De gerenommeerde Oostenrijkse uitgeverij Amalthea zorgt voor geschikte vakantieliteratuur. N.a.v. diverse tentoonstellingen in Wenen in het “Jaar van keizer Franz Joseph” die in 1916 overleed, publiceerde ze verschillende boeken. En wat blijkt? Dat men de muziek niet vergeten is. Kan het ook anders in Wenen?

Tentoonstelling

2016 markeert de 100ste verjaardag van de dood van de Oostenrijkse keizer Franz Joseph I Met een groot aantal niet eerder uitgebrachte originele documenten uit de privé bibliotheek van de keizer brengt deze tentoonstelling zijn privé en openbare leven in beeld. Vandaag zijn er meer dan 10.000 foto’s, grafieken, boeken, tijdschriften en andere persoonlijke documenten Franz Joseph in de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek. De tentoonstelling “Der ewige Kaiser” presenteert de hoogtepunten van deze uitgebreide collectie en documenteert de politieke propaganda die werd bediend met de beeltenissen van de keizer tijdens zijn leven die tot vandaag nog resoneren in de Habsburgse mythe.

Muziek voor de keizer

Bij zo’n prestigieuze tentoonstelling hoort een prestigieus boek. In het hoofdstuk “Der unberührte Mittelpunkt, Franz Joseph I. und die Musik” schrijft Thomas Leibnitz over de rol die muziek speelde. We lezen daarin dat er talloze hommage composities aan de keizer werden gewijd. Zijn naam prijkt trouwens vandaag nog op de “Ehrentafeln” van de Weense muziektempels die hij opende, de Weense Staatsopera, het Musikverein gebouw, de “Kaiserjubiläums Stadsschouwburg” (de latere Volksoper) en het Wiener Konzerthaus. Tot zijn hofkapel behoorden Anton Bruckner en Hans Richter. Het doet denken aan de grote, gepassioneerde interesse in muziek, schrijft Leibnitz, van enkele van zijn voorgangers zoals Leopold I die zelf een uitgebreid compositorisch oeuvre naliet, of Karel VI, die de bewondering van kapelmeester Johann Joseph Fux genoot. In 1854, het jaar van het huwelijk van Franz Joseph met Elisabeth van Beieren, culmineerden de talrijke hommage composities in triomfantelijke parafrasen op het ‘Gott erhalte” en in de “Slavnostní symfonie “Triumfální” (de” Triomf Symfonie”) van Bedřich Smetana .

Bruckner, preluderende organist van de keizer

Onder de musici die werkzaam waren aan het hof treedt één naam op de voorgrond, deze van Anton Bruckner. Bruckner leverde de eerste jaren weliswaar onbetaalde diensten voor hij in 1878  hof organist werd, een ambt dat hij tot 1892 bekleedde. De organist van de keizer zorgde door zijn  landelijk, onhandig gedrag voor sensatie en opwinding bij de Hofgottesdiensten en veroorzaakte vertraging omdat hij maar bleef preluderen. Maar de relatie tussen Bruckner en zijn keizer was niet minder dan deze tussen de Beierse koning Ludwig II en Richard Wagner.

Naïeve Anton en Hanslick

Dat Bruckner de Franz-Joseph-orde ontving, was weliswaar minder een initiatief van de keizer dan wel van de jonge aartshertogin Marie Valerie. Zij stelde samen met haar Beierse nicht Amélie Maria, Bruckner voor aan het hof en kende hem in 1886 niet alleen de Orde toe, maar ook een jaarlijkse toelage van 300 gulden. Op 23 september, lezen we,  bezocht Bruckner de vorst in een privé-audiëntie om zijn dankbaarheid te betuigen. Het kwam tot een dialoog i.v.m. Edouard Hanslick, die in het boek is opgenomen. De korte en grappige dialoog in streektaal laat zien wat de componist vroeg en wat hij verwachtte van zijn keizerlijke beschermheer: “Und wia der Kaiser dann gesagt hat: ,Es wäre mir eine Freude, Ihnen einen Wunsch zu erfüllen!’, da hab i ma a Herz gnumma und bin aussagruckt: ,Majestät, wenn’s halt dem Hanslick allergnädigst verbieten taten, dass er so slecht über mi schreibt!’ Da hat der Kaiser wieder lachen müassen und gsagt:, Das kann wohl auch ich nicht!’ und damit war i entlassen.” Niet te missen.

