens dat jaar de orde van de Ijzeren Kroon toegekend en in december werd hij in Wenen door Keizer Franz Joseph in audiëntie ontvangen. Hij dirigeerde de première van de symfonie op 2 februari 1890 in Praag. De vier bewegingen beantwoorden aan de natuur, het Tsjechisch dorpsleven en de rust van het Tsjechisch platteland, aan de dumka en aan de wals, en zeven meesterlijke variaties aangekondigd door een trompetfanfare (A resounding trumpet fanfare) in de finale. Alle voor het grootste deel voortreffelijk uitgevoerd. Wat zei Kubelik ook al weer aan de orkestleden? “Heren, in Bohemen nodigen de trompetten nooit uit tot de strijd, maar altijd tot  dansen!” Fantastisch, niet? De uitvoering van de finale van de finale moet U meteen beluisteren. Heerlijk. Overheerlijk. Overweldigend goed voor een live-uitvoering. Mackerras knew Dvořák, obviously. Many thanks.