Wat valt er te begrijpen? Hoe groen klinkt een gitaar? Wie schreef het requiem van Mozart? Afgaande op de titels van zijn recente publicaties lijkt Pieter Bergé nog meer van vragen dan van antwoorden te houden?

Hoe groen klinkt een gitaar? is een wandeling door de geschiedenis van de klassieke muziek bedoeld voor alle Liebhaber, ook voor jongeren vanaf 14 jaar. Passende luistervoorbeelden zijn te vinden op de bijhorende Spotify-playlist. Het laatste hoofdstuk draagt de prikkelende titel ‘Opgelet! U betreedt de twintigste eeuw’. De periode waarvan nogal wat mensen denken dat die vooral ‘moeilijke’, weerbarstige muziek heeft voortgebracht waar ze naar eigen zeggen niets van begrijpen. In het essay ‘Wat valt er eigenlijk te begrijpen?’ voor Beethovenliefhebbers en Schönberghaters spreekt niet zozeer de docent muziekgeschiedenis als wel Pieter Bergé, de programmator. Hij wil de moedige luisteraar een hart onder de riem wil steken, hij of zij die bereid is met nieuwe oren te luisteren naar muziek die minder of helemaal niet vertrouwd klinkt. Wil die 20e eeuw, met haar muziek die op eigen risico te betreden is, nu net het terrein zijn van Festival 20-21 in Leuven waarvan Pieter Bergé sinds 2015 curator is.

Ich fühle luft von anderem planeten

Tijdens de jongste editie speelde het Danel Kwartet één van de late Beethovenkwartetten  en het tweede strijkkwartet van Arnold Schönberg, dat bij zijn première in 1908 voor een ‘Skandalkonzert’ zorgde. Was dit nog wel muziek? Tijdens de uitvoering klonk er Indianengeroep, wellicht te vergelijken met de oerwoudgeluiden die tegenwoordig Lukaku over zich heen krijgt. Één van de concertbezoekers vroeg om de vensters open te gooien, voor ze met het stuk van Beethoven begonnen (nvdr.: het tiende strijkkwartet van Beethoven, het zogenaamde Harpkwartet). En een criticus kloeg over de fysieke pijn die deze muziek hem bezorgde. “In zijn tweede strijkkwartet heeft Schönberg de grenzen van de tonale klankwereld opgezocht”, legt Pieter Bergé uit, “de eerste drie delen zijn nog in een bepaalde toonaard geschreven, het laatste deel niet meer. Alsof één en hetzelfde schilderij zowel figuratief als abstract zou zijn”. Ook revolutionair was het om in de laatste twee delen een sopraan aan het strijkkwartet toe te voegen die gedichten van Stefan George zong. Deze nieuwe muziek leek van een andere planeet te komen. Net zoals de verdedigers van Schönberg in 1908 al deden, maakt Pieter Bergé duidelijk dat het tweede, grensverleggende strijkkwartet nochtans een grote verwantschap met Beethoven vertoont, dat Schönberg met andere woorden nog een conservatieve revolutionair is. En dan te bedenken dat het publiek bij de (late) Beethovenkwartetten het spoor ook al bijster was en verklaarde ‘er niets van te begrijpen’. Sommigen dachten dat het met Beethovens doofheid te maken had.

Hij zegt het niet letterlijk, maar tussen de regels lezen we dat Pieter Bergé de kloof tussen de muziek en het publiek betreurt, een kloof die nooit zo groot is geweest als de laatste eeuw. Is het  essay in kwestie dan misschien therapeutisch bedoeld, om de kloof te helpen dichten?

PB “Ja, ik betreur die kloof, vooral omdat ik het gevoel heb dat het publiek dat zelf ook erg jammer vindt. Ik heb het niet eens over de onverschilligen, want die komen al lang niet meer. In de concertzaal horen we zo vaak de zogenaamde vijfsterren-composities dat mensen zich nestelen in een beeld van klassieke muziek, dat zich in een ver verleden situeert. Anderzijds horen ze al bij al veel meer 20e eeuws repertoire dan ze beseffen. Britten, Sjostakovitsj, Janaček, … grote orkesten programmeren voor 20 % muziek van de 20e eeuw, niet slecht. En toch blijft er rond die moderne muziek een ‘moeilijk’ aura hangen. Van zodra iets een beetje tegendraads wordt haakt het traditioneel publiek af, terwijl in de schilderkunst werken die niet ‘mooi’ zijn, maar expressief wél fascineren. Muziek is daar uniek in, misschien omdat ze veel dwingender is, je moet van begin tot einde luisteren. Of misschien luisteren we niet op de juiste manier. Als Schönberg in zijn vroege atonale werken helemaal geen samenhang, geen harmonie, geen melodie … wil, waarom zouden wij die dan per se willen beluisteren? Bij hedendaagse muziek raad ik de luisteraar aan om geen verwachtingen te hebben en eens goed verloren te durven lopen. Ik geloof heel erg in het aanleveren van een geschikte luisterhouding. Het optimaliseren van de intensiteit van de luisterervaring, dat is mijn passie.

CDW Om er uiteindelijk meer van te genieten?

PB Nee, het gaat om intensiteit, ‘genieten’ laten we dat maar voor de sauna houden.

CDW Zijn jonge kinderen die nog onbezoedeld in hun oordeel zijn in zekere zin betere luisteraars dan het traditionele concertpubliek?

