**** Heb je zin in een geestige operette en wil je toch iets aparts horen en zien: dan zal je vast genieten van deze geslaagde opname van Reynaldo Hahns muzikale komedie. Het is tegelijk een ideale manier om kennis te maken met het theaterwerk van deze componist, die ondertussen terecht zijn plaats in het repertoire van de Franse mélodie gekregen heeft.

**** Heb je zin in een geestige operette en wil je toch iets aparts horen en zien: dan zal je vast genieten van deze geslaagde opname van Reynaldo Hahns muzikale komedie. Het is tegelijk een ideale manier om kennis te maken met het theaterwerk van deze componist, die ondertussen terecht zijn plaats in het repertoire van de Franse mélodie gekregen heeft.

Het verhaal is een niemendalletje dat Reynaldo Hahn volstopt met verwijzingen naar enerzijds de hoge kringen, anderzijds het simpele landleven. De handeling speelt zich af in 1867, het jaar waarin Offenbachs La Grande Duchesse de Gérolstein in première gaat. De aanwezigheid van de huzaren in het stuk is een regelrechte verwijzing naar de militairen in Offenbachs operette. De operette van Hahn dateert van 1923, dus van na de Eerste Wereldoorlog en zowat veertig jaar nadat Offenbach in Parijs furore maakte. Ze is evenwel in de muziek en in het soort humor duidelijk schatplichtig aan Offenbach, wat alleen maar in het voordeel van Hahn pleit, want hij maakt er een grandioos geestig stuk van.

Ciboulette is een marktkraamster die met haar groenten en fruit (vooral kolen!) naar Les Halles in Parijs trekt. Ze droomt evenwel van een stralende(r) toekomst, maar wil wel eerlijk blijven met haar gevoelens. Ze laat zich door Madame Pingret, de visvrouw van de markt, de toekomst voorspellen: eentje die – of wat dacht u – roem en liefde voorspelt, maar daarvoor moeten er wel drie voorwaarden vervuld zijn. U kan het (opnieuw) al raden. Op de meest grappige manier worden deze dwaze voorwaarden in de loop van het stuk vervuld en op het einde is Ciboulette een gevierde operadiva en valt ze in de armen van Antonin, die ei zo na uit liefde voor haar zelfmoord gepleegd had. Dat ze als Spaanse diva triomfen viert, is een verwijzing naar de wereldtentoonstelling van 1867 in Parijs, waarop de Spaanse muziek een bevoorrechte plaats kreeg.

Vanzelfsprekende geestigheid

Regisseur Michel Fau is ontzettend geïnspireerd om zowel het verhaal op zich als alle verwikkelingen op geestige wijze in scène te zetten. Op het einde zorgt hij nog voor een verrassende pointe door zelf als travestie de frivole rol van La Comtesse de Castiglione te spelen! De scène van de Opéra Comique is vrij klein en het decor is eenvoudig gehouden. Het doet denken aan de tekeningen in een sprookjesboek en maakt handig gebruik van voor elkaar schuivende panelen, die vlot een andere locatie voorstellen. Zo gaan we van feestzaal naar boerendorp. De belangrijke koorscènes, onder andere met de huzaren, maar ook met de dorpelingen van Aubervilliers, ademen veel sfeer. De kostuums zijn verrassend en verzorgd. De aankomst van Ciboulette – gekleed als een naïef Pippi Langkous-achtig meisje – is vooral grappig, met dank aan de gezellige “namaak”-muilezel. Een heel mooi moment in het stuk is de ontroerende scène die Hahn aan La Vie de Bohème van Henri Murger ontleent. Duparquet ontpopt zich – in een mooie aria – als de oud geworden Rodolphe uit La Vie de Bohème en doet zijn verhaal over de studenten die proberen Mimi te redden: een scène die we kennen uit Puccini’s opera. Zo zit de opera vol verwijzingen naar de tijd van het Second Empire in Parijs.

Sprankelende muziek

De muziek is sprankelend, dansend en bruisend en waar nodig sentimenteel-romantisch. De zangers leven zich stuk voor stuk perfect in hun rol in en vocaal zijn de hoofdrollen uitstekend vertolkt. De spontaneïteit van Julie Fuchs als Ciboulette maakt haar onweerstaanbaar. Haar metamorfose in verschillende vrouwentypen is burlesk en tegelijk geloofwaardig. Haar stem straalt van natuurlijkheid en oprechtheid, al neemt ze haar mannen – en ons – geregeld bij de neus. Haar aria “Amour qui meurt, amour qui passe” is maar één van haar mooie aria’s. Een schitterende rol. De capricieuze Zénobie – vergezeld van schoothondje – wordt al even overtuigend door Eva Ganizate gespeeld en gezongen. Van de twee mannelijke hoofdrollen is vooral Jean-François Lapointe als Duparquet een innemende verschijning. Julien Behr maakt de melancholische en wispelturige Antonin tot het beklagenswaardige personage dat hij nu eenmaal is. Laurence Equilbey, die haar carrière begon als koordirigente van Accentus, dirigeert met flair en Franse “esprit” het Orchestre symphonique de l’Opéra de Toulon, dat zijn best doet de vlotte operettemuziek tot zijn recht te brengen. De koren zijn heerlijk.

Een dvd die een glimlach op je gezicht tovert. De documentaire als aanvulling bij de voorstelling bevat interessante achtergrondinformatie over de Franse opérette alsook over de tijd van Reynaldo Hahn.