De Nederlandse uitgeverij Skandalon is bij ons niet zo bekend, maar de naam van Barend Schuurman ondertussen wel. Deze Nederlandse Bach specialist heeft voor deze uitgeverij een becommentarieerde en geanalyseerde uitgave geschreven van het boek over Johann Sebastian Bach van Albert Schweitzer. Hemels interessant.

Mühlhausen, 200 jaar na Bach

Driehonderd jaar geleden, in 1708, voerde Bach in Mühlhausen zijn eerste cantate ‘Gott ist mein König’ uit. In hetzelfde jaar componeerde hij de Actus tragicus BWV 106, volgens Schweitzer, één van zijn mooiste cantaten. In het andere Mülhausen, het tegenwoordige Mulhouse in de Elzas, deed Albert Schweitzer in 1893 eindexamen gymnasium, waarna hij orgellessen bij Charles Marie Widor nam. Widor was de organist van de Saint-Sulpice in Parijs. Daarmee begon Schweitzer aan een zoektocht naar de betekenis van de muziek van Bach. Dit resulteerde uiteindelijk in een uitgebreide studie over de betekenis van Bach en hoe Bach uit te voeren. Zijn monumentaal boek “J.S. Bach” verscheen in 1908.

Mooi geschreven, bedoeld voor iedereen

Het is verbazingwekkend te zien hoe modern Schweitzer in zijn tijd was. Zelfs nu is hij nog actueel, schrijft Schuurman. De essentie van Bachs muziek lag voor Schweitzer in de bijzondere verhouding tussen woord en toon. Dat was revolutionair voor de Franse orgelcultuur van toen die totaal niet vertrouwd was met het Duits kerklied en de relatie tussen woord en toon, vervolgt hij. Naast zo veel andere talenten beschikte Schweitzer ook over het vermogen om te schrijven. In prachtige taal beschrijft hij zijn ervaringen, zijn inzichten en zijn gedrevenheid. Schweitzer wist in diezelfde taal de grootsheid van Bach uit te drukken. Bachdirigent Barend Schuurman onderzocht Schweitzers visie op Bach en laat in zijn boek de lezer kennismaken met de wereld van beiden. Schuurman wil op die manier het Bachboek van Schweitzer opnieuw onder de aandacht brengen. Niet alleen voor dirigenten en musici, maar ook voor de luisteraar. Albert Schweitzer over Johann Sebastian Bach is bedoeld voor alle geïnteresseerde Bachliefhebbers.

Uitvoeringspraktijk

Barend Schuurman heeft grote bekendheid gekregen op het terrein van de uitvoeringspraktijk van Bachs muziek. Hij deed dat onder meer als dirigent van de Laurenscantorij in Rotterdam waarmee hij een groot deel van de cantaten, missen, motetten, passies en het Weihnachtsoratorium uitvoerde. Barend Schuurman onderzocht hoe Schweitzer tot zijn voor die tijd vernieuwende inzichten met betrekking tot de verhouding van woord en toon in Bachs vocale composities en orgelkoraalvoorspelen gekomen is. Schweitzer heeft daarbij zijn inzichten gefundeerd op een even verrassende als ook omstreden muziekesthetiek, zo lezen we. Op grond van deze inzichten kwam hij tot een pleidooi voor een aansprekende uitvoeringspraktijk. De betekenis die hij aan het begin van de 20ste eeuw had is later min of meer op de achtergrond geraakt door de heftige ontwikkelingen op dit gebied in de tweede helft van de 20ste eeuw, door de stroming van de te fanatische, authentieke uitvoeringspraktijk. Jammer.

Bachs Orgelbüchlein

Het Orgelbüchlein BWV 599-644 neemt in Schweitzers Bachboek een centrale plaats in. We hoeven ons alleen maar in herinnering te roepen dat het zijn leermeester Widor was, vertelt Schuurman, die hem vroeg een verhandeling over Bachs orgelkoralen te schrijven, de directe aanleiding tot het Bachboek. Het Orgelbüchlein bevat een verzameling van zesenveertig koraalbewerkingen, een klein aantal ten opzichte van de oorspronkelijk honderdvierenzestig die Bach voor deze bundel gepland had. De koralen zijn geordend volgens de gangbare Lutherse gezangboeken van die dagen. Het Orgelbüchlein begint volgens het kerkelijk jaar (‘pro tempore’) met de Advent en gaat door tot en met Pinksteren. Daarna komen de koralen ‘pro omne tempore’, voor iedere tijd.

