***** Er bestaan zo om en bij de dertien biografieën over Franz Lehár. Zes daarvan werden geschreven tussen 1930 en 1958. De meest recente is bij mijn weten deze van Paul Melchior, “Franz Lehár musical”, uitgegeven door Pascal Maurice in  Parijs in 2012. Het werd eigenlijk wel tijd dat er nog eens een boek geschreven werd over deze geniale componist en zeker in het Nederlands. Dat is nu gebeurd. Maar dat het zo’n schokkerend boek zou zijn, had niemand durven dromen. Het gaat immers over de  relatie die de bedenker van tal van hemelsmooie melodieën had tot het nazisme. Zeker lezen!

***** Er bestaan zo om en bij de dertien biografieën over Franz Lehár. Zes daarvan werden geschreven tussen 1930 en 1958. De meest recente is bij mijn weten deze van Paul Melchior, “Franz Lehár musical”, uitgegeven door Pascal Maurice in  Parijs in 2012. Het werd eigenlijk wel tijd dat er nog eens een boek geschreven werd over deze geniale componist en zeker in het Nederlands. Dat is nu gebeurd. Maar dat het zo’n schokkerend boek zou zijn, had niemand durven dromen. Het gaat immers over de  relatie die de bedenker van tal van hemelsmooie melodieën had tot het nazisme. Zeker lezen!

Verdeeld over negen beklijvende hoofdstukken vertelt de auteur in een bijzonder vlot lezende stijl over de vooraanstaande plaats die Franz Lehár (1870-1948) als alom geprezen en eminent componist innam tussen de meer dan muziek minnende nazi-kopstukken ten tijde van het Derde Rijk, Hitler in de eerste plaats. Jawel, het moest niet altijd Wagner zijn.

Het boek begint op donderdag 12 januari 1939. Die avond, na de feestelijke inwijding van de nieuwe, indrukwekkende Rijkskanselarij in Berlijn, bezocht Hitler nl. in het Deutsches Opernhaus in Berlijn een opvoering van één van zijn lievelingsstukken, de operette “Die lustige Witwe”, uiteraard van Franz Lehár. Hitler had ze als 17-jarige voor de eerste keer gezien. Tussen haakjes, wist u dat tussen 1905 en 1948 deze operette wereldwijd wel driehonderdduizend keer is opgevoerd…? Terug naar het verhaal.

Een eind van Hitler zat in een kleine loge Sophie, een mooie, donkerharige vrouw. Zij was de in een eerder eenvoudige maar toch chique avondjapon geklede, ex-vrouw van de Weense tapijthandelaar Heinrich Meth. Sedert 1924 was ze Mevrouw Lehár. Zij genoot, net als de andere tweeduizend enthousiaste aanwezigen, van het prachtig lied over het “Waldmägdelein” “Vilja” en van ’s Führers  lievelingsmelodie “Lippen schweigen, ’s flüstern  Geigen. Hab mich lieb!”. Maar… Sophie was  joods.

En daarmee begint het boek. Daarmee start een ongelooflijk verhaal en een verslaggeving om u tegen te zeggen. Johan Bosveld beschrijft hoe de één na de andere joodse collega’s en zelfs joodse vrienden van Lehár vanaf 1933, moeilijkheden kregen, ontslagen werden, opgepakt werden, gedeporteerd werden en uiteindelijk, na een onbeschrijflijke lijdensweg, vermoord  werden. Maar wat met zijn eigen vrouw?

Ik wil er de spanning in houden en wil voor de gelegenheid niet te veel verklappen. Wat zegt u? Misschien toch iets? Allez, vooruit. Het ging over de verhuis van Wenen naar Bad Ischl en het gruwelijk kamp Ebensee dat op minder dan vijftien kilometer van dit paradijselijk, idyllisch oord lag. Het had alles te maken met het begrip  “Ehrenarier” en over de rol die de „Beauftragten des Führers für die Überwachung der gesamten geistigen und weltanschaulichen Schulung und Erziehung der NSDAP“ en later Eduard Frauenfeld als hoofd van het Kulturamt in Wenen in dit alles hebben  gespeeld.

