Naast sigaretten, alcohol, chocolade, kauwgum en zeep behoorden tussen 1914 en 1918 ook camera’s en grammofoons tot het bonte aanbod aan oorlogsproducten. Grote merken adverteerden met opvallende, grafische reclameontwerpen en gezien het vermogen tot opbeuring, opvrolijken en troost, bleef  muziek  een uitermate lucratieve handel.

 

Naast sigaretten, alcohol, chocolade, kauwgum en zeep behoorden tussen 1914 en 1918 ook camera’s en grammofoons tot het bonte aanbod aan oorlogsproducten. Grote merken adverteerden met opvallende, grafische reclameontwerpen en gezien het vermogen tot opbeuring, opvrolijken en troost, bleef  muziek  een uitermate lucratieve handel.

Omdat het oorlog was, maakten producenten van grammofoonspelers tijdens de Eerste Wereldoorlog reclame met oorlogsargumenten. Het leven ging immers verder en gezien de uitgebreidheid was het front een extra afzetmarkt. Wapenhandelaars en leveranciers van legeruniformen zaten tussen 1914-1918 niet stil. Dat klinkt nogal vanzelfsprekend. Maar wat met veel minder voor de hand liggende bedrijven? Hoe bleven zij voordeel halen ondanks de oorlogssituatie? Wel, uit dit boek blijkt dat tal van fabrikanten inspeelden op de oorlog om hun producten aan te prijzen, zowel aan de soldaten aan het front als aan de achterblijvers thuis. Tijdens de Eerste Wereldoorlog prezen handelaars hun producten aan met oorlogsargumenten en adverteerden grote merken met reclame en opvallende en grafische advertenties in oorlogstijdschriften.

En muziek was daar ook bij want de grammofoons draaiden op volle toeren en verkochten bij de vleet. De vooroorlogse instrumenten-, platen- en grammofoonindustrie was immers internationaal verweven. De Europese platenindustrie was in 1914 reeds immens groot. Zo vernemen we uit het boek dat in 1906 Deutsche Grammphon bvb. al 36.000 platen per dag produceerde en dat men voor 1908 een jaarproductie van 6 miljoen platen kon opgeven. Het werd in 1898 in Londen opgericht onder de naam "Grammophone Company" door Emile Berliner die kort daarna in zijn geboortestad Hannover de Duitse tak van het bedrijf oprichtte, Deutsche Grammophon Gesellschaft, die dan in 1900 naar Berlijn verhuisde. Aan de vooravond van WOI werd de firma door de Duitse regering weliswaar in beslag genomen omdat het immers om een Engelse firma ging.

In 1917 verloor Deutsche Grammophon de buitenlandse rechten op de catalogus en op het label His Master´s Voice aan EMI. Voor export van nieuwe platenopnames wordt Polydor opgericht. Om de Franse tak, de Société phonographique française Polydor S. A., te promoten, zou bvb. Ravel in 1930 met het Orchestre Lamoureux, zijn Boléro opnemen.

In 1917 kwam de Duitse firma dan een tijdlang in handen van “Polyphon Musikwerke” in Leipzig, het wereldwijd concern van mechanische instrumenten, muziekdozen, orchestrions en fonoplaten. Dit alles, schrijft Bert Govaerts, kan mede verklaren waarom we in de reclame van de oorlogsjaren zo weinig van Deutsche Grammophon te zien krijgen. Decca, dat de dulciphones eigenlijk alleen maar assembleerde, kon wel blijven draaien dank zij de neutraliteit van Zwitserland. De opwindmotor in de koffergrammofoon kwam daar nl. vandaan.

"Decca"

Hoewel het Brits platenlabel “Decca Records” officieel opgericht werd in 1929 door Edward Lewis en het Amerikaanse label eind 1934 ontstond, ging de naam terug tot…1914.

De nu wereldberoemde naam “Decca” ging eigenlijk terug tot een kleine, draagbare grammofoon. Die werd de "Decca Dulcephone" genoemd en werd in 1914 gepatenteerd door de instrumentenbouwers Barnett Samuel & Sons Ltd in Londen. Dat bedrijf werd uiteindelijk omgedoopt tot The Decca Grammophone Co Ltd en vervolgens in 1929 verkocht aan de effectenmakelaar van de London Stock Exchange, Edward Lewis (1900-1980) die de legendarische baas zou worden van Decca. Binnen een jaar werd Decca Records Ltd het tweede grootste platenlabel ter wereld dat zichzelf "The Supreme Record Company" kon noemen. Het grootste label was EMI omdat dat een fusie was van Columbia Graphophone Company en Grammophone Company, ("His Master's Voice" met de hond Nipper die verbaasd en luisterend in de hoorn kijkt van een Edison Bell cilinder fonograaf, weet u nog?). De naam "Decca" werd bedacht door de Brits-joodse linguist Wilfred S. Samuel door het samenvoegen van het woord "Mekka" met de D van hun logo "Dulcet" of hun handelsmerk 'Dulcephone. "

Platenspelers waren aan het front goed vertegenwoordigd. Muziek was voor de soldaten even belangrijk als tabak. Ze zongen, maakten muziek en luisterden naar platen. Omdat grammofoons niet goedkoop waren was de platenspeler in het bezit van een officier. Die bezat een koffergrammofoon, the Decca Dulcephone, bijgenaamd de ‘Trench Decca’ omdat hij zo populair was aan het loopgravenfront bij Britten en Canadezen.

In het boek lezen we dat de  Londense firma Barnett Samuel & Sons die de platenspeler op de markt bracht, na de oorlog zo maar liefst 100.000 exemplaren van haar ‘Trench Decca’ wist te verkopen en dat de firma nog een hele tijd teerde op haar oorlogsfaam. De Decca was niet de eerste draagbare grammofoon op de markt maar wel de eerste waarbij het volstond om hem te openen, de motor op te winden en een plaat op te leggen. Bij andere modellen kwam er vaak heel wat bij kijken vooraleer er muziek klonk. Het koffertje woog ongeveer zeven kilo en bestond in drie verschillende versies. Bert Govaerts vertelt in het boek dat de op een na duurste Decca-koffer bekleed was met bruin koeienhuid en 75 pond koste (de soldij van een Britse soldaat bedroeg tussen 6 en 10 shilling per dag en er gingen 20 shillings in een pond).

De Decca Dulcephone was als type gedeponeerd in 1914 en was dus niet speciaal voor de loopgraven ontworpen. Het bleek wel het juiste product op het juiste ogenblik op de juiste plaats. Fransen en Duitsers hadden minder handige types van de firma Pathé. Die waren zwaarder en staken in een houten kabinet met grote, onhandige hoorns. Bij de 'Decca Trench' was de hoorn ingebouwd in het deksel. Hoewel de platenspeler door zijn prijs eerder iets voor de elite was, had de fabrikant bij het bedenken van de naam op een heel brede markt gemikt. Edgar Samuel, een afstammeling van uitvinder Wilfred. S. Samuel, schreef daarover later dat hij met het oog op de export vooral een simpele naam wilde die ook door ongeletterden herkend kon worden. Daarom was men uitgekomen op de combinatie van 'Mecca' met de 'D' van de Dulcephone.

Het opvallend  rijk geïllustreerd boek behoort bij de tentoonstelling ‘Kassa! Kassa!’ die loopt van 2 september t.e.m. 15 december in het Talbot House in Poperinge. Warm aanbevolen.