**** Het Label Mirare gaf een cd uit met Offertoria en Missen van César Franck en van leden van de Scola cantorum. Het Ensemble vocal de Lausanne en de solisten staan o.l.v. Michel Corboz. Van ingetogenheid gesproken…

**** Het Label Mirare gaf een cd uit met Offertoria en Missen van César Franck en van leden van de Scola cantorum. Het Ensemble vocal de Lausanne en de solisten staan o.l.v. Michel Corboz. Van ingetogenheid gesproken…

Witte Raaf Corboz

Waar is de tijd dat Michel Corboz ons, mij althans, voor de eerste keer in contact bracht met Monteverdi en Carissimi? In de jaren '60 was de man nl. één van de pioniers aangaande het uitvoeren van Barokmuziek. In 1971 gaf hij met zijn in 1961 opgericht “Grand Chœur de l'Université et l'Orchestre de Chambre de Lausanne”, voor het Label Erato, de “Sacræ Symphoniæ” van Gioavanni Gabrieli uit. De plaat werd toen mijn lievelingsplaat. In ’72 verscheen zijn opname van Bachs Hohe Mese. Voor een 11-jarige, meer dan een revelatie. Sedert een goeie tien jaar richt Corboz zich voornamelijk op Fauré, César Franck en Gounod. Tot zijn recente opnamen behoren  “Frank et Gounod : Les Sept Paroles du Christ en Croix” (Mirare MIR 106) en de “Messe de Requiem et Messe chorale” van Gounod, (Mirare MIR 129). Michel Corboz is nu…82 jaar oud.

Gregoriaans en polyfonie “d’origine chrétienne”

Door zijn programmakeuze neemt Corboz afstand van de ingeburgerde idee van een vermeende rivaliteit tussen het Parijse Conservatorium en de Schola Cantorum. Beide instituten erfden dezelfde technieken van zowel het Gregoriaans als van het Gouden Tijdperk van de polyfonie. De Schola werd in 1894 vanuit de kerk Saint-Gervais in Parijs opgericht door Charles Bordes, Alexandre Guilmant en Vincent d'Indy. De Schola heette oorspronkelijk “Société de propagande pour la divulgation des chefs-d'œuvre religieux”. Ze kreeg de kortere naam “Schola cantorum” en opende op 15 oktober 1896 haar deuren aan de rue Stanislas nabij de boulevard du Montparnasse. De school wou een alternatief bieden voor te veel lichtzinnige muziek uit de tijd van Napoléon III. De school, sedert 1980 gevestigd aan de rue Saint-Jacques, wijdde zich in navolging van het “Institution royale de musique classique et religieuse” uit 1817 van Alexandre-Étienne Choron, gevestigd aan de rue de Vaugirard, aan de studie en het zingen van gregoriaans en renaissance polyfonie. En dit ter ere van de “musique liturgique catholique appelée “chant grégorien” et la polyphonie d'origine chrétienne de type « palestrinien », représentatif de la réforme tridentine.”

Choron, Niedermeyer en Ney

Het instituut van Choron ging in 1853 over in de “École Niedermeyer” van Abraham Louis Niedermeyer (1802-1861). Deze school was oorspronkelijk gevestigd aan de “passage de l'Elysée des Beaux Arts” in de buurt van Pigalle. Ze ontstond uit de samenvoeging van het Instituut van Choron met de “Société des concerts de musique vocale religieuse et classique” uit 1843 van Napoléon Joseph Ney. Hij was de zoon van de befaamde maréchal Ney. De École Niedermeyer werd vervolgens in 1896 gevestigd in de “Villa d'Auteuil” aan de boulevard d'Auteuil, in de prachtige art Nouveau wijk van o.a. Hector Guimard van het luxueuze 16de arrondissement. Het is trouwens daar dat zich de magnifieke “jardin des serres” bevindt met de 14 gesculpteerde mascarons, mensenkoppen als afwerende en beschermende apotropaions, vervaardigd in het atelier van Rodin. Zeker gaan kijken.