Schweitzer en Wagner

Deel I is gewijd aan Albert Schweitzer zelf. Na een beknopte biografie, heeft Schuurman het daarin over Schweitzer als verteller, Jeugdherinneringen en over Schweitzer als musicus.
Deel II is bedoeld als Inleiding tot het Bachboek. Schuurman vertelt hier over het ontstaan, de inhoud en de Esthetiek. Na een Inleiding en een historisch overzicht bespreekt hij de 19de  eeuwse integrerende en desintegrerende tendensen en de plaats van Schweitzer in de 19de eeuwse muziekesthetiek. Hij heeft het over Spitta, die andere 19de eeuwse Bachgeleerde, en over de invloed van Richard Wagner op Schweitzers muzikaal esthetisch denken. Bij de vraag naar de relatie tussen woord en toon in zijn Bachboek hanteerde Schweitzer in zijn hoofdstuk „Dichterische und malerische Musik“, bij de beantwoording van die vraag, Wagners muziekdrama’s als criterium, zo lezen we. Om die reden geeft Barend Schuurman in een paar hoofdlijnen Wagners visie op het muziekdrama. Daardoor wordt Schweitzers afhankelijkheid van Wagner of misschien wel zijn aanhankelijkheid aan Wagners ideeën, duidelijk. In het hoofdstuk ‘Jeugdherinneringen’ (Schweitzer schreef Aus meiner Kindheit und Jugendzeit) vertelt Schuurman over de aangrijpende indruk die Wagners Tannhäuser in 1891 op de dan zestienjarige Schweitzer maakte. Een paar jaar later, in 1896, volgde de overweldigende indruk die de uitvoering van Der Ring des Nibelungen op hem maakte. Schweitzer heeft deze uitvoeringen in Bayreuth meegemaakt, daartoe financieel in staat gesteld door Parijse vrienden. De eerste bladzijden van het Duitse Bachboek kwam dan tot stand na een opvoering van Wagners Tristan und Isolde in 1906 in Bayreuth. De muzikale motieven in de opera zijn niet slechts symbolen, maar zijn bouwstenen, de grondthema’s waaruit het symfonische gebouw van het muziekdrama wordt opgetrokken. Hun motieven en thema’s, zowel deze van Bach als deze van Wagner, richten zich tot de verbeelding van de luisteraar. Wagners ideaal is een muziek, die zonder onderbreking een geheel bedrijf schraagt en dus elke geprononceerde afsluiting vermijdt. Daardoor ontstaat wat hij noemt de ‘Unendliche Melodie’, zo lezen we.