De machtsovername door de nationaal-socialisten in Duitsland had een zeer grote impact op de persoon van Lehár. De teksten van zijn operetten waren nl. alle geschreven  door joodse librettisten. Daarnaast werd hij dan ook nog eens vanwege zijn joodse vrouw Sophie (geboren Paschkis) aangevallen maar kreeg dankzij Hitlers persoonlijke interesse een bijzondere vergunning. De aanvankelijke vijandigheid tegenover hem en zijn werk nam af dankzij de tussenkomst van Goebbels en zijn operetten werden omwille van hun kwaliteit en populariteit getolereerd en met immens succes opgevoerd in de Duitse theaters.

In 1938 werd Lehárs vrouw uitgeroepen tot "Ehrenarierin". De SS-Sturmbannführer Hans Hinkel was zijn beschermheer bij  het Ministerie van Propaganda en van deze Hinkel ontving hij nog begin januari 1945 hartelijke Heil Hitler!-nieuwjaarswensen.  Op 12 Januari 1939 en op 30 April 1940 ontving Lehár in Berlijn en in Wenen onderscheidingen van Hitler. Op Hitlers verjaardag in 1938 gaf Lehár zijn Führer een in rood marokijn leder gebonden programmabrochure van zijn “Lustige Witwe” n.a.v. de 50ste opvoering. In 1941 dirigeerde  hij propagandaconcerten in het bezette Parijs en in het najaar van 1942 was hij in Boedapest voor de opvoering van zijn gearianiseerde operette  “Zigeunerliebe”.

Bosveld vertelt het verhaal over het lot van joodse kunstenaars en de inspanningen die de schepper van “Immer nur lächeln” heeft moeten doen om zijn bloedeigen vrouw van vervolging te vrijwaren. En meer dan dit hoe dan ook uitermate spannend verhaal, schetst Bosveld de maatschappelijke en culturele achtergrond van dit Tijdperk der schande. Zijn boek is dus niet alleen een stuk biografie, het is ook een cultuurhistorische studie over het Wenen en Berlijn van  de eerste helft van de 20ste eeuw. U wandelt bij momenten als het ware samen met de auteur langs de neo-barokke Ringstrasse in Wenen waar muziek, ver weg van de gruwelijke slagvelden, troost bood  in café’s, restaurants en theaters. U wandelt als het ware, richting het prachtige Schikaneder Schlösschen in de wijk Nussdorf, waar de Lehárs woonden. Het is prachtig mooi weer maar de entjudung, het beroepsverbod, de omvorming van vaderlandsliefde tot Führerprinzip en  de mensenjacht in het kader van de anti-joodse schoonmaak van Goebbels zijn volop aan de gang. Lehár weet te voorkomen dat de hoogbejaarde Victor Léon uit zijn Weense villa wordt gegooid (letterlijk!), probeert de tenor Louis Treumann tevergeefs te waarschuwen voor de komst van de nazi-jagers (Treumann werd uiteindelijk in ’43 in Theresienstadt vermoord) maar doet  verder niets voor zijn geniale collega Emmerich Kálmán (1882-1953), eveneens Hongaar en de schepper van o.a. Die Csárdásfürstin (1915) en Gräfin Mariza (1924).

Een akelig hoofdstuk is het relaas over Fritz Löhner, de librettist van Lehárs  “Das Land des Lächelns” en dus schepper van de tekst van het beeldschone “Dein ist mein ganzes Herz” dat Richard Tauber, de „König des Belcanto“, wereldberoemd maakte. (De tenor Tauber is, nadat hij voor de deur van het Adlon Hotel in Berlijn met het verwijt „Judenlümmel, raus aus Deutschland“, in elkaar geslagen werd, nazi-Duitsland kunnen ontvluchten). Herinner u “Du bist die Welt für mich”.