De Société nationale de musique

Aan de École Niedermeyer studeerden o.a. Gabriel Fauré, Camille Saint-Saëns en André Messager. Net na de Frans-Duitse Oorlog werd in 1871 daarenboven door de bariton, dichter en componist Romain Bussine en door Camille Saint-Saëns, de “Société nationale de musique” opgericht. Hun doel was het bevorderen van de nieuwe, Franse muziek als reactie op teveel Duitse muziek in Frankrijk en het stimuleren van instrumentale muziek tegenover quasi uitsluitend opera en vocale muziek. César Franck, Jules Massenet, Gabriel Fauré en Henri Duparc waren er bij van het eerste uur. Hun motto was Ars Gallica. Franck gaf vervolgens les aan Debussy en Fauré werd de leraar van ene jonge Maurice Ravel…Ravel werd op zijn beurt in 1909 één van de oprichters van de “Société musicale indépendante”.

Maria devotie

In 1854 kondigde paus Pius IX met de pauselijke bul “Ineffabilis Deus” het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria af. Onder de katholieken kwam een nieuwe golf van Mariaverering op gang. Het contrareformatorisch gedachtegoed rond de Maagd en Moeder Gods werd nieuw leven in geblazen. Op deze cd leidt de reeds zeer lang gewaardeerde koordirigent Michel Corboz, het Ensemble Vocal de Lausanne in een bloemlezing van Franse, religieuze muziek, gecomponeerd ter ere van de belangrijkste en mooiste Heilige van de Rooms-katholieke liturgie, de Maagd Maria.

Muzikaal historicisme

Op de cd staan o.a. César Francks Ave Maria, “Dextera Domini”, “Domine non secundum”, twee versies van zijn “Panis Angelicus” en zijn “Quae est ista”. Van Paul Ladmirault zijn “Quelques vieux Cantiques Bretons” opgenomen, naast het “Offertoire de la Toussant” van Paul Berthier, de “Messe a 3 voix égales” van Guy Ropartz en de “Messe modale” van Jehan Alain. Dit is een cd die u beluistert voor de sfeer. De muziek ademt nl. de ingetogen, bewierookte sfeer van het teerhartig, Rooms-katholiek historicisme van de 19de  eeuw. Zalige neogotiek. César Franck werd trouwens in 1859 organist van de toen nieuwe Église Sainte-Clotilde in Parijs. De kerk, genaamd naar de tweede vrouw van Clovis, werd in 1857 gewijd en was de eerste neogotische kerk in Frankrijk. Franck bespeelde daar het legendarisch orgel van Aristide Cavaillé-Coll. In 1897 werd de kerk door paus Leo XIII tot basiliek gewijd.

Eén beroemdheid en vier onbekenden

Ropartz

Guy Ropartz (1864-1955) studeerde rechten en studeerde dan aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs compositie bij Jules Massenet en Théodore Dubois. Na 1886 studeerde hij bij César Franck (1822-1890) en werd lid van de befaamde “la bande à Franck”. In 1894 werd hij directeur van het conservatorium van Nancy en na 1919 van het conservatorium van Straatsburg. Naast duidelijke invloeden van “le mâitre angélique” César Franck, inspireerden hem Bretoens-Keltische muziek, de zee en symbolistische mystiek. Ropartz was ook schrijver.

Berthier

Paul Berthier (1884-1953) uit Auxerre was een leerling van Vincent d'Indy aan de Schola Cantorum tussen 1903 en 1914. Hij was medeoprichter van het koor “Petits Chanteurs à la croix de bois” in 1906. Hij studeerde rechten en was de auteur van een proefschrift over de rechtsbescherming van de componist. Hij was organist aan de cathédrale Saint-Étienne in Auxerre en tot zijn dood in 1953 bibliothecaris en conservator van het museum. Hij harmoniseerde het anoniem, traditioneel kerstliedje “Dors ma colombe, dors le soir tombe” uit de Elzas. Berthier componeerde missen, motetten en orgelwerken en was de grootvader van…France Gall.

