Historica Marie-Theres Arnbom schreef een boek over de Joodse  Weense intelligentsia van weleer. Aan de hand van vier families schets ze in vier hoofdstukken het boeiend tijdperk van de Ringstrasse tot de nazi tijd. Twee van de vier families hadden alles met muziek te maken.

In haar  historisch panorama van de Welt von gestern ontmoeten we vooraanstaande Weners die dieser Epoche als hun Heimat aanvoelden. Het waren fabrikanten, wetenschappers, schrijvers, rabbijnen, industriëlen en journalisten, operettekoningen of leraren, architecten, componisten, dirigenten of artsen. Hun verhalen reconstrueren een samenleving, gekenmerkt door een enorme diversiteit, ongelooflijke creativiteit en een scherpe innovatieve geest. De mensen over wie  Marie-Theres Arnbom in haar boek vertelt, hadden weliswaar iets gemeen, ze hadden nl. allen hun wortels in het Jodendom en behoorden tot de Weense hogere middenklasse. Voor sommigen was religie nog steeds zeer belangrijk, anderen kwamen uit gezinnen waarvan de ouders of grootouders  hervormd waren.  Pas in 1933 en in 1938 werd de gemeenschap op de meest brutale wijze herinnerd aan hun verre oorsprong die nog weinig te maken had met hun eigen levens.

In het eerste hoofdstuk “Rabbiner und Schriftsteller”, ontmoeten we de familie Hirschfeld. Centraal staan twee broers, de librettisten Viktor Léon en Leo Feld. Viktor (1858-1940) werd geboren in Szenitz (vandaag Senica in Slowakije) en Leo (1869-1924) in Augsburg. De broers Hirschfeld maakten carrière als librettisten in Wenen. Leo Feld was naast librettist ook  dramaturg, regisseur, schrijver en vertaler. Geboren als Leo Hirschfeld was hij de jongere broer van Viktor en van de pedagoge Eugenie Hirschfeld. Hij verhuisde in 1875 naar Wenen, werd daar opgeleid aan de Universiteit en  behaalde een doctoraat in de filosofie. Hij woonde  enkele maanden in Berlijn en werkte als dramaturg en regisseur in Brunswijk. Een van zijn beste vrienden was de acteur Josef Kainz maar hij was ook vaak samen met Hermann Bahr en Peter Altenberg (cfr. liederen van Alban Berg) te zien in het Café Griensteidl in Wenen, waar hij inspiratie opdeed voor zijn opera libretti. Die waren bestemd voor Eugen d’Albert, Erich Wolfgang Korngold en Alexander von Zemlinsky.

Viktor Léon begon zijn carrière ongeveer met het libretto voor Johann Strauss’ “Simplicius”, een verhaal over de Dertigjarige Oorlog, naar Grimmelhausens “Der abenteuerliche Simplicissimus”. Die operette werd  geproduceerd in het Theater an der Wien in december 1887. Er volgde een reeks samenwerkingen met componisten als Zamara, Joseph Hellmesberger Jr., Alphons Czibulka, Rudolf Dellinger, Franz von Suppé, en hij maakte Duitse bewerkingen van Engelse, Victoriaanse Savoy  opera’s  als Arthur Sullivans “Yeomen of the Guard” en Edward Jakobowski’s “Erminie”. In 1898 kwam de grote doorbraak  toen hij samen met Heinrich von Waldberg en componist Richard Heuberger “Der Opernball” realiseerde, geproduceerd in het Theater an der Wien. “Wiener Blut” op melodieën van Strauss jr.  volgde en samen met Leo Stein schreef hij het libretto voor de legendarische operette “Die lustige Witwe” van Franz Léhar die eerder naam had gemaakt met zijn wals “Gold und Silber”. Die lustige Witwe” ging  in première in het Theater an der Wien in Wenen op 30 december 1905. Zijn dochter Lizzi wees hem op “Die Gelbe Jacke”, die in 1939 leidde tot Franz Léhars “Das Land des Lächelns”. Viktor Léons carrière bracht hem in contact met de grootste sterren van de Weense opera en operette van zijn tijd.

Het tweede hoofdstuk is gewijd aan de vergeten schrijfster Annemarie Selinko. De  tussen 1952 en 1960 heel beroemde roman “Désirée” over Désirée Clary, de  verloofde van Napoleon, werd geschreven door de Weense Anne Marie Selinko. Er werden in die jaren bijna twee miljoen exemplaren van verkocht en het werd vertaald in 22 talen. In de verfilming in 1954 met muziek van Alex North trad een nog onbekende Marlon Brando op. Anne Marie Selinko is een van die voorbeelden aan de hand van wie  de auteur de sociale situatie van de tijd van ongeveer 1890 tot 1940 beschrijft. Tot  de familie Bienenfeld van het derde hoofdstuk behoorde Elsa, de eerste vrouwelijke muziekcriticus van Oostenrijk en haar zus Bianca, de eerste Oostenrijkse gynaecologe. Elsa was vertrouwelinge van Wilhelm Furtwängler en recenseerde de modernste muziek van haar tijd, o.a. deze van Arnold Schönberg.

In het vierde hoofdstuk ontmoeten we de familie Koritschoner. Naast aangetrouwde familie van de Bienenfelds, was Mauritius Maria Koritschoner, de “Arzt der Wiener Künstler”. Maar de auteur verbergt ook niet de keerzijde van die joodse samenleving.  Morfine en alcohol bepaalden mede de levensduur of beter gezegd de dood  in de familie Koritschoner. De auteur heeft alles zorgvuldig onderzocht. Haar tekst is voorzien van voetnoten die verwijzen naar haar bronnen en aan het einde van het boek is er een bibliografie. Wel 75 zwart-wit foto’s tonen de in het boek vermelde of beschreven mensen. Het boek maakt nogmaals duidelijk hoeveel belangrijke persoonlijkheden, kunstenaars, wetenschappers, artsen, enz. de joodse gemeenschap in Wenen heeft voortgebracht. Dat verschillende leden van de families slachtoffer werden van het nationaal socialisme overschrijdt het menselijk voorstellingsvermogen. Een boek als deze houdt de vernietigde waarde in herinnering en brengt opnieuw wat licht in de eeuwige schaduw der schaamte. Warm, warm aanbevolen.