***** Hoewel niet echt essentieel binnen de esoterische antroposofie had Rudolf Steiner het toch regelmatig over wat hij “muzikale verschijnselen” noemde. 

***** Hoewel niet echt essentieel binnen de esoterische antroposofie had Rudolf Steiner het toch regelmatig over wat hij “muzikale verschijnselen” noemde.

Deze wereldberoemde onderzoeker van de menselijke geest sprak dan over de geestelijke realiteit van de muziek en over hoe muziek het menselijk leven beïnvloedt. Wanneer de mens zingt bijvoorbeeld?

Rudolf Steiner (1861-1925) wilde natuurwetenschap en geesteswetenschap met elkaar verbinden en was de menig toegedaan dat kennis vanuit waarneming aangevuld moest worden met kennis van de geestelijke werkelijkheid door persoonlijke ervaring. Nooit ideeën overnemen die je niet vanuit je eigen ervaring kan onderbouwen, zo stelde hij.

Waar de esoterische theosofie zich eerder richtte tot Indische godsdiensten, ontwikkelde Steiners antroposofie een leer waar opnieuw plaats was voor de  christelijke reïncarnatie-idee. Voor Steiner was bron en kern van alles wat bestaat geestelijk. Onze wereld is een incarnatie van de geest. Het geestelijke element in ieder mens blijft in contact met de geesteswereld en keert bij het afleggen van het aardelichaam terug naar de geesteswereld in afwachting van een reïncarnatie. In de tussentijd, de tijd tussen de dood en een volgende geboorte, leeft de ziel/geest in de geestelijke wereld en doet daar nieuwe inspiratie op voor een volgend materieel bestaan. In die zin schreef ook Mieke Mosmuller haar schitterend boek. In haar inleidende Gedachten over de context lezen we dat ze in de volgende hoofdstukken uitgaat van de idee van reïncarnatie en karma (daad en gevolg).

Uitdrukking van de geestelijke werkelijkheid

Net als Heidegger, zocht ook Steiner opnieuw aansluiting met de rijkdom van de Oudheid omdat in de Oudheid, zo was men van mening, mensen zich bewust waren van de eenheid van de materiële en de geestelijke wereld en ze in heel de materiële wereld ook de aanwezigheid van de geestelijke werkelijkheid zagen.

Die eenheidsbeleving is stilaan verloren gegaan en in de moderne tijd heeft dat zelfs geleid tot de ontkenning van de geesteswereld bij veel denkers, wetenschappers en een groot deel van de mensen in het algemeen. Dat, aldus Steiner, is de diepste oorzaak van het wijdverspreide onbehagen van mensen en van de oorlogen die Europa en de hele wereld hebben verscheurd. Volgens Steiner moest de eenheid van geest en materie herontdekt en dus opnieuw ervaren worden als een occult-astrale evolutie. Dit zou leiden tot de ware eenheid van mensen. Het scheppen van kunst was voor hem daarbij van groot belang omdat mensen in kunst de materie omvormen tot uitdrukking van de geestelijke werkelijkheid. Dit gebeurt het meest en het best wanneer de mens muziek ervaart.

Muziek

Hoe komt het dat dit abstract verschijnsel, bestaande uit pure klank, ons toch zo kan ontroeren en vervoeren?

Als ingewijde in de leer van Arthur Schopenhauer die vond dat muziek het antwoord is op het mysterie van het leven, muziek de meest diepzinnige van alle kunsten is, dat muziek de diepste gedachten van het leven uitdrukt, was muziek voor Steiner de meest directe en intense vorm waarin het geestelijke zich incarneert. Minder dan andere kunstvormen is muziek bepaald door het materiële.

Muziek is een afspiegeling van de geestelijke oorsprong van de mens. Dat is de reden waarom muziek ook op de meest eenvoudige ziel zo diep inwerkt. Het nadenken over muziek stond volgens Schopenhauer in direct verband met het geheim van de wereld en net omdat muziek de verschijnende wereld niet uitbeeldt, maar datgene is waarvan de wereld de verschijning is. Muziek spreekt uit het hart der dingen, ze is het klinkend Ding an sich, niet de waarneming van de verschijning ervan, maar het ding zoals het op zichzelf bestaat. Ook Nietzsche hechtte de grootste waarde aan muziek: "Zonder muziek zou het leven een vergissing zijn”.

Zingen is de oervorm van de muziek

Steiners vertrekpunt was dat het menselijk spreken uit een zang-taal is voortgekomen: “In de loop van de historische ontwikkeling van de mensheid is de taal voortgekomen uit iets wat oorspronkelijk een zang-element was. Hoe verder we teruggaan in voorhistorische tijden, des te meer lijkt het spreken op het recitatief en tenslotte op zoiets als zingen. In een heel ver verleden vertoonden de uitingen van de mens in klank en toon geen verschil tussen zingen en spreken. Ze waren één.”

Steiner wees ook terecht op de grote eenheid van spreken en zingen in het Grieks drama en hun ritmisch bewegen in de dans – euritmie. Maar zoals alles in ons leven is ook het zingen een voorwerp van menselijke techniek geworden. Dit is niet goed. Dit houdt het gevaar in dat we het zingen losmaken van zijn bron. Zingen is de oervorm van de muziek. Het zingen van klinkers, de vocalen, is daarbij het meest geestelijke element, het lichaam vormt de medeklinkers (consonanten). Wanneer we vocaliseren, drukken we eigenlijk dat wat in de ziel leeft naar het lichaam toe, terwijl het lichaam het muziekinstrument vormt. Omdat we op aarde alleen door middel van lucht kunnen spreken en zingen, vinden we in de luchtvorm van het toonelement de aardse afspiegeling van iets wat in feite een zielsgebeuren is. Het zielskarakter van de toon maakt in feite deel uit van de bovenzinnelijke wereld. En wat hier in de lucht leeft is in de grond van de zaak het lichaam van de toon. Magnifiek. Lees daarom misschien meteen bladzijde 309.