Ladmirault

Paul-Émile Ladmirault (1877-1944) uit Nantes componeerde reeds als kind. Hij studeerde contrapunt en fuga aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs bij André Gedalge. Vanaf 1897 studeerde hij compositie bij Gabriel Fauré. Ladmirault orkestreerde enkele werken van Fauré en had als medestudenten Maurice Ravel, Florent Schmitt, Louis Aubert, Jean Roger-Ducasse en George Enescu. In 1910 richtte hij samen met Louis Aubert, het later lid van de Groupe des Six, de Vereniging van Bretonse componisten op (“La Cohorte bretonne”). Tot deze Vereniging behoorden ook de componisten Joseph Guy Ropartz, Paul Le Flem, Charles-Augustin Collin, Maurice Duhamel, Paul Martineau en Louis Vuillemin. In 1920 werd hij docent contrapunt en fuga aan het “Conservatoire à rayonnement régional” in Nantes. Op advies van Debussy werd hij lid van de Société Nationale de Musique.

Alain

Jehan Alain (1911-1940) uit Saint-Germain-en-Laye kreeg als kind piano-, orgel- en harmonie les van zijn vader en moeder. Hij kreeg dan orgelles van Augustin Pierson op het orgel van de kathedraal Saint-Louis in Versailles. Op 13-jarige leeftijd was hij al hulporganist van zijn vader Albert Alain (1880-1971), die leerling was geweest van Gabriel Fauré en van Alexandre Guilmant. Zijn zuster Marie-Odile was sopraan en pianiste en zijn andere zuster was de bekende organiste Marie-Claire Alain (1926-2013). Alain studeerde vanaf 1928 orgel aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs onder Marcel Dupré en compositie onder Paul Dukas en Jean Roger-Ducasse. Nadat hij afgestudeerd was kreeg hij in 1935 zijn eerste baan als organist aan de kerk Saint-Nicolas in Maison-Lafitte. In 1940 sneuvelde hij op 29-jarige tijdens de Slag om Frankrijk in Saumur.

“Père Franck”, organist van Saint-Clotilde

In 2009 heeft de succesvolle opname door het Vocaal Ensemble van Lausanne (CD Mirare MIR 106) van de “Zeven Laatste Woorden van Christus aan het kruis” van César Franck, in een versie voor kamerkoor, de expressieve kracht en de kwaliteit van Francks religieuze composities bevestigd. De grote Offertoria van César Franck, gecomponeerd voor orgel, klein koor (“choeur de tribune”) en klein instrumentaal ensemble, worden hier uitgevoerd in een transcriptie voor vierstemmig gemengd koor van Wolfgang Hochstein (°1950). Hochstein is specialist van Hasse en mede uitgever van de indrukwekkende, vierdelige "Geschichte der Kirchenmusik" (Laaber-Verlag). Hij is professor aan de Hochschule für Musik und Theater in Hamburg.

Brood van de engelen

“Panis angelicus”, de voorlaatste strofe van de hymne “Sacris solemniis”, werd geschreven door Thomas van Aquino voor Sacramentsdag, het feest van de waarachtige tegenwoordigheid (Sua realis praesentia) in de geconsacreerde offergaven. Francks “Panis Angelicus” werd oorspronkelijk gecomponeerd voor tenor of sopraan, orgel, cello of altviool en harp. De compositie was het resultaat van een orgelimprovisatie tijdens het Kerstofficie in 1861. In 1872 voegde Franck zijn Panis angelicus toe aan zijn Messe à trois voix voor sopraan-, tenor- en bas-solo, driestemmig gemengd koor (STB) en orkest uit 1860 op. 12. Hij verving daarmee tijdens de elevatie van de hostie (“élévation”) na de epiklese (smeekbede aan de Heilige Geest opdat de offergaven het lichaam en bloed van Christus zouden worden) en de metafysische, transsubstantiële consecratie, het "O Salutaris Hostia" als “motet d’Elévation”. Na de consecratie toont de priester achtereenvolgens de Hostie en de Kelk aan de gelovigen en maakt vervolgens een kniebuiging. Daarna nodigt hij uit ter communie. Reden waarom de Franse musicologe Joël-Marie Fauquet (°1942), auteur van de “catalogue raisonné de l'œuvre de Charles Tournemire” en van een monografie over César Franck bij uitgeverij Fayard, Francks hemelse muziek omschrijft als “musique agenouillée”. “Agenouiller” betekent knielen. Op 10 november 1890 zong de tenor Mazalbert bij de plechtige begrafenis van César Franck in de Sainte-Clotilde in Parijs, “Panis Angelicus”, omgezet in “Pie Jesu”.