Woord en toon in Schweitzers Bachboek

In “Schweitzers esthetiek over Woord en toon in de parodie” komen we bij het spannend slot van Schweitzers uiteenzetting over woord en toon. Hij merkt op dat voor sommigen deze verklaringen van de woord-toon relatie wel oncontroleerbare fantasieën zullen zijn. Dat ligt ook wel een beetje aan Bach zelf, vindt Schweitzer. Er zijn stukken bij waarvan de ontraadseling nooit zal lukken. Het enige wat ons dan nog te doen staat is de vergelijking met andere cantaten. Dat is overigens voor Schweitzer een belangrijke bron, men moet alle cantaten kennen, want ze leggen elkaar uit. Zoals ook de instrumentale werken ‘sprekend’ kunnen worden door vergelijking met de woord gebonden muziek. Soms helpt het ons verder, lang niet altijd. Vervolgens zegt hij dat er enkele bezwaren zijn in te brengen tegen zijn overtuiging van een bij Bach aanwijsbare ‘ausgebildete Tonsprache’. Het eerste bezwaar betreft het verschijnsel parodie. Wat is daarbij het probleem? Bij de parodie gaat het om de omwerking van een vocaal werk waarbij een heel nieuwe of een gedeeltelijk bewerkte nieuwe tekst in de plaats van de oorspronkelijk tekst komt. Of waarbij een instrumentaal werk door toevoeging van een tekst tot vocaal werk wordt omgewerkt. Meestal is het parodietraject dat een oorspronkelijk wereldlijk werk een nieuwe, geestelijke tekst krijgt. De omgekeerde richting komt slechts een enkele voor. De derde mogelijkheid is de omwerking van geestelijk naar geestelijk werk. De uniciteit van de verbinding woord-toon komt daarmee dus wel onder druk te staan. Schweitzer komt in dit hoofdstuk niet veel verder dan het te registreren, schrijft Schuurman. Op een andere plaats, bij de bespreking van het Weihnachtsoratorium, dat grotendeels uit parodieën van wereldlijke cantaten bestaat, gaat hij wel in op het probleem. De muziek was voor een belangrijk deel oorspronkelijk bij een geheel andere (wereldlijke) tekst gecomponeerd. Nu blijkt ze ook geschikt te zijn voor een nieuwe tekst die in wezen niets gemeenschappelijks heeft met de oude. De Woord-toon relatie is vaak uitdrukking van abstracte begrippen. Dat Bach ook abstracties in muziek kon weergeven door middel van symboliek laat Schweitzer zien aan de hand van de cantate BWV 77 ‘Du sollst Gott, deinen Herrn, lieben’.

Retoriek van thema’s en motieven

In het hoofdstuk “Bach sprekend in zijn cantaten” onderscheidt Schweitzer soorten thema’s en soorten motieven. Er zijn Bildliche Themen en Schrittmotive. Deze laatste worden door Schweitzer in drie soorten onderscheiden: Laufen of schreiten, Tumultmotive en Motive der Mattigkeit. Daarnaast onderscheidt hij  Seligkeitsrhythmen (motieven die berusten op ritme), bv. het Motiv des Erschreckens, Schmerzmotive en Freudenmotive. Tenslotte zijn er ook nog de Verbindung der Motive. Zo krijgen we inzicht in de beeldende en verzinnebeeldende kracht van Bachs taal in zijn woord gebonden muziek, schrijft Schuurman. Vervolgens maakt Schweitzer onderscheid tussen een realistische uitbeelding van kwellend verdriet en een vorm van verheerlijkte smart. Als voorbeeld van het laatste noemt hij de klankgolven van het slotkoor van het eerste deel van de Matthäus-Passion ‘O Mensch, bewein dein Sünde groß’. Dit motief, dat Schweitzer het ‘Motiv des edlen Schmerzes’ noemt, onderscheidt zich muzikaal gesproken van de meer realistische vorm.

Klank en weerklank

Na Schweitzers esthetiek bespreekt Schuurman in het hoofdstuk “Verbeelding en beleving” op praktijk gerichte vragen. Op zeer uitvoerige en systematische wijze bespreekt Schweitzer in zijn Bach boek, in wel tien hoofdstukken, alle vocale werken van Bach, geestelijke en wereldlijke. En hij doet dat uiteraard vanuit zijn specifieke ideeën over de woord gebonden muziek van Bach en natuurlijk ook vanuit de, noem het zijn, praktijk. Na de drie belangrijke esthetiek-hoofdstukken en de daarop aansluitende hoofdstukken over de muzikale taal van de orgelkoralen en de cantaten, zijn in het hoofdstuk “Klank en weerklank”, Schweitzers inzichten met betrekking tot de uitvoeringspraktijk aan de orde. Aan het begin van hoofdstuk 15 gebruikt Barend Schuurman het beeld van concentrische cirkels. Hij wil daarmee het beeld schetsen van ‘het één niet zonder het ander’, de verschillende onderwerpen en facetten grijpen in elkaar. Schweitzer hanteert dit principe in zijn Bachboek voortdurend, vertelt Schuurman. Hij herhaalt eerdere standpunten, zet ze in een nieuw daglicht, verbindt ze met nieuwe facetten. De lezer wordt op deze wijze uiteindelijk doordrongen van één feit, de grootsheid van Bach. Men kan volgens Schuurman, de hoofdstukken in het Bachboek waarin deze drie onderwerpen ter sprake komen, vergelijken met drie concentrische cirkels. De binnenste cirkel wordt gevormd door de esthetiek-hoofdstukken, dan volgen de twee hoofdstukken over de muzikale taal, een beschrijving van de karakteristieke eigenaardigheden, terwijl de buitencirkel aspecten van de uitvoeringspraktijk behandelt. Schweitzer behandelt in drie hoofdstukken de belangrijkste categorieën, de orgelwerken, de klavierwerken en de cantaten en passionen, waaronder ook het Weihnachtsoratorium en de h-moll mis.

