Nominatie Gouden Label Pianist Alexandre Tharaud en vrienden brengen een muzikaal eerbetoon aan de mythische jaren ’20 in Parijs. Café-concert, Brasserie, Music-Hall, verenigd op één cd, vanuit de roemrijke geschiedenis van het cabaret “Le Boeuf sur le Toit”. Magnifiek!

Nominatie Gouden Label Pianist Alexandre Tharaud en vrienden brengen een muzikaal eerbetoon aan de mythische jaren ’20 in Parijs. Café-concert, Brasserie, Music-Hall, verenigd op één cd, vanuit de roemrijke geschiedenis van het cabaret “Le Boeuf sur le Toit”. Magnifiek!

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog, droomde een nieuwe generatie  van een andere wereld. Met de komst van de Amerikaanse geallieerden, deden de Jazz  en nieuwe dansen hun intrede in Parijs. Een Parijs cabaret belichaamde deze vernieuwing en  feestelijke explosie, en trok kunstenaars als Cocteau, Milhaud, Picasso, Diaghilev, Rene Clair, Maurice Chevalier, Stravinsky en Coco Chanel aan. Gastheren waren de pianisten Jean Wiéner en Clément Doucet. Ze speelden Chopin of Wagner facon jazzy (ze maakten er foxtrots van), maar ook Cole Porter, Jerome Kern en Gershwin, en dit tot in de late uurtjes. Alexandre Tharaud heeft een passie voor deze periode. "Deze plaat is een eerbetoon aan deze bijzondere plek, vertelt hij. Ik geloof echt dat de Franse muziek niet dezelfde zou zijn zonder datgene  wat er is gebeurd in Le  Boeuf sur le Toit. In mijn programma zijn er stukken van Jean Wiéner, Clément Doucet, Darius Milhaud, maar ook van Gershwin, Kern, en  duetten! Omdat er elke avond gespeeld en gezongen werd onder vrienden, nam ik de gelegenheid om mijn  eigen vrienden instrumentalisten en zangers uit te nodigen "pour faire le boeuf”, om te “jammen”. Het resultaat is deze cd.

Het cabaret “Le Boeuf sur le Toit” dankte zijn naam aan de Franse vertaling van het Braziliaanse liedje “o Boi no Telhado”. Darius Milhaud, die herhaalde keren in Brazilië verbleef,  richtte  in Montmartre met zijn vrienden componisten, een groep op die later  de naam “les Six” kreeg. Milhaud stelde de melodie van het liedje voor aan Jean Cocteau, als project voor een ballet concert, in navolging van het succes van Satie’s Parade. Het ballet kreeg de titel “Le Boeuf sur le Toit”. Vanaf begin 1921, speelde Milhaud samen met Georges Auric en de jonge Arthur Rubinstein, een versie voor zes handen in de “Gaya”, een bar gelegen in de rue Duphot, die toen eigendom was van een zekere Louis Moyses. De aanwezigheid van Cocteau en zijn kring maakte de  Gaya heel populair en wanneer Moyses zijn bar  in december 1921 verhuisde naar de  rue Boissy d'Anglas, werd de bar ter ere van Cocteau en zijn vrienden, de vaste klanten dus van Louis, omgedoopt tot “Le  Boeuf sur le Toit”. Milhaud maakte vervolgens tal van versies van zijn ballet concert, o.a. voor twee piano’s.

Het cabaret werd geopend op 10 januari 1922  in het 8ste arrondissement en was meteen   dé rendez-vous plaats van de Parijse kunstenaars en intellectuelen. Het werd dé melting hotspot van de Parijse jaren ‘20.

Op de openingsavond speelde de huispianist Jean Wiéner, die de uitbater Moyses  had meegenomen uit de  Gaya, Gershwin-melodieën, begeleid  op drumstel (batterie) door  Cocteau en Milhaud. Volgens de schrijver Maurice Sachs waren op de openingsavond onder meer Picasso, Diaghilev, Rene Clair en Maurice Chevalier aanwezig. Alexandre Tharaut heeft Jean Wiéner  zelf ooit nog ontmoet. Alexandre was toen acht jaar oud. Doet mij denken aan het klein jongetje met de naam Robert Stolz, dat ook ooit nog op de schoot heeft gezeten van een man met een lange baard, …Johannes Brahms.

De dadaïstische collage van Francis Picabia “L’Œil cacodylate” hing  aan de muur van Le Boeuf sur le Toit, maar het cabaret was voornamelijk gewijd aan de muziek waar les hôtes, Jean Wiéner en Clément Doucet, Bach en Cole Porter speelden,  waar de jonge,  joodse Marianne Oswald La Complainte de Mackie, La Fiancée du pirate, Le Chant des canons en Sourabaya Johnny  van Brecht en  Kurt Weill zong, en waar de black-American muziek haar intrede deed in West-Europa.

