Gouden Label Het herdenkingsjaar Franz Liszt (1811-1886) loopt ten einde. Gelukkig – het is maar hoe je het bekijkt – werden we bij die tweehonderdste verjaardag niet overstelpt door een massa producties zoals bij de 250e verjaardag van de dood van Bach (1685-1750) of de 250e verjaardag van de geboorte van Mozart (1756-1792). Geen Liszt-Kugeln of Liszt-likeur… or whatever.

Gouden Label Het herdenkingsjaar Franz Liszt (1811-1886) loopt ten einde. Gelukkig – het is maar hoe je het bekijkt – werden we bij die tweehonderdste verjaardag niet overstelpt door een massa producties zoals bij de 250e verjaardag van de dood van Bach (1685-1750) of de 250e verjaardag van de geboorte van Mozart (1756-1792). Geen Liszt-Kugeln of Liszt-likeur… or whatever.

Wel herinneren we ons de schitterende biografie (boek + dubbel-cd) door Malcolm Hayes, met pianisten als Arnaldo Cohen, Diego Fasolis, Philip Thomson (Naxos 8.558241-15) en de puike prestatie van François-Frédéric Guy in de niet vaak gehoorde Harmonies poétiques et religieuses en de Sonate in b, eveneens een dubbel-cd  (Outhere ZZT110301).

Om dit jubeljaar in schoonheid af te ronden vonden we nog de briljante uitvoering van de 19 Hongaarse rapsodieën (in de oorspronkelijke versie) voor piano solo. Detail: cd nr. 1 begint met de Roemeense rapsodie, s. 242. 

Het zijn dan wel opnames op verschillende locaties in Montpellier en niet eens in hetzelfde jaar. Dus zou men kunnen vrezen voor gebrek aan eenvormigheid, maar niets is minder waar. Opnametechnisch is dit van de bovenste plank. En nu we toch over de opname zelf bezig zijn: de sublieme klank van de piano liet ons met open mond achter. Na wat browsen vonden we Giovanni Belucci, één van de “great pianists of our time” in de “hall of fame” van Blüthner (een pianomerk met een stamboom om ‘u’ tegen te zeggen) maar nergens op de doos of cd staat bevestigd dat deze opnamen op een Blüthner gespeeld zijn. Het zou ook een Bösendorfer kunnen zijn, zeker geen Steinway dus… die hier allicht niet op zijn plaats gestaan zou hebben. In Boedapest hebben we ooit de instrumenten gehoord die Liszt zelf gebruikte en dit is zowel ‘modern’ van klank – met de ‘volwassen’ dynamiek waarmee onze oren intussen vertrouwd zijn en die deze muziek graag uitbuit – als een soort uitvoering die dan wel niet ‘historisch’ genoemd wordt, toch de geest van die muziek tot leven brengt.

Hongaarse rapsodieën… je wordt er gek van of ze laten je koud. Nu is Liszt niet de enige die ‘volkse’ muziek gebruikt om (jawel) spectaculaire dingen mee te doen (cfr. Bartók bijvoorbeeld, om er maar één te noemen). Maar hier zit de geest van een soort Sturm und Drang in samengebald die je – met permissie – niet in één keer kunt vatten.

De uitvoering is bovendien subliem. Het is niet zo van “kijk eens mama met hoeveel vingers ik me hier doorworstel”. Je vraagt je soms wel af hoe veel vingers die man heeft (dat gebeurt meer, zoals met kleppers à la Volodos), maar hier primeert de muziek. Giovanni Belucci behoort tot het kleine kransje “pianist’s pianists” – Argerich, Arrau, Ciccolini, Cziffra, Kempff en Zimmerman. Hij maakt van Liszts muziek het fijnste muzikale kantwerk. De rubato’s vliegen je om de oren maar storen nooit: het kadert perfect in een globale ‘drive’ en brengt nog méér verrassend “leven in de brouwerij” als we ons zo oneerbiedig mogen uitdrukken. 

Eén tip nog: speel dit op een volwassen hifi-installatie want op een of ander minidinges vrees ik dat je de essentie mist…