Cardillac van Paul Hindemith uitvoeren, is een hele uitdaging. Het werk is nauwelijks bekend, en kan dus bezwaarlijk als publiekslieveling gecatalogeerd worden. De periode schrikt veel “traditionele” operaliefhebbers wellicht enigszins af, want het werk zit noch in het barokke, noch in het belcantorepertoire. Maar de echt geïnteresseerde toeschouwer kijkt er misschien des te meer naar uit om dit werk eindelijk eens live mee te maken.

De Duitse componist Paul Hindemith is geboren in 1895 en studeert viool en compositie. Hij speelt een aantal jaren als violist in het orkest van de opera van Frankfurt en ook in een kwartet. In 1926 gaat Cardillac in première in Dresden. Als verdediger van de hedendaagse muziek wordt hij in 1927 professor compositie aan de Hochschule für Musik in Berlijn. Hij schrijft zijn opvattingen over muziek ook neer in een theoretisch werk, Unterweisung in Tonsatz. Vanaf 1933 – met de invoering van het nazisme – resideert hij vooral in het buitenland. Na drie eenakters die hij in de jaren ’20 componeerde, wordt hij immers al gauw als “entartet” gecatalogeerd. Bovendien is hij gehuwd met de Joodse Gertrud Rottenberg. Vanaf 1940 verblijft hij in de Verenigde Staten, waar hij professor wordt aan de universiteit van Yale. In 1949 keert hij terug naar Duitsland, maar hij vestigt zich in 1953 in Zwitserland. Hij overlijdt in 1963 in Frankfurt. Behalve Cardillac geniet ook Mathis der Mahler, zijn opera die in 1938 in première ging, een langzame heropleving in het repertoire. Deze opera componeerde Hindemith als metafoor om zijn protest en ergernis over de Nazi-aanpak van kunstenaars aan de kaak te stellen.

Heilige waazin in sober decor

Cardillac is een geniaal juwelier die geen afstand kan doen van zijn kunstwerken en de kopers telkens vermoordt om zijn kunstwerk terug in eigen bezit te krijgen. Tegelijk is hij dus een geniaal crimineel. De hele stad is in rep en roer door de serie moorden en wil de moordenaar vatten. Zijn dochter houdt van een officier die als verlovingsgeschenk een gouden ketting koopt bij haar vader en hem ontmaskert als de moordenaar. Cardillac onthult de waarheid en wordt door de menigte gelyncht, zelfs al probeert de officier hem te beschermen met de stelling dat hij ten prooi was aan “heilige waanzin”: “Er war das Opfer eines heil’gen Wahns”.

Het is alweer van september 2009 geleden dat we in Opera Vlaanderen nog een regie aangeboden kregen van Guy Joosten (Wozzeck van Alban Berg). Ondertussen was hij in eigen land wel nog herhaaldelijk te gast in de Muntschouwburg. Voor de nieuwe productie die hij hier presenteert, zitten we dus dicht bij de periode van Alban Bergs Wozzeck. In elk geval dichter dan bij de schitterende Mozart-reeks die van deze regisseur in ons geheugen gegrift staat.

De voorstelling van Cardillac begint heel sober met simpelweg de titel op het doek. Het lijkt wel meteen een manifest van de compactheid en nuchterheid waarmee Guy Joosten de opera in de stijl van Neue Sachlichkeit wil aanpakken. Enigszins filmisch ook, want de beginscène is een prachtig tafereel van het koor dat de moordpartijen in de stad aanklaagt, in jaren ’20 zwarte kledij. Vooral het zeer geslaagde spiegeleffect in het decor doet heel filmisch aan. Ook het optreden van het koor op het einde van de voorstelling behoort tot de best geslaagde passages uit de opera.

De hele voorstelling is gezet in een sober, bijna kubistisch zwart decor met verschillende niveaus die op een verrassende manier boven elkaar of over elkaar worden geschoven, als in sommige etsen van Frans Masereel – een perfecte tijdgenoot van Hindemith. Visueel een mooi spektakel, waarbij het zwart enkel doorbroken wordt door de massa goud die op het einde van het eerste bedrijf als een tros worsten neergeploft wordt. Goud dat in het tweede bedrijf door een handelaar bestempeld wordt als vals, waarbij Joosten met een knipoog inspeelt op de Antwerpse diamantscène: de handelaar is hier immers een erg orthodox uitziende Jood.

