U kent vast wel het sprookje van Hans Christian Andersen over dat gekooide nachtegaaltje van de Chinese keizer. Het moet plaats maken voor een mechanische namaakvogel. Die kan op afroep net zo mooi zingen, maar wel altijd hetzelfde deuntje. Made in Japan. Hij gaat echter al gauw stuk. Waarop het nachtegaaltje weer terugkeert naar het hof en op voorwaarde in vrijheid te mogen leven de keizer van de dood redt.

Met dit sprookje symboliseert muziekfilosofe Marlies de Munck de positie van de hedendaagse klassieke musicus. Want moet die musicus niet net als die namaakvogel een getrouwe versie van een compositie leveren? Steeds weer opnieuw, steeds hetzelfde?

Welke vrijheid heeft een musicus eigenlijk nog om een compositie naar eigen hand te zetten of om zijn eigen artistieke gang te gaan?

In dit bescheiden maar daarom niet minder belangrijke boekje snijdt De Munck de precaire situatie aan waarin de uitvoerend musicus zich momenteel bevindt: de spanning tussen het streven naar vrijheid en het steeds strakker wordende keurslijf van de hedendaagse uitvoeringspraktijk.

Een podiumuitvoering moet immers tegenwoordig net zo perfect klinken als een cd-opname. Hoe redelijk is die eis als je beseft dat een studio-opname volop gemanipuleerd wordt en niets meer is dan een serie aan elkaar geplakte stukjes muziek? In feite is een opname op lp of cd niets anders dan een stuk elektronische muziek, dat heel ver afstaat van een ‘live’-uitvoering.

Fouten maken is tegenwoordig not done evenals een compositie interpreteren op een eigen manier. Wie van de norm afwijkt, kan op forse kritiek rekenen en loopt risico op excommunicatie.

Het is dan ook begrijpelijk dat musici hun toevlucht zoeken in zogenaamde bètablokkers om aan de prestatiedruk te ontsnappen, bij een psycholoog terechtkomen of vroegtijdig hun instrument aan de wilgen hangen.

De musicus als Japanse namaakvogel, die zijn nummertje afdraait. Het is een trieste vergelijking, maar daarom niet minder raak.

De Munck gidst de lezer door de geschiedenis van de muziekfilosofie. Ze toont de lezer hoe in de loop der eeuwen het denken over muziek veranderd is en hoe het komt dat de klassieke muziek verworden is tot een museum waarin de musicus de conservator is.

De muziek staat in een vitrine met een bordje ervoor:‘niet aanraken’.

Ze maakt de lezer vertrouwd met begrippen als werkconcept en Werktreue. Waarbij het werkconcept verwijst naar een ontwikkeling die zo ongeveer aan het eind van de achttiende eeuw plaatsvond: muziek werd in plaats van een activiteit waar je zelf aan deelnam nu een object dat zelf voorwerp was van een activiteit. Men sprak vanaf dat moment bijvoorbeeld over ‘De Negende’.

Men ontdekte het concert als uitgaansvorm. Er kwam een einde aan de tijd dat componisten het moesten hebben van een mecenas of een rijke (kerk)vorst. De componist kwam op eigen benen te staan. Hij kon componeren wat hij wilde en geld verdienen met de uitgaven en uitvoeringen van zijn werk. De muziekindustrie was geboren.

Werktreue is de trouw aan het werk dat je uitvoert. ‘Alle beelden en visioenen tot leven wekken die de componist bedoeld heeft’, zoals dichter E.T.A. Hoffmann het verwoordde. Dit concept sloeg aan, maar degradeerde de musicus tot een doorgeefluik van de ideeën van de componist, zelf onzichtbaar zonder persoonlijkheid.

Door de opkomst van de historische uitvoeringspraktijk in de oude muziek in de jaren zeventig werd het idee van de Werktreue nog versterkt onder invloed van pioniers als Nikolaus Harnoncourt, Gustav Leonhardt en vele anderen. De uitvoeringen werden steeds academischer, wetenschappelijker. De muziek kwam de universiteit binnen. Daar werd voortaan beslist wat wel en wat niet verantwoord was.

Het korset kwam nog wat strakker te zitten.

Pasklare oplossingen voor deze ongewenste situatie geeft De Munck niet, maar dat verwacht je ook niet meteen bij een dergelijke veelomvattende problematiek.

Ze houdt het bij het advies om verstandiger met de traditie om te gaan en de musicus zijn stem terug te geven. Ze wijst er op dat de musicus ten alle tijden de vrijheid heeft om ervoor te kiezen werken op een geheel eigen manier te spelen, te improviseren of om die zo getrouw mogelijk weer te geven.

Dat is natuurlijk waar, maar hier gaat De Munck wel voorbij aan het feit dat die vrijheid toch alleen is weggelegd voor een zeer beperkt aantal musici, misschien enkele solisten en alternatieve ensembles. De meeste musici hebben maar weinig te kiezen. Die zitten opgesloten in de gouden kooi van een (gesubsidieerd) orkest, ensemble of een koor. Daaruit ontsnappen heeft grote gevolgen op sociaal en financieel gebied. Dat is lang niet voor iedereen weggelegd. Er moet toch ook brood op de plank!

Toch lijkt de tijd rijp om afstand te nemen van begrippen als werkconcept en Werktreue en terug te keren naar de graindelavoix, de eigenheid van de uitvoerder. Dat dit al op kleine schaal gebeurt, is zonder meer hoopgevend. Dit boekje steekt die pioniers een hart onder de riem!

De Munck neemt de taak van klokkenluider op zich. Ze houdt een overtuigend pleidooi voor de bevrijding van de uitvoerend musicus en gaat daarbij moedig tegen de huidige trend in. Tegelijkertijd geeft ze een leerzaam overzicht van de evolutie die het denken over muziek de laatste twee eeuwen heeft doorgemaakt en de ingrijpende consequenties daarvan.

Haar boodschap is helder: er is op korte termijn een diepgaande discussie noodzakelijk onder het motto ‘waar zijn we eigenlijk mee bezig in de muziek!’

Niet langer gedraald of vluchten kan niet meer en het vogeltje ligt voorgoed met zijn pootjes omhoog.


  • WAT: De Vlucht van de Nachtegaal – Een filosofisch pleidooi voor de musicus
  • WIE: Marlies de Munck
  • UITGAVE: Letterwerk EPO, Questa Reeks