Gartenmanie Der Habsburger

Het boek “Die Gartenmanie der Habsburger, Die kaiserliche Familie und ihre Gärten  1792–1848”, gaat over de “groene vingers van de Habsburgers”. Talrijke legendes en anekdotes vertellen over “gartelnden” Habsburgers. Een verscheidenheid aan prachtige tuinen toont nog steeds de passionele liefde van de  familie Habsburg  voor  plantkunde en tuinbouw. Vooral Keizer Franz II. (I), de schoonvader van Napoleon en de stichter van het Oostenrijks Imperium, was een groot tuinman en kreeg van het nageslacht de bijnaam “Blumenkaiser”. Zijn broers, de aartshertogen Karl, Anton en Johann, waren eveneens fanatieke tuiniers en plantenverzamelaars. De bloei van hun tuinen als afspiegeling van de persoonlijke voorkeuren en interesses van hun eigenaren, evenals de ontwikkeling van de Oostenrijkse tuincultuur in de 18de – en 19de eeuw,  dit en nog veel meer ontdek je in de ‘Tuinmanie van de Habsburgers”.

Starhemberg

De beroemdste burgertuin in de tijd van keizer Franz was zeker deze van Joseph Karl Rosenbaum, een werknemer van prins Esterhazy. Rosenbaum was gehuwd met de beroemde operazangeres Therese Gassmann, de dochter van de componist Florian Gassmann. Rosenbaum verwierf in 1816 twee percelen van het voormalig zomerpaleis Starhemberg auf der Wieden. Uit het boek van de bezoekers, het zogenaamd “Gartenbuch”, kan afgeleid worden dat o.a. de componisten Antonio Salieri (leraar van Therese Gassmann) en Carl Maria von Weber een bezoek brachten. Keizer Franz kocht Schloss Persenbeug met inbegrip van het nabijgelegen kasteel Rottenhof in december 1800. De erfenis kwam van graaf Leopold Hoyos, bevriend met de Mozarts.

Ondergrondse inspiratie

In het boek “Wienerwald für Entdecker, Von verschwundenen Schlössern, verträumten Feldherren und magischen Naturdenkmälern”, ontdekt u dan weer 15 bijzondere wandelingen in de historische sporen van verdwenen kastelen, dromerige generaals en magische natuurmonumenten. Soms schattig, vaak vergeten en vervallen, komen we ze overal tegen in de bossen rond Wenen, kapellen, monumenten, grafstenen en ruïnes. Wandel liefhebbende hoofdstedelingen zijn namen als Bellevue, Husarentempel of Agnes Bründl bekend, maar niet altijd de verhalen en geheimen er achter. Konrad Kramar en Beppo Beyerl zijn gaan dwalen in de voetsporen van vervlogen tijden en deden een verbluffende ontdekking, de ondergrondse inspiratie voor Mozarts ‘Zauberflöte’. Bij deze mini-historische uitstapjes in en rond het verleden van Wenen, met inbegrip van een kaart, van tips over hoe ze te vinden zijn en te bereiken, en tips voor herbergen, ontdekt u het Weense Woud, zoals u het zeker nog niet kende.

Lehár en Schikaneder

Zo ontdekt u het Lehár-Schlössl. In dit huis werd nogal wat muziekgeschiedenis geschreven. Franz Lehár woonde hier meerdere jaren en componeerde hier een aantal van zijn mooie, populaire operettes. Maar, vroeger woonde hier Mozarts librettist Emanuel Schikaneder. Mozart liet zich hier op de Cobenzl voor zijn “Zauberflöte” inspireren waarvan het libretto effectief door Schikaneder werd geschreven. Mozart, evenals zijn vorstelijke gastheer op de Cobenzl en Schikaneder, waren vrijmetselaars. Tussen Sievering en Grinzing zijn een paar Wienerwald heuvels, of moeten we zeggen “Gupfe”. Sinds mensenheugenis trekt het vakantiegangers en Luftkurer aan. We vinden de Gupfe in de brieven van Mozart, die hier de inspiratie vond voor zijn misschien wel belangrijkste werk.

