Een meer gepaste titel kon dit boek gewijd aan de Requiemmis niet krijgen: het deel “Dies Irae” is – zoals in het boek trouwens herhaaldelijk gesteld wordt – ongetwijfeld het meest indrukwekkende deel uit de dodenmis zoals ze in onze westerse christelijke cultuur wordt toegepast. 

Een meer gepaste titel kon dit boek gewijd aan de Requiemmis niet krijgen: het deel “Dies Irae” is – zoals in het boek trouwens herhaaldelijk gesteld wordt – ongetwijfeld het meest indrukwekkende deel uit de dodenmis zoals ze in onze westerse christelijke cultuur wordt toegepast. Maar de titel is meer dan een blikvanger. Het boek gaat ruim in op het Requiem en komt daarmee ongetwijfeld tegemoet aan een interesse die bij zeer veel muziekliefhebbers leeft. Veel mensen hebben – al dan niet vanuit een religieuze achtergrond – een voorliefde voor het genre van het requiem en voor hen is dit boek een regelrecht geschenk.

Als auteurs staan Pieter Bergé en Jan Christiaens op de titelpagina, maar er hebben veel meer auteurs aan het boek meegewerkt. Elk heeft vanuit zijn of haar specifieke vakkennis geschreven, zodat de behandelde werken op de meest bekwame en tegelijk meest ingeleefde manier worden voorgesteld.

“Het obstinate ritmische grommen in de strijkers” (Mozart), “een zorgeloos ritme met walskarakter” (Brahms), “Rond een tikkend staccato-motief, dat Verdi uit zijn ‘Dies Irae’-thema afleidde, bibberen de strijkers en lamenteren de houtblazers.” (Verdi), “een klaaglijke tenor en een pitsende trompet” (Weill), “gierende notenslierten in de hoge houtblazers of strijkers” (Britten), “wrijvende secundes” (Penderecki): het is een greep voorbeelden van de suggestieve beschrijving waarmee de auteurs ons in de talrijke en diverse requiemcomposities dompelen.

Ondanks die diversiteit heeft het boek een ontzettend heldere structuur. Er is een schitterend stramien uitgewerkt om doorheen de geschiedenis zowel de veelheid aan werken als de beschrijving van hun karakteristieken voor de lezer overzichtelijk en boeiend te houden. Elk van de auteurs heeft zich wonderwel ingepast in dat vooropgestelde schema, of hij nu schrijft over een polyfoon Renaissancewerk of een hedendaagse compositie.  

Na een voorwoord waarin de betekenis van de dodenmis in de westerse cultuur en muziek wordt toegelicht, bestaat het boek uit vier grote delen. Een eerste hoofdstuk is gewijd aan de oorspronkelijke gregoriaanse Missa pro Defunctis, de volgende hoofdstukken behandelen telkens een groot tijdsblok: het Requiem tot 1600, het Requiem van 1600 tot 1900 en het Requiem vanaf 1900. Het eerste beschreven Requiem is dat van Johannes Ockegem (ca. 1461), het laatste dat van John Tavener uit 2008.

Het hoofdstuk gewijd aan de Gregoriaanse Mis geeft de basiskennis mee waarop dan in de volgende delen verder wordt gebouwd. Het geeft op een heel heldere manier het schema mee dat doorheen het hele boek de maatstaf wordt voor de samenstelling van de requiemmissen en de variaties daarop en het gaat in op de betekenis van elk deel afzonderlijk. De bijdrage over de tekst van het Requiem verheldert waar de teksten van de Requiemmis vandaan komen en welke betekenis erachter zit. Wat stelt voor ons nog de “angst en beklemming” van het Dies Irae voor of het Bijbelse beeld voor het dodenrijk, “profundis”?

Elk deel begint met een kroniek waarin de algemene kenmerken van het Requiem in die periode toegelicht worden. Wat verandert er muzikaal, hoe beïnvloedt de tijdsgeest de inhoudelijke aanpak, wie zijn de belangrijkste vertegenwoordigers en waarom worden die in het vervolg van het deel meer in detail voorgesteld. In de Kroniek die het deel 1300-1600 voorafgaat, leren we bij voorbeeld dat de individuele stem meer belang krijgt en uiteraard dat de reformatie haar stempel gaat drukken op de benadering van de dodenmis.

Dan is een keuze gemaakt van zes of zeven componisten die hetzij de knapste werken schreven, hetzij maatgevend waren in hun tijd. Hun werk wordt getoetst aan het basisstramien waarbij de muzikale specialiteiten en kwaliteiten uitgelicht worden. Er wordt meestal nagegaan voor wie de mis geschreven is. Overlapping met de gegevens uit de Kroniek komen wel eens voor, maar de sterkte van elk schrijver is, dat zijn overtuigende detailverhaal boeiend blijft. Het boek kan uiteraard ook in delen of zelfs per componist gelezen worden, zodat de algemene achtergrondinformatie dan toch volledig blijft.

Ideaal is het boek te lezen als “luisterboek”. Bij elke analyse is een cd gekozen en je wordt met precieze verwijzingen naar stroken en tijden van die cd gegidst. Zo wordt het verhaal dat je krijgt over Orlandus Lassus in combinatie met de cd van het Hilliard Ensemble echt tot leven gebracht en ervaar je Mozarts Requiem getoetst aan de opname van Harnoncourt inderdaad als contrastrijk en theatraal. Uiteraard zullen weinig lezers beschikken over elke opname die in het boek aangehaald wordt. Het is dus jammer, dat het boek geen enkele akoestische drager meelevert met een selectie aan voorbeelden. Anderzijds lag cd-verzamelbox zeker niet binnen de mogelijkheden van de uitgave. Maar ik geef toe dat ook de verhalen over de werken die ik niet ter beschikking had om te luisteren, toch waardevol bleven, omdat de muzikale typering altijd gebracht wordt met inhoudelijke betekenis. Wervelende ritornelli bij voorbeeld in de mis van Jean Gilles waarbij de engel Michaël de overledenen het heilig licht binnenleidt.

Dat een schare musicologen nauwelijks een boek over de requiemmis kunnen schrijven zonder minimaal gebruik van vakterminologie spreekt voor zich. In het deel met requiems na 1950 is de musicologische vaktaal door de aard van de werken soms complexer voor de “leek”. “Fugatisch uitwerken” of “melismen” is voor een doelpubliek met basisnoties van muziektermen geen probleem en “ritmisch grommen in de strijkers” of “muziek bevriezen”, verstaat iedereen, dus ook hier is een goed evenwicht gevonden.

Het strikte schema waaraan de auteurs zich bij hun de opdracht moesten houden geeft een heldere structuur aan hun werk maar het heeft hen nooit geremd om hun emotionele betrokkenheid en bezieling in hun uiteenzetting te leggen. Dat is de absolute bonus van een boek dat inzicht geeft in een muziekgenre dat voor iedereen – ik citeer Pieter Bergé in de inleiding- “een nederig verzoek om eeuwige rust” is.