Naar aanleiding van een tentoonstelling in Parijs verscheen een boek over de portretkunst in Firenze ten tijde van de Medici’s. Het boek toont het decor van madrigalen en intermedia die aanleiding waren tot het ontstaan van de opera.

Corteccia en Caccini

Het hof van de Medici was in de 16de eeuw één van de weelderigste van Europa. De Florentijnse familie was zich bewust van haar status en prestige. Dit blijkt uit de artistieke creaties die zij bestelde of kocht en uit de muziek die zij brachten. Een componist als Corteccia diende de Medici voor het grootste deel van zijn leven en componeerde muziek voor hun uitgebreid vermaak. Latere componisten zoals Alessandro Striggio, zetten dit in dezelfde geest voort en componeerden een aantal van de grootste en meest extravagante polyfone composities van die tijd. De intermedii (intermezzi) uitgevoerd tijdens Girolamo Bargagli’s komedie La Pellegrina waren het hoogtepunt van een reeks van feesten georganiseerd door de onlangs uitgeroepen groothertog van Florence Ferdinando I de Medici voor zijn huwelijk met Christine van Lotharingen.

Madrigalen als intermezzi

Intermedia werden gezongen tussen akten van toneelstukken. Vaak bestonden die uit madrigalen, gerelateerd aan het onderwerp van het toneelstuk. En precies omdat zij werden opgevoerd en gezongen als onderdeel van een dramatische productie, worden ze gezien als een van de voorlopers van opera. Een treffend voorbeeld van zo’n intermedium was bv. de reeks van zeven madrigalen die Corteccia schreef voor de bruiloft in juni 1539 van Hertog Cosimo met Eleonora di Toledo. Ook Francesca Caccini was een dominante muzikale figuur aan het Medici hof. Zij componeerde muziek voor meer dan twaalf theatervoorstellingen. Francesca Caccini bouwde aan het Medici Hof een volledig professionele muzikale carrière uit op een moment dat vrijwel geen andere vrouwen  vergelijkbaar succes hadden. Tussen 1480 en 1492 werkte Heinrich Isaac reeds voor Lorenzo de Medici in Firenze. Hij was er organist van de kathedraal en componeerde er zijn Canti carnascialeschi.

Muziek voor bruiloften

De briljantste bruiloftsfestiviteiten van de 16de eeuw waren deze van Lorenzo II de’ Medici, hertog van Urbino (vader van Catharina de’ Medici) met de Franse prinses Madeleine de la Tour (d’Auvergne) in 1518, het huwelijk van Cosimo I met Eleonora de Toledo in 1539, het huwelijk van Francesco de ‘Medici met Johanna, aartshertogin van Oostenrijk in 1565, het huwelijk van Ferdinando I met Christin di Lorena in 1589, het huwelijk van Marie de Medici met Henry IV van Frankrijk in 1600 en het huwelijk van Cosimo II de Medici met Aartshertogin Maria Magdalena van Oostenrijk in 1608. De bruiloft van Lorenzo de’Medici (Kleinzoon van Lorenzo Il Magnifico) in 1518 was gedurende de periode van paus Leo X. Een verzameling motetten, die prachtig waren versierd, de “Medici Codex”, in drie volumes, was speciaal voor deze gelegenheid gecomponeerd. De collectie bevatte een bloemlezing van motetten van de belangrijkste componisten van de vroeg Renaissance, zoals Josquin des Préz, Jean Mouton, Antoine Brumel, Adrian Willaert, Andreas de Silva en Constanzo Festa. Memorabel vermaak was ook de opvoering van Euridice van Peri en Il rapimentodi ceali van Gabriello Chiabrera en Giulio Caccini in de nieuwe stijl. Euridice van librettist Ottavio Rinuccini en componist Jacopo Peri is de eerste volledig bewaarde opera uit de muziekgeschiedenis.

 

Intermedia en madrigalen

De eerste intermedia kwamen aan het eind van de 15de eeuw niet voor in Firenze, maar in Mantua. Ze kregen een plaats tussen de akten van toneelstukken. Mantua was overigens de plaats waar aan het hof van de Gonzaga familie, frotolla’s gecomponeerd werden. We denken daarbij aan componisten als Bartolomeo Tromboncino, Marchetto Cara, Filippo de Lurano, Michele Pesenti en Michele Vicentino. Bij madrigalen denken we doorgaans eerst aan Carlo Gesualdo da Venosa, Luzzasco Luzzaschi, de Rore en Monteverdi. Deze componisten werkten niet in Firenze maar in Ferrara, Napels, Parma, Mantua en Venetië. De bekende Luca Marenzio was daarentegen wel twee jaar in dienst van Ferdinando I de Medici. Minder bekende componisten als Cristofano Malvezzi, Matteo Rampollini, Giovanni Pietro Masaconi, Baccio Moschini, Francesco Corteccia, Costanzo Festa, Jacques Arcadelt, Philippe Verdelot en Bernardo Pisano, eveneens allen werkzaam voor de Medici’s in Firenze, lagen in de eerste helft van de 16de eeuw met hun madrigalen en intermedia, mede aan de basis van het ontstaan en de eerste ontwikkelingsfase van de opera.

Rijk geïllustreerd

Om ons de weelde van het decor waartegen dit alles zich afspeelde voor te stellen, kunnen we terecht in een prachtboek. Deze rijk geïllustreerde uitgave biedt nl. een overzicht van de 16de -eeuwse Florentijnse portretkunst doorheen haar grote thema’s en belangrijkste esthetische evoluties, van de sobere en strenge stijl van de portretten van de Repubblica Fiorentina (van 1115 tot 1531) tot de voorstellingen van de laat 16de -eeuwse Florentijnse maatschappij. In het boek lezen we dat het zich laten portretteren om zijn gelaatstrekken voor het nageslacht te bewaren of om zijn innerlijke gedachten uit te drukken, een steeds couranter gebruik werd bij de elite. Kunstenaars grepen terug op literaire modellen, muzikale verwijzingen of een enscenering vol symbolen om het leven van het model op een intense manier en vanuit verschillende invalshoeken te beschrijven. Hoofdstuk 4 van de catalogus is overigens gewijd aan “Het portret als spiegel van poëzie en muziek”, geïllustreerd met de foto’s van portretten van luitisten van de hand van Pontormo en Francesco Salviati. Het boek is rijkelijk geïllustreerd met grandioze foto’s van meesterwerken van kunstenaars uit deze Italiaanse Gouden Eeuw, zoals Jacopo da Pontormo, Agnolo Bronzino, Alessandro Allori en Francesco Salviati (Rossi). Het begeleidt de tentoonstelling in het Musée Jacquemart-André in Parijs die loopt van 11 september 2015 tot 25 januari 2016.