**** De Duitse postromantische componist Hans Pfitzner (Moskou, 5-V-1869 – Salzburg, 22-V-1949) werd wereldberoemd met zijn opera Palestrina (1917), maar schreef verder nog vier opera’s. Hij verrast ons met een sprookjesopera (1897 – 1900) die in Elberfeld-Wuppertal in 1901 in première ging. Op cpo werd de eerste volledige opname van dit werk uitgebracht die reeds acht jaar geleden opgenomen werd.

De opera bestaat uit een voorspel (in de Liefdestuin), twee bedrijven (in het oerwoud voor de Liefdestuin en in de holle berg) en een naspel (voor en in de Liefdestuin). Centraal staan de gebeurtenissen in de Liebesgarten, een paradijsje, waarin het Sonnenkind en zijn moeder Frau Minne die tegelijk de liefdesgodin is, heersen. Siegnot is ronselaar voor nieuwe bewoners en bewaker van de Frühlingstor, ingang van dit idyllische rijk. Aan de poortwachter overhandigt ze een wondere roos. Siegnot wordt verliefd op Minneleide, de lichtschuwe elfenkoningen, en zij ontvangt de roos. Het licht van de Liebesgarten verblindt; ze vlucht weg, maar wordt door de Nacht-Wunderer en zijn dwergen gevangen genomen. Ook Siegnot komt in hun macht. Siegnot beroept zich op Frau Minne die de ondergrondse krocht instorten doet, maar hij komt om; Minneleide ontkomt maar kwade krachten doden ook haar. Dank zij de roos wordt de poort geopend; het Sonnenkind wekt Minneleide en Siegnot terug tot leven en beiden leven verder in de Liebesgarten.

Pfitzner schakelde voor het libretto zijn vriend uit het conservatorium van Frankfurt, James Grun (1868 – 1928) in. Hij was geïnspireerd op beeldmotieven uit Der Hüter vom Liebesgarten van de Münchense symbolistische schilder Hans Thoma (1839 – 1924), een werk dat zich nu in de Staatsgalerie te Stuttgart bevindt. Hoewel wagneriaanse elementen, technieken en naamgeving onmiskenbaar zijn, heeft de componist zijn eigen, poëtische, eerder impressionistische muziektaal voor dit symboolrijke onderwerp (strijd hemel – aarde, licht en donker) ontwikkeld. Terecht kan men dit een meesterwerk noemen, zoals Gustav Mahler en Max Reger, alsook Bruno Walter het beaamden. Bovendien beïnvloedde het Webern, Berg en Schönberg.

Naast schaarse historische fragmenten bestaat er een Münchener opname van de gereviseerde versie op Gala uit 1953 met vele sterren (Bernd Aldenhoff, Trude Eipperle e. a.) o. l. v. Rober Heger, maar deze duurt slechts 1 u 59 min. De cpo uitgave komt dus niets te vroeg. Prachtige duetten, de eminente rol van het koor en verschillende aria’s kunnen de luisteraar niet alleen bekoren, maar nodigen uit om meer werk van Pfitzner, bijvoorbeeld Das Christ-Elflein te beluisteren De dirigent, Frank Beermann, weet met de Robert-Schumann-Philharmonie fascinerende klanten op efficiënte en expressieve wijze te voorschijn te toveren en de sprookjessfeer te evoceren. De Amerikaanse tenor Erin Caves is als heldentenor een geknipte Siegnot. De Minneleide van Astrid Weber doet ons aan Kundry denken. Ook de andere zangers doen hard hun best en daarin slagen ze vrij goed, behalve misschien Andreas Kindschuh (als der Sangesmeister) Het (kinder)koor speelt zijn interventies meer dan voorbeeldig. De luisteraar beschikt tevens over een librettoboek met tevens informatie over de kunstenaars. We hopen dat het merk cpo nog verdere ontdekkingen op de plaat uitbrengt, zoals nu met de ten onrechte veronachtzaamde Rose vom Liebesgarten.


  • WAT: Die Rose vom Liebesgarten
  • WIE: Hans Pfitzner (componist); Erin Caves, Kouta Räsänen, Andreas Kindschuh, Astrid Weber, Jana Büchner, Tiina Penttinen, André Riemer; Chor & Kinderchor der Oper Chemnitz, Robert-Schumann-Philharmonie o.l.v. Frank Beermann
  • UITGAVE: CPO 777 500-2 (duurtijd: 2:45:08) (volledige opname op 3 CD)