Muziek voor Maria

Francks “Domine non secundum”, een Offertorium in si klein voor sopraan, tenor en bas met orgel, werd gearrangeerd voor koor. Het stuk verscheen in 1865 en was met zijn tekst uit het Officie van Aswoensdag, bestemd voor de Vastentijd. “Ave Maria” werd in 1863 gecomponeerd en door Franck opgedragen aan zijn vriend Léon Husson. “Quae est ista” is gecomponeerd voor een koor van sopranen (dessus), tenoren en bassen, en instrumenten. Het was een onderdeel van drie Offertoria uit 1861 die door Franck bedoeld waren voor het Feest van Maria-Tenhemelopneming of Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart, Onbevlekte Ontvangenis en de Maria maand.

Bretoense Cantiques en Offertoria

Van de zes “Oude, Bretoense liedjes” (“Quelques vieux Cantiques Bretons”) van Paul Ladmirault, zijn er op deze cd vier opgenomen. Ze worden gezongen in drie talen, het Frans, het Leonees (dialecte Léonais, de taal van het oude Bretoens bisdom Léon), en in het dialecte Vannetais, de taal van de Bretoense regio’s Morbihan en Loire-Atlantique. Van de vijf Missen en wel 120 motetten van Berthier, heeft Corboz gekozen voor zijn Offertoire de la Toussant, Ave maris stella, Tantum ergo (loflied op het Allerheiligste, de geconsacreerde hostie als lichaam van Christus) en Ave Maria. “Justorum animae in manu Dei sunt”, zijn Offertorium voor Allerheiligen (“Toussaint”) voor orgel en koor, werd door Berthier gecomponeerd op vraag van zijn vriend de componist en schrijver Joseph Samson, die organist en Maître de chapelle was van de kathedraal van Dijon. Samson was de componist van tal van geharmoniseerde Franse, Latijnse en gregoriaanse “Cantiques” (lofzangen en hymnen).

Modaal en brevis

De “Missa bevis” ter ere van de heilige Anna voor drie gelijke stemmen en orgel van Ropartz, dateert uit 1922. Men denkt hier stilistisch aan de 3-stemmige Mis (“three-part Mass”) van William Byrd. De titel “Messe modale” van Jehan Alain uit 1938, verwijst duidelijk naar Gregoriaanse modaliteit die aan het begin van de 20ste eeuw door de Schola Cantorum en de monniken van Solesmes opnieuw aandacht kreeg. Het Benedictus werd later toegevoegd door zijn zus en broer Olivier en Marie-Claire Alain. “Het Sanctus en Benedictus”, schrijft Michel Daudin in het bijhorend boekje, “hebben het karakter van een Litanie en het 2-stemmig contrapunt voor sopraan en alt in het “Agnus Dei”, doet denken aan Ravels “L’Enfant et les Sortilèges””. Ravel voltooide zijn meesterlijke “fantaisie lyrique en deux parties” in 1925.

Ferme de Villefavard

De cd werd opgenomen in augustus 2014 in de Ferme de Villefavard in de Limousin/ département de la Haute-Vienne. De solisten zijn Marie Jaermann en Hélène Pelourdeau, sopraan, Jonathan Spicher, tenor en Manuel Rebelo, bas. Andere medewerkers zijn Priscille Reynaud en Marie-Jeanne Sunier, viool, Matthias Maurer, altviool, Luc Aeschlimann, cello, Michel Veillon, contrabas, Béatrice Jaermann, dwarsfluit, Laure Ermacora, harp en Marcelo Giannini, orgel. Warm aanbevolen.