 Het verhaal over Fritz Löhner leidt naar de kampen van Dachau en Buchenwald en het kommando met het cynisch nummer 4711, jawel van het Kölnisch Wasser (eau de cologne)!, dat de latrines van de SS moest schoonmaken… Löhner werd in Buchenwald, samen met de cabaretier Fritz Grünbaum, (eigenlijk de Duitse Maurice Chevalier), gedwongen het “Buchenwaldlied” te componeren dat de gevangenen, bibberend van de kou,  op de ijskoude kerstavond van 1938, moesten zingen op de keihard bevroren appelplaats! Lehárs vriend, de librettist Fritz Löhner, werd in december 1942 in Auschwitz vermoord. Hoewel in de literatuur de bewering leeft dat Lehár tevergeefs zou geprobeerd hebben om de vrijlating van Löhner te bekomen door middel van een persoonlijk gesprek met Hitler heeft meer recent onderzoek het tegenovergestelde aangetoond,, nl. dat Lehár helemaal niets gedaan zou hebben. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog beweerde Lehár trouwens dat hij van  niets wist. Zo waren er nog…

Hier leidt de betoverende, sonore wereld van Lehár naar “Vernichtung durch Arbeit”, “Sonderbehandlung” en dodenmarsen. Reichsmusikkammerdirektor Richard Strauss mocht dan wel spreken over “de banale, suikerzoete onnozelheden” van Lehár en Karl Kraus mocht Lehar “het bewijs noemen van de gedegenereerde erosie van de culturele elite in Wenen” zo veel hij maar wilde, kopstukken als Gauleiter Baldur von Schirach en  Goebbels dachten daar helemaal anders over. Zij  waren heer en meester over de muziekcultuur in het Derde Rijk en plaatsten de schepper van de “Graaf van Luxemburg” en van het “Wolgalied” ondanks Stalingrad op een Germaanse piëdestal gemaakt van Kruppstaal, met Hitler als charismatische beschermengel. Hitler zei trouwens ooit eens na een ontmoeting met Lehár dat hij zijn rechterhand een tijd lang niet zou  wassen om de handafdruk van Lehár niet te wissen.

Let wel, dit boek is geen Lehár-biografie. Dat is eigenlijk wel een beetje spijtig. De magie, de charme, het gemütliche en  het pittoreske van  de kindertijd en jeugd van de in het Hongaarse deel van de Dubbelmonarchie geboren Ferenc Lehár, die samen met zijn broer  Anton, die generaal werd, genoot  van het spel van de muziekkapel van het Infanterieregiment Nr. 50 der österreichisch-ungarischen Armee o.l.v. hun vader in Komorn, Preßburg, Ödenburg, Karlsburg en Klausenburg, is  in dit boek niet aan de orde.

Ik bestudeer al mijn ganse leven de Duitse en Oostenrijkse cultuurgeschiedenis en in het bijzonder het werk van hun geniale componisten. Ik hou ook al van sinds mijn  kindertijd van de prachtige, letterlijk schitterende melodieën uit de Berlijnse en Weense operetten van de Goldene en Silberne Operettenära. Een melodie als het Vilja-lied kan U zich niet mooier voorstellen. De inhoud van dit boek grijpt je weliswaar naar de keel. Na het lezen staat het wenen je nader dan het lachen en een onbeschrijfelijk gevoel van onmetelijke schaamte overvalt je. Bosveld heeft dit boek geschreven omdat hij vond dat hij het moest schrijven nadat hij, zo lezen we op de achterkaft,  toevallig iets gelezen had over de oorlogsjaren van Lehár en zijn joodse vrouw.

Als Bosveld oordeelt en persoonlijk wordt, d.i. wanneer hij Léhar opportunistisch, hebzuchtig, hoogmoedig en egoïstisch noemt, haak ik af. Zijn boek bevat daarentegen wel een schat aan informatie en het heeft een behoorlijk indrukwekkende en interessante Literatuurlijst waarop de geraadpleegde werken gerangschikt staan volgens de erop gebaseerde hoofdstukken. Ook de vele talrijke kranten- en tijdschriftartikelen en andere geraadpleegde bronnen en archieven (o.a. Bundesarchiv Berlin) zijn er in opgenomen. Dat het boek geen register heeft begrijp ik niet. Dit is zeer onpraktisch en een groot gemis. Maar, zeker, zeker lezen!