Stromende tonen in een diepe stilte

Dat de mens in staat is muziek te maken, te zingen en ernaar te luisteren, lag volgens Steiner aan het feit dat de mens de klanken al in zich heeft. Bij zijn geboorte krijgt hij die nl. mee vanuit de geestelijke wereld die vol stromende tonen is in een diepe stilte. Gedurende de nacht verblijft de mens ook in deze geestelijke wereld en vernieuwt daar zijn kracht om de tonen tot klank te brengen in zijn lichaam. Dat verklaart het aangenaam gevoel dat mensen hebben bij het zingen, tenminste wanneer het zingen gebeurt vanuit deze geestelijke kracht en niet vanuit een zuiver lichamelijke inspanning. De creatieve muziektherapie als preverbale psychotherapie is dan ook mede door de antroposofische geneeskunde tot ontwikkeling gekomen.

Het magistraal boek van Mieke Mosmuller verschilt van de andere, recente Steiner biografieën, geschreven door Zander, Gebhardt en Ullrich. De grondslag van haar boek wordt gevormd door het meditatieve beleven door een jonge ziel van de spirituele weg, door het meeleven, meedenken en meelijden van de gereïncarneerde vrucht van Steiners leven, als eigenaar en erfgenaam van haar daden.

Haar boek  is verdeeld in zeven delen. In het eerste deel, De Filosoof, komen Goethe en de Filosofie der Vrijheid aan bod. Dit deel eindigt met het goddelijk-geestelijke in ieder mensenziel afzonderlijk, materie en vorm. In deel II, De Heilige Filosoof, gaat het over heilige filosofie, Orpheus en Euridyce, het mysterie van Golgotha en de heiligheid van een ingewijde. In Deel III, De ingewijde – de ‘Meester van het Avondland’, gaat het over de omstandigheden, overgang naar de theosofie, overdracht van de gave, het rozenkruis, de Akasha-kroniek, de wachter aan de drempel, de werkzaamheid in de theosofische vereniging, de kunst en de euritmie.

In de twee volgende delen vertelt Mieke Mosmuller over de antroposofie. In deel IV, Antroposofie, heeft ze het over Johannesbouw – Goetheanum, de Eerste Wereldoorlog, de menselijke driegeleding (het verrezen dualistisch denken) en de mensheidsrepresentant. In Deel V, Anthroposofie en de wereld, heeft ze het over  de driegeleding van het sociale organisme (het geestesleven, cultuur, het rechtsleven en het economisch leven. De Vrije School, geneeskunde en de christengemeenschap. Deel VI, De Strijd met de tegenmachten, gaat over  oudejaarsnacht 1922/1923. De brand van het Goetheanum, het jaar 1923, he Weihnachtstagung 1923/1924, karma en reïncarnatie, de nieuwe mysteriën. De Vrije Hoge School voor Geesteswetenschap, de laatste toespraak en ten slotte over de tijd van het ziekbed en de antroposofische grondbeginselen.

Het zevende en laatste deel, De Levende Rudolf Steiner, bevat beschouwingen over  afscheid van het werken op aarde na de 30ste maart 1925. De levende Rudolf Steiner en de verschijning van Christus in de etherwereld. De grondsteenspreuk in het Duits, het Nawoord en Literatuur met het overzicht van Steiners bijdragen tot de Goethe uitgaven (Goethe Ausgabe-GA) en overige literatuur over Steiner, besluiten dit heel, heel  bijzonder boek.

Rudolf Steiner over muziek

Wie de teksten van Steiner over muziek wil lezen, kan terecht in de uitgave van Vrij Geestesleven/Christofoor, voorzien van een interessante inleiding en nawoord door musicus, auteur en uitgever Frank Berger. Dit boek bevat de teksten van de verschillende voordrachten, behandeling van vragen en toespraken die Steiner in 1906 en begin jaren ’20 in Berlijn, Keulen en Dornbach gaf en die uitgegeven werden als ‘Das Wesen des Musikalischen und das Tonerlebnis im Menschen’.

U vindt daarin Steiners diepgaande beschouwingen over o.m. de essentie van verschillende interval-belevingen, toon en woord als uitdrukkingsvormen van de mens, oervormen van taal en zang, het menselijk organisme als muziekinstrument, het wezen van de muziek, Schopenhauers opvattingen als vertrekpunt voor een geestelijke beschouwing van muziek, de overerving van muzikale en wiskundige begaafdheden in de families Bach en Bernoulli, opvattingen van Goethe over de kunst en van Schopenhauer over de  bijzondere plaats van de muziek, de uitwerking van deze beschouwing bij Richard Wagner, de betekenis van de muziek vanuit geesteswetenschappelijk standpunt, toonstelsel als gevolg van een nieuwe beleving van de afzonderlijke toon, de beleving van de afzonderlijke toon, relaties tussen kleur, taal en zang, Goethes verhouding tot de toonleer en de rol van de muziek in oude culturen.

Frans van Bussel en Marja van de Vossenberg tekenden voor de puike, Nederlandse vertaling. Beide boeken zijn warm aanbevolen. Zeker lezen.