Retorisch en affectief

Schweitzers orgelleraar Charles-Marie Widor stelde een boek over Johann Sebastian Bach voor opdat de Franse orgelwereld meer vertrouwd zou worden met Bachs protestantse kerkmuziek. Widor zelf, schreef het voorwoord. Hij adviseerde ook een Duitse versie, wat resulteerde in een volledige herziening, ook voorzien van een voorwoord van Widor. Terwijl de biografische gegevens en dating, in het bijzonder van de cantaten, nu grotendeels achterhaald of uitgebreid zijn door het Bach onderzoek, is Schweitzers Bach monografie een standaardwerk van groot historisch belang, schrijft Schuurman. Schweitzer legde bv. reeds de nadruk op Bachs gebruik van thema’s en motieven, tonaliteiten en instrumenten. Hij heeft dus relatief vroeg gewezen op de retorische kwaliteiten en de affectenleer van de oude muziek. De sleutel daartoe zag hij in de cantaten. Hij vond terugkerende, zeer beeldende motieven, met name in de beschrijving van bewegingen zoals lopen, rennen, vallen of uitputting of bewegende dingen zoals slangen, golven, schepen, vleugels, maar ook abstracte zoals vreugde, verdriet, pijn of lachen, zuchten, kreunen of huilen. Schweitzer presenteert deze muzikale taal systematisch en geeft zodoende de Bach vertolker instructies over hoe de individuele motieven te verwoorden en te spelen en hoe de onderliggende beelden uit te drukken. Hij toont bijvoorbeeld ook aan dat ook de Choralbearbeitungen voor orgel, deze taal bevatten en dat voor het begrijpen en uitvoeren van deze muziek, kennis van de koraaltekst essentieel is.

Uitgave van Bachs orgelwerken

Schweitzer was ook co-redacteur van een editie van Bachs orgelwerken. De eerste vijf delen van Bachs orgelwerken verschenen in 1912-1913 in het Duits, Engels en in het Frans. Redacteuren waren Charles-Marie Widor en Albert Schweitzer. Ze bevatten de preludes, toccata’s, fantasieën, fuga’s, de Canzona en Passacaglia, evenals concerti en triosonaten. Volume VI werd gepubliceerd in 1954, de volumes VII en VIII werden in 1967 na het overlijden van Schweitzer uitgegeven. Widor en Schweitzer gaven Bachs notenhandschrift uit als ongerepte oorspronkelijke tekst zonder door anderen aangebrachte dynamische schakeringen, vingerzettingen, enz. Deze exacte naleving van de oertekst was toen heel ongebruikelijk maar liep terzelfdertijd ook vooruit op de later historische uitvoeringen.

In deel IV bespreekt Schuurman Schweitzers visie op de betekenis van Bach en het bijzondere van Bach volgens Schweitzer, Schweitzers geschiedfilosofie en Historiciteit.
In deel deel V heeft hij het ten slotte over de betekenis van Schweitzers Bachboek en over Schweitzers Bach toen en nu. De lijst met geraadpleegde literatuur nodigt uit tot verder lezen. De publicatie van dit bijzonder interessant boek is mede mogelijk gemaakt door de Stichting Nederlands Albert Schweitzer Fonds (NASF) in Utrecht. Hemels interessant, warm aanbevolen.