Auteur Dr. Emanuel Overbeeke

Het gezelschap Camerata Trajectina, dat onlangs veertig jaar bestond, neemt in het Nederlandse muziekleven een unieke plaats in. Het heeft zich van meet af aan ingezet voor repertoire dat tot dan toe nauwelijks op concerten en elders te horen was: Nederlandse muziek uit de periode 1500-1650.

Die muziek was in Nederland voor 1970 weliswaar niet helemaal onbekend, maar de boeken en experts op dit terrein richtten zich vooral op de hoge kunst, meestal van religieuze aard. Camerata Trajectina richtte en richt zich op allerlei andere muziek: onder meer muziek van de straat, muziek passend bij allerlei gebeurtenissen en gelegenheden, muziek rond dichters, meer ‘volkse’ en minder ‘verheven’ uitingen van geloof.

Vanuit dit ‘basisrepertoire’ werden ook ‘omringende programma’s’ bedacht en gerealiseerd zoals bijvoorbeeld muziek van Obrecht met nieuwe teksten van Gerrit Komrij, een nieuwe productie van Nederlands eerste opera uit 1678 (De Triomfeerende Min van Carolus Hacquart), samenwerking met andere gezelschappen. Nederland werd verruimd tot ‘De Nederlanden’ en seculiere muziek was minstens zo prominent in het repertoire aanwezig als de religieuze. Door de vele concerten, lp’s en cd’s heeft de groep dit gebied resoluut onder de aandacht gebracht van een niet-wetenschappelijk publiek, terwijl de artistiek leider van de groep Louis Grijp in zijn functie van musicoloog in zijn vele wetenschappelijke publicaties in staat was dit gebied op een wetenschappelijke manier te behandelen. De groep is daarmee een mooi voorbeeld van wat de samenwerking tussen wetenschappers en musici idealiter kan opleveren. De toekenning van Visser Neerlandia-prijs bij het veertigjarig bestaan eind vorig jaar was dan ook volkomen terecht.

Jubileumboek

Bij het jubileum verscheen een jubileumboek, geschreven door Jolande van der Klis, die eerder uitvoerig publiceerde over de geschiedenis van het Festival Oude Muziek Utrecht en over zijn voorgeschiedenis in Nederland toen oude muziek nog het domein was van een handvol pioniers die door buitenstaanders op zijn best met verbazing werden aangekeken. Van der Klis’ nieuwe boek lijkt op haar vorige twee: het is vlot en journalistiek geschreven, geeft wel veel informatie maar lang niet altijd een onderbouwing (oral history lijkt haar voornaamste bron), maakt human interest minstens zo belangrijk als beleidszaken (bijna iedereen wordt na eerste vermelding steevast aangeduid met louter de voornaam), is sterk anekdotisch van karakter, brengt grote lijnen op onnadrukkelijke wijze en benadrukt sterk het ooit rebelse karakter van de muziek en de musici.

De eerste leden van Camerata Trajectina (onder wie Jan Nuchelmans, Ingrid Smit Duyzentkunst, Jos van Veldhoven en Louis Grijp) hoorden tot de eerste generatie voor wie oude muziek populair was en tegelijk symbool stond voor sociale en artistieke rebellie. Het repertoire was toendertijd nieuw voor velen, de uitvoeringspraktijk ervan stond nog in de kinderschoenen en de cultuur eromheen was die van vergaande anarchie. Die eigenschappen zouden ondanks de met de jaren gegroeide institutionalisering niet helemaal verdwijnen. Anarchie betekende voor de één vooral vrijheid en improvisatie, voor sommige critici eerder rommeligheid en amateurisme.

Met het professionalisme groeide ook de identiteit van het repertoire, de klank van het gezelschap, maar het bleef jarenlang lastig de financiering van de activiteiten rond te krijgen. Pas in 2005 kreeg het gezelschap een meerjarige subsidie (die grotendeels opging aan organisatiekosten), zodat voor projecten extra ondersteuning nodig bleef. De klap als gevolg van de kaalslag van staatssecretaris Halbe Zijlstra kon de groep gedeeltelijk opvangen doordat de groep in 2013 succesvol inspeelde op de herdenking van de Vrede van Utrecht in de vorm van vele concerten en een van zijn vele cd’s.