In 1928 moest  Louis Moyses  naar een nieuwe locatie zoeken voor zijn cabaret. Sindsdien  is Le Boeuf sur le Toit  meerdere malen verhuisd, maar altijd in dezelfde buurt, de buurt van de rue Boissy d’Anglas. Sinds 1941 tot vandaag bevindt het zich in de rue du Colisée en is het een “restaurant huppé”, dat is Parijs Frans voor chic. Maar de  charme, le cachet social, le milieu avant-gardiste et l’atmosphère bohème, sont malheureusement  disparus. Hélas.

Le Bœuf sur le toit was sinds de opening, hét epicentrum van het  Parijs des années folles, en was dé ontmoetingsplaats van de  beau monde en van de crème de la crème van de avant-garde: Louis Aragon,  Georges Auric,  Marcel Aymé,  Joséphine Baker,  Jane Bathori,  Tristan Bernard,  Paul Bourget,  Constantin Brâncuși,  Georges Braque, André Breton,  Albert Camus,  Georges Carpentier,  Blaise Cendrars,  Coco Chanel,  Charlie Chaplin,  Maurice Chevalier,  René Clair,  Paul Claudel,  Jean Cocteau,  Henri Collet,  André Derain, Serge  Diaghilev, Clément Doucet,  Louis Durey,  Léon-Paul Fargue,  André Gide,  Ernest Hemingway,  Arthur Honegger,  Max Jacob,  Marcel Jouhandeau,  Marie Laurencin,  Darius Milhaud,  Paul Morand,  Mistinguett,  Marianne Oswald,  Francis Picabia,  Pablo Picasso  Francis Poulenc,  Jacques Prévert, Yvonne Printemps,  Raymond Radiguet,  Maurice Ravel, Pierre Reverdy,  Alfonso Reyes,  Arthur Rubinstein, Erik Satie,  Catherine Sauvage,  Igor Stravinsky,  Germaine Tailleferre,  Tristan Tzara en Jean Wiéner, om er maar enkele te noemen…

"Deze cd, 'Le Boeuf sur le toit', swinging Paris, vol gaieté en tendre nostalgie, is compleet anders dan alles wat ik  tot nu toe heb opgenomen ", zegt Alexandre Tharaud. Terwijl hij zich met zijn vorige Virgin Classics cd’s concentreerde op Bach, Scarlatti en Chopin, presenteert hij hier  als “prince du bastringue” (dat is Parijs Frans voor volksbal),  “les fastes d’une époque révolue”, een caleidoscoop van muzikaal talent uit zowel het klassieke als het populaire milieu. Het is een hommage aan het lieu mythique des années Folles à Paris, met macédoines musicales van componisten en chansonniers tragicomiques,:  Milhaud, Gershwin, Kern , Porter, Kalman, W.C. Handy ((1873-1958), de Father of the Blues),  en vier duo’s van het  pianoduo Wiéner en Doucet, noot per noot gereconstrueerd, aan de hand van opnamen, door Frank Branley. En dan te weten dat Clément Doucet (1895-1950) een echte geboren en getogen…Brusselaar was! Nen echt Brüssels ketje. Jawel, zoals onze Toots.

"All night the saxophones wailed the hopeless comment of the "Beale Street Blues" while a hundred pairs of golden and silver slippers shuffled the shining dust. At the gray tea hour there were always rooms that throbbed incessantly with this low, sweet fever, while fresh faces drifted here and there like rose petals blown by the sad horns around the floor." (F. Scott Fitzgerald, geïnspireerd door W.W.Handy  in  “The Great Gatsby”)

Tharaud  vertelt, "Cocteau was er bijna elke avond en speelde soms drums (batterie) met de pianist en componist Jean Wiéner. De pianist Clément Doucet speelde er ook regelmatig. In het restaurant zag je er  Maurice Ravel, Erik Satie en de leden van Les Six, zoals Francis Poulenc, Darius Milhaud en Germaine Tailleferre maar ook Stravinsky. Er waren Franse populaire zangers als Maurice Chevalier, Yvonne Georges, Mistinguett, Kiki de Montparnasse en verder onder het publiek  kunstenaars als Man Ray, Picabia, Diaghilev, Coco Chanel, Georges Simenon, Andre Gide, kortom, de kunstenaars en vernieuwers van les années folles of  the Roaring Twenties.