Vor allem aber schwärmt er von einer Grotte

Boven alles, dweepte Mozart met de grot. Dat de grot een unieke attractie was voor de Weense adel, blijkt ook uit het enthousiasme van de jonge Mozart. Hij was vaak te gast bij graaf Cobenzl en bezocht dan vaak de grot. De graaf was zoals Mozart vrijmetselaar en ook lid van de Geheime Orde der Illuminati.  Zijn tuin met de grot drukte de maçonnieke symboliek en filosofie uit. Dat Mozarts “Zauberflöte”  doordrongen is van deze ideeën, is niet langer een geheim. Maar de gedachte dat de donkere grot en de rituelen die daar plaatsvonden in aanwezigheid van Mozart, terug te vinden zijn in de donkere wereld van Sarastro in het Singspiel, is voor veel muziekliefhebbers nog totaal onbekend.

Beethoven onder de boom

Het naburig “Gasthaus in der Klause” heeft helaas zijn deuren voor altijd gesloten. Maar, er zijn nog steeds de muurschilderingen die o.a. Schubert en Beethoven voorstellen. De “Parapluiebaum” was als bestemming (“Wanderzeil”) en als rustplaats zeer populair bij de Weense adel van de 18de – en 19de  eeuw. Beethoven componeerde in de schaduw van zijn kroon. Hij woonde immers tijdelijk in het naburige Mödling. Ook Franz Schubert en Moritz von Schwind  hebben hier gepicknickt  en geslapen en tal  van  schilders plaatsten hun ezels in deze prachtige omgeving .

Lanner & Strauss

Als we van de Helenenkirche over de rivier Schwechat langs de Vallei van de Schwechat wandelen, komen we aan het pension  “Zur Spielwiese”. Vóór 1848  concurreerden hier de orkesten van Joseph Lanner en Johann Strauss sr. De Husarentempel is en was een populaire bestemming. Franz Schubert en Moritz von Schwind hebben hier overnacht en hebben zich bij de tempel en het spectaculair uitzicht bij zonsondergang, te goed gedaan aan hun meegebracht druivensap, lezen we.

“Ich kenn ein kleines Wegerl im Helenental”

Tekst en muziek van het Lied “Ich kenn ein kleines Wegerl im Helenental”  werden in 1940 geschreven door Alexander Steinbrecher. Het maakte deel uit van een nu vergeten komedie, getiteld “Diamanten uit Wenen”. Net als veel Weners kwam Alexander Steinbrecher uit Brünn (nu Brno), werd in 1910 geboren en studeerde in Praag bij Josef Suk, de schoonzoon van Antonin Dvorak. In 1929 verhuisde hij naar Wenen, waar hij in de eerste plaats door zijn vele operettes en komedies,  maar anderzijds ook door zijn net zo veel huwelijken en affaires (onder andere met de actrice Jane Tilden), bekend werd. Wandelen we verder op de Wegerl in Helenental, komen we al snel op een rots met een Beethoven monument. Daarop staat te lezen “Op deze rots verbleef de onsterfelijke “Tonmeister”  in de jaren 1824 en 1825.” Hij zou hier delen van zijn 9de  symfonie hebben gecomponeerd.

“Bei der schwülen Mittagspein, Sehn ich mich nach deinen Gängen.”

Deze tekst van de koopman en botanicus Johann Rupprecht (1776-1846) zou zeker lang vergeten zijn, ware ze in 1814  niet getoonzet door Beethoven (“Merkenstein”, op. 100, voor twee zangstemmen en piano). Er is een dagboekfragment van Beethoven, die 22 december 1814 als de datum van toonzetting bevestigd en verder is er een brief van de componist aan de koopman-dichter, waarin Beethoven hem een boeiende en prachtige toonzetting van die tekst belooft. Uitermate boeiende lectuur. Warm aanbevolen.