Het boek lijkt vooral bedoeld als een plaatjesboek voor wie erbij betrokken was en wie herinneringen wil ophalen aan concerten, studio-opnamen, interne kwesties, oud-collega’s, al dan niet overleden, relaties met notabelen en heerlijke anekdotes (de eerste luit die Louis Grijp kocht was aldus Grijp ‘echt een verschrikkelijk slecht instrument, met het portret van Wagner in het rozet’). Wie niet tot de club behoort, krijgt een aardig beeld van de mensen, de sfeer, het repertoire (in de vorm van een zeer welkome lijst van alle concerten, lp’s en cd’s), de uitvoeringspraktijk en de reacties erop in de pers. Wat wel wordt aangestipt en helaas niet uitgediept (zoals bijna alle in het boek besproken aspecten), is de invloed van het gezelschap (en dan met name van de artistiek leider Louis Grijp) op de benadering van muziek in een bepaalde periode, niet alleen door musici, maar ook door musicologen.

Het gezelschap heeft op zijn terrein de kloof verkleind tussen hoge en lage kunst en aangegeven dat de ene voor een goed beeld van een periode even onmisbaar is als de andere en dat tussen de twee vaak vele relaties bestaan. De uitvoeringen en de toelichtingen erbij maken de muziek zeer levend en daarmee actueel voor een hedendaags publiek. Illustratief daarvoor is dat Louis Grijp deze visie en zijn inzet bekroond zag met twee projecten waarvan het eerste de veelzeggende titel kreeg Van Hadewych tot Hazes. Een van de leden van Camerata Trajectina was Suze Grootel die haar volkse Amsterdamse achtergrond weliswaar inmiddels grotendeels had afgelegd, maar desgewenst uitstekend in staat en bereid was hoge en lage kunst uit diverse eeuwen prachtig te verenigen.

Het tweede is het boek Een muziekgeschiedenis der Nederlanden onder hoofdredactie van Louis Grijp, in 2001 verschenen bij Amsterdam University Press, met bijdragen van vele auteurs. Aan de hand van in hun context geplaatste ‘incidenten’ uit vele sectoren van het muziekleven uit heden en verleden wordt een beeld gegeven van een zeer veelzijdig muziekleven waarin de niet-klassieke muziek evenveel ruimte krijgt als de klassieke. De wisselwerking tussen die twee komt helaas niet helemaal uit de verf, om twee redenen: het boek bevestigt het feit dat men bij muziek van voor 1900 meer de overeenkomsten wil zien tussen de genres dan bij muziek van 1900; en het bevestigt de uitspraak van Adorno dat na 1900 de populaire muziek in sterke mate geen aandeel had in de stilistische veranderingen in de ‘serieuze muziek’.

Maar al zijn die twee punten stof voor toekomstige musicologen, Louis Grijp had deze veelzijdige beschrijving van het muziekleven waarschijnlijk niet kunnen geven zonder de vruchten van de ideologie van Camerata Trajectina. Over die betekenis en de vragen en antwoorden die beide punten oproepen had ik graag meer willen lezen in dit jubileumboek. Nu blijft Van der Klis’ boek een zeer fraai uitgegeven plaatjesboek voor de nostalgiejagers binnen de oude muziekwereld (en ook hier slaat de vergrijzing toe). Hoe de groep zijn stijl moet en kan afstemmen op de huidige tijd en hoe de club meegaat en hopelijk zichzelf blijft, zal ongetwijfeld intern een groot punt zijn, maar de antwoorden daarop lezen we niet in dit boek, wellicht wel in het volgende waarin de journalistieke geschiedschrijving hopelijk heeft plaats gemaakt voor een wetenschappelijke.


  • WAT: Van Peeckelharing tot Pierlala – 40 jaar oude/nieuwe liedekens door Camerata Trajectina
  • WIE: Jolande van der Klis
  • UITGAVE: Stichting Camerata Trajectina – Nederlands – geïllustreerd – 136 bladz. – ISBN: 978-9-08229-770-6