Om de “concerts salades” van de bohême chic en de avant-garde artistique van dit “cabaret mythique d’un Paris délicieusement cosmopolite, dans l’ivresse du jazz et des musiques nouvelles”  te reconstrueren, heeft onze « aristocrate du clavier avec l’élégance cristalline » Alexandre Tharaud, voor deze cd, beroep gedaan op vrienden en collega's, une savoureuse troupe d’acteurs, de chanteurs et de musiciens. In het Engels noemt men dat “a hand-picked Group of friends and collegues”. Spreek dit uit met een Frans accent en U heeft de toenmalige internationale sfeer van Le Boeuf. « Tous les soirs au bœuf sur le toit, on prenait qui était là, et on faisait de la musique ensemble, on chantait, principalement du jazz. J’en ai donc profité pour inviter mes meilleurs amis instrumentistes et chanteurs », vertelt Tharaud.

Uit de wereld van de klassieke muziek kwamen o.a. de pianist Frank Braley ("Hij is dol op Gershwin," vertelt Tharaud), met wie hij, net als destijds zijn lerares Germaine Mounier      met Hélène Boschide dan, een duo vormt, de slagwerker van het Orchestre National de France Florent Jodelet, en Nathalie Dessay om een trompetpartij uit een blues van Jean Wiéner als chanson sans paroles te “zingen”.

Uit de wereld van de jazz en de populaire muziek kwamen de gitarist David Chevalier (hier voor de gelegenheid op banjo, want iemand als de Amerikaanse banjospeler Vance Lowry was een geziene gast in Le Boeuf), en drie singer-songwriters: Madeleine Peyroux, een Amerikaanse uit New York maar van Franse afkomst, om “Let’s do it” van Cole Porter te zingen, en twee Franse chansonniers, Juliette en Bénabar. De volslanke Juliette verleent haar stem om de “gouaille mélancolique et railleuse”,  “J’ai pas su y faire” van de Belgische Yvonne George en Maurice Yvain te zingen. Yvonne George stond  model  voor “Barbara” in “Le Vin est tiré”, van Robert Desnos en  Maurice Yvain, de componist van o.a. “Mon homme” was de pianist van het Parijse cabaret “Quat'z'Arts”.  Bénabar (eigenlijk Bruno Nicolini) brengt met het juiste, aanstekelijke  accent, “Gonna get a girl” van Maurice Chevalier. Met Bénabar   bracht Alexandre Tharaut overigens reeds een huldeconcert aan de joods-Parijse zangeres Monique Andrée Serf, bekend als…Barbara. De acteur Guillaume Galliene, verbonden aan de Comedie-Française, brengt “Henri, pourquoi n’aimes-tu pas les formes”, een echte « bouchée des paroles délicieusement irrévérencieuses »,  als voorbeeld van de chansons stupides et  scabreuses van de ooit legendarische Charles Armand Ménard uit de volkse rue Château-Landon in  Parijs (10ème), bekend als  Dranem (1869-1935).

Alexandre Tharaud ziet  deze cd  als een eerbetoon aan zijn grootvader, Charles  Auvergne, een klassieke violist van het Orchestre Colonne, die in de jaren ‘20 in  bioscopen, dansorkesten,  brasserieën en in  opnamestudio’s  zangers begeleidde, en die deel uitmaakte van het legendarische orkest van de oom van Sacha Distel, Ray Ventura (et ses collégiens). "Tout va très bien, Madame la Marquise", "Qu'est-ce qu'on Attend Pour être Heureux", "Ça Vaut Mieux que d'Attraper la Scarlatine", weet U nog? « Mijn grootvader was een all-round muzikant," vertelt  Tharaud, "en ik hou van het idee van een muzikant die alle genres  speelt, van een  eenvoudig, populair liedje in het Petit café, tot een  concerto van Rachmaninov.”

Alexandre Tharaud (Parijs °1968), gevormd door Theodor Paraskivesco, Claude Helffer, Leon Fleisher en Nikita Magaloff, speelt meer dan perfect piano. Zijn articulatie kan niet duidelijker, zijn fraseringen kunnen niet zachter en vloeiender, zijn expressie, in dit geval humor, is aanstekelijk, zijn sonoriteit klinkt zoals de laatste nieuwe parfum van Dior geurt, en  zijn speelse, ongedwongen, eerder elegante virtuositeit, charmeert zoals alleen Parijse vingers dat kunnen. Alexandre Tharaut et ses copains maken op deze cd van de piano een toverkast uit het Musée Grévin. Daarmee brengen  zij het bruisende leven van het ooit legendarische cabaret, nostalgisch weer tot leven. Merci, Alexandre et, merci mille fois, les copains. Bravo!