PB Niet gehinderd door enige opleiding produceert een jong kind volstrekt atonale clusters op de piano en het wordt daar niet door afgeschrikt, het ervaart op dat moment een klankenwereld. Voor het concertpubliek is niet langer KLANK de norm geworden maar het klassieke, romantische repertoire. Dat is nochtans maar één van de vormen om structuur aan die klank te geven, naast bijvoorbeeld het spectralisme, de Rock-‘n-roll of de Indische muziek, …  Componisten zijn klankboetseerders. Neem nu Portulan (*) van de Franse componist Tristan Murail (° 1947) , dat is één lange variatie in 8 delen op de klank van de wind aan de kust. Een goede componist boetseert daar muziek uit, uit een klank die bovendien heel dicht bij de Natuur staat, bij ons dus. Maar we maken het gecompliceerd  als we vinden dat muziek vanuit een constructie moet vertrekken, terwijl het eigenlijk de klank is die gestalte krijgt. Kinderen staan nog  onbevangen tegenover dat oer-gegeven. Helaas, zodra ze naar de (muziek)school gaan slaat de dictatuur van de drieklank toe, die nu eenmaal in onze cultuur ingebakken zit. Door de kennismaking met hedendaagse muziek te lang uit te stellen creëren we net een kloof, terwijl we ze dicht zouden moeten houden voor ze vanzelf ontstaat.

(*) een portolaan is een oude, maritieme atlas met daarop o.m. de kustlijnen. 

CDW Om het te zeggen met de titel van een standaardwerk over 20e eeuwse muziek The rest is Noise van Alex Ross : zijn er momenten waarop u nieuwe muziek ook als lawaai ervaart?

PB “Jawel, hoor. Maar er is bijvoorbeeld ook ongelooflijk veel slechte Barokmuziek die toch vaak gespeeld wordt, omdat ze nu eenmaal makkelijk naar binnen schuift. De kritiek dat de hedendaagse muziek het experimenteel niveau vaak niet overstijgt, klopt voor een deel. Al moet een echte componist het experiment door zijn vertelkracht, door de juiste spanningsbogen naar een hoger niveau tillen. Iets wat ik in veel nieuwe muziek mis. Het  innerlijk oor van componisten schiet soms gewoon tekort, daarom sturen ze al door de eeuwen heen hun werk bij na een eerste repetitie of uitvoering. Daarom vind ik het Transit-festival, waarvan Maarten Beirens curator is, een fantastische plek. Er hangt een andere sfeer dan in het concertgebeuren, het is eerder een laboratorium met proefopstellingen. Een mogelijke mislukking hoort erbij, dat is geen ramp.

Het festival-essay. Een nieuwe traditie?

Het schrijven van sprookjes voor kinderen en hun ouders en een muziekgeschiedenis voor de jeugd is een stijloefening die Bergé alleen maar goed heeft gedaan. Het Beethoven-Schönberg essay is zo toegankelijk en direct dat u de indruk hebt dat u met de auteur aan tafel zit te praten. Het is het tweede festivalessay nadat Alicia Geschinska in 2018 haar gedachten liet gaan over de rol van muziek in onze persoonlijke en morele ontwikkeling, muziek als een étude in Menschwurdung. Of dit nu het prille begin is van een traditie weet het festival zelf niet. Al zou ik graag suggereren voor 2020 een springlevende componist uit te nodigen om te schrijven over zijn of haar kijk op de kloof tussen de nieuwe muziek en het publiek. Heeft hij of zij daar een verantwoordelijkheid in? Voelt de componist zich soms net zo geïsoleerd als Schönberg beschrijft in How One Becomes Lonely (1937)? Er zijn er wel meerdere die met plezier ‘ja’ zouden zeggen op zulk een opdracht. Als concertganger zou ik de organisatoren van 20-21 nog willen voorstellen om een ‘nieuwer’ werk op één avond twee maal uit te voeren. Aile du songe van Kaija Saariaho, de vijfde van Sibelius en daarna nog eens Saariaho, om de intensiteit van mijn luisteren te bevorderen. Deze formule was in de jaren ‘20 van de vorige eeuw al gebruikelijk in het Verein für musikalische Privataufführungen dat Arnold Schönberg samen met Alban Berg en Anton Webern oprichtte. Zo gaan ze in Japan ook om met een ‘moeilijk te begrijpen’ genre als de haikoe, hij wordt steevast twee maal gelezen.

Veel kans, lezer, dat u niet meer hoeft te worden overtuigd en dat Pieter Bergé grotendeels voor eigen kerk preekt. U heeft al lang geen was meer in de oren, maar levert u over aan de nieuwe zang van de Sirenen, toch? Een sluitend antwoord op de vraag wat er te begrijpen valt, krijgen we gelukkig niet. Wel boeiende gespreksstof en munitie voor discussies onder vrienden rond die ontoegankelijke, moderne muziek. Laat het ook een aanmoediging zijn om dit terrein verder te verkennen, zodat we binnen afzienbare tijd meer hedendaagse muziek terugvinden op hoge plaatsen in KLARA’s top 100. Bovendien is dit essay even aantrekkelijk en verzorgd uitgegeven als de programmaboekjes van het festival. Inhoudelijk zit hier beslist nog een heel boek in, hopelijk komt dat er ooit.


  • WAT: Wat valt er eigenlijk te begrijpen?
  • WIE: Pieter Bergé is professor muziekgeschiedenis aan de KU Leuven en sinds 2015 artistiek directeur van Festival 20-21. Van zijn hand verschenen recent : Wie schreef het requiem van Mozart? Amsterdam University Press, 2018 – Hoe groen klinkt een gitaar? Lannoo, 2019 – Er was eens, 8 sprookjes voor kinderen en hun ouders geïllustreerd door tekenares Sassafras De Bruyn. Acco, Leuven.
  • UITGEVERIJ: Peeters, Leuven. Te verkrijgen bij de betere boekhandel of online te bestellen bij De Standaard Boekhandel