Te weinig psychopaat

In de personenregie zijn vooral de typering van de dochter van Cardillac en haar officier geslaagd, waarbij de dochter (Betsy Horne) ondanks de nuchterheid van tekst en muziek toch een zekere tederheid uitstraalt en de officier (Ferdinand von Bothmer) karaktervol en verzekerd optreedt. Ook vocaal zijn zij bewonderenswaardig knap. De dame in het eerste bedrijf wordt als een hoertje getypeerd die zich door de cavalier voor een juweel laat omkopen. Haar sexy verschijning wordt jammer genoeg wat stuntelig geacteerd want een mislukte paal, waar ze tegen aanschurkt, stoort meer (en staat wankel!) dan dat hij erotiek uitstraalt.

Maar dit is nog maar een detail tegenover de uitbeelding van Cardillac zelf. Joosten ziet hem blijkbaar meer als een carnavaleske verwaande nietsnut dan als een getormenteerd kunstenaar. Hij komt in deze regie helemaal niet uit de verf als een in zichzelf opgesloten neurotisch man die zo bezeten is van zijn kunst dat hij tot criminaliteit gedreven wordt. Heeft Joosten zich voor zijn personage laten inspireren door de novelle van Hoffman, Mademoiselle de Scudéry, dat aan de basis ligt van het libretto van Hindemith en teruggegrepen naar de tijd van de 17de eeuw? Hij ziet eruit als een Louis XIV in het ridicule en straalt dus helemaal niets uit van het getormenteerde en waanzinnige dat klinkt uit de muziek waarmee Hindemith hem typeert. Het moet voor Simon Neal des te benarder zijn de zware partij te zingen. En al komt zijn personage te weinig uit de verf, we kunnen hem daarom alleen maar bewonderen.

Boeiende muziektaal

Hindemith pleit met zijn opera voor een nieuwe aanpak van de muziektaal, nog wel tonaal maar weg van sentiment en pathos. Romantiek en belcanto zijn niet aan hem besteed. Hij kiest voor een muziektaal die snedig en gevat is. Geen emotionele strijkers, maar puntige klanken van slagwerk en kopers. Toch gooit hij niet de hele traditie overboord. Zo past hij waar het hem gepast lijkt bepaalde stijlkenmerken van de barok en van Bach toe. Het begin van het tweede bedrijf bijvoorbeeld biedt een reeks knappe en dramaturgisch zeer efficiënte fuga’s. In het derde bedrijf zit dan weer een passacaglia vol ritme en levendigheid. En de slotmuziek laat een aangrijpend polyfoon lamento horen. De dochter van Cardillac zingt een bijna traditionele aria, maar dan wel ondersteund door hobo en slagwerk.

De zangstijl is meestal eerder Sprechgesang, en aangezien de orkestratie nauwelijks lyriek toelaat, moet het voor de zangers een hele krachttoer zijn om de teksten te memoriseren. De muziek is sterk gestructureerd in korte passages, die ook hun emotioneel effect hebben, maar op een andere manier dan we in de opera gewoon zijn. Deze opera op de scène meemaken, is auditief alvast een boeiende ontdekkingstocht die je, indien je er open voor staat, als toeschouwer evengoed meesleept als een traditioneel werk. We kregen van Dmitri Jurowksi en het orkest van Opera Vlaanderen alvast een zeer nauwkeurige en geëngageerde uitvoering te horen, met knappe passages van tenorsax, hobo en slagwerk – om maar deze te noemen. Muzikaal een absolute topvoorstelling.


  • WAT: Paul Hindemith (1895-1963) | Cardillac
  • REGIE: Guy Joosten
  • STEMMEN: Simon Neal, Betsy Horne, Ferdinand von Bothmer, Theresa Kronthaler, Sam Furness, Donald Thomson
  • ORKEST: Symfonisch Orkest Opera Vlaanderen & Koor Opera Vlaanderen o.l.v. Dmitri Jurowski
  • WAAR: Opera Vlaanderen, Antwerpen
  • WANNEER: dinsdag 5 februari 2019 (voorstellingen nog tot 12 februari in Antwerpen. In Gent van 21 februari tot 3 maart 2019.)
  • FOTO: © Annemie Augustijns