In maart zingt Thomas Hampson werk van Mahler, Copland en Berio op het afscheidsconcert van Mariss Jansons met het Koninklijk Concertgebouworkest Amsterdam. Op de vraag waarom Jansons precies deze zanger daarvoor heeft uitgekozen, krijgen we op pagina 101 van dit boek een antwoord: “Precies met Mariss Jansons verbindt me sinds jaren een diepe vriendschap”.

In maart zingt Thomas Hampson werk van Mahler, Copland en Berio op het (reeds lang uitverkochte) afscheidsconcert van Mariss Jansons met het Koninklijk Concertgebouworkest Amsterdam. Op de vraag waarom Jansons precies deze zanger daarvoor heeft uitgekozen, krijgen we op pagina 101 van dit boek een antwoord: “Precies met Mariss Jansons verbindt me sinds jaren een diepe vriendschap”.

Het voorwoord (“Meine Stimme hat mich gefunden”) is een heel persoonlijke reflectie van Hampson over zijn leven als artiest: de kansen die hij daarvoor gekregen heeft en de keuzes die hij moest maken. Een tekst waaruit eerlijkheid en dankbaarheid spreekt, als opmaat naar een boek vol rijke ervaringen. Het eerste deel is een beknopte autobiografie waarin Hampson vertelt over zijn afkomst en hoe hij stap voor stap de zanger geworden is die hij is. Hoogtepunten daarin zijn de ontmoeting – reeds zeer jong – met Nikolaus Harnoncourt en Jean-Pierre Ponnelle, en met James Levine, wat in 1986 tot een eerste optreden in de Metropolitan leidt. Zijn verhaal over Leonard Bernstein – een sleutelfiguur voor Hampson – gaat gepaard met een leuke anekdote over zijn gebruik van kopstem in Mahlers Zu Strassburg auf der Schanz. De verwondering van Bernstein daarover, weerlegt Hampson eenvoudigweg met het feit dat het zo in de partituur staat! Christian Thielemann noemt Hampson een van de belangrijkste dirigenten van de huidige tijd, een “Gigant” en een persoonlijkheid die mee aan de grondslag van zijn carrière ligt. Al ligt de klemtoon op de artistieke feiten, Hampson schuwt niet op discrete en beperkte manier iets over zijn privéleven te vertellen.

Het grootste deel van het boek zijn dan in hoofdstukken verdeelde interviews, afgenomen door muziekcriticus Clemens Prokop. De structuur van het gesprek is niet altijd optimaal en Prokop gooit soms overbodige, artificieel aandoende tussenzinnetjes in het gesprek. Gelukkig vertelt Hampson honderduit over zijn ervaringen in de wereld van opera en lied. Het gaat over de centrale rol die steden als Zürich, Salzburg en Wenen in de ontwikkeling van zijn operarepertoire hebben gespeeld en over het belang van intendanten en dirigenten – zoals de “Übermusiker” Bernstein en Barenboim. De bariton geeft zijn visie op Verdi, Britten, Mozart en Amerikaanse opera en gaat dieper in op het belang van de pianist als partner, de noodzaak van dialoog en het belang van samenhang tussen regie, muziek en theater – waarbij muziek steeds de drijvende kracht moet blijven. Hij legt ook uit welke betekenis Schubert en Schumann voor hem hebben, en hoe hij door Mahler overdonderd werd. De titel van het boek is niet voor niets aan de titel van Mahlers Rückertlied ontleend. We krijgen bovendien inzicht in de ernst en de diepzinnigheid waarmee Hampson zijn kunst beoefent en zicht op de wereld van de zanger achter de coulissen. De noodzaak van discipline – van het belang van een mentaal en lichamelijk evenwicht – komt eveneens aan bod. Essentieel is tenslotte nooit voldane nieuwsgierigheid en openheid voor alle kunstdisciplines.

Deemoedigheid

Het boek eindigt met een hoofdstuk waarin Hampson als pedagoog en bezieler van masterclasses en van de Hampsong Foundation aan bod komt. Tekenend voor de innemende en geëngageerde persoonlijkheid die we ondertussen hebben leren kennen, geeft hij in dit hoofdstuk toe dat hij heel graag jongere collega’s begeleidt, maar niet (ver)oordelend in jury’s wil zitten. Typisch voor een zanger die volgend motto hoog in het vaandel draagt: “Ursprung allen Musizierens muss Demut sein” (“De oorsprong van alle musiceren moet deemoed zijn” – p. 148). Een onderhoudend boek dat bijzonder prettig leest en een zeer veelzijdig beeld geeft van de zanger als mens en als kunstenaar. Bovendien krijgen we een caleidoscoop van de wereld van de klassieke muziek, en vooral van de “groten” daarin van zowat de laatste dertig jaar. Als generatiegenoot van Hampson is het heerlijk daar zo direct aan herinnerd te worden.

Het boek is geïllustreerd met kleur- en zwartwit foto’s, geeft een biografisch overzicht – tot en met de geplande uitvoering van een opdrachtwerk in 2016 (München) – een overzicht van partijen en een selectieve discografie.