Auteur: Dirk Smulders

Wie Richard Wagner (1813-1883) zegt, denkt behalve aan het ‘Leitmotiv’ ook spontaan aan het ‘Gesamtkunstwerk’. Over dit laatste schreef de musicoloog en filosoof Arne Herman een uitermate boeiend en zeer lezenswaardig boek onder de titel Gesamtkunstwerk: de Ontwikkeling van een Idee, Duitse Muziekesthetica tussen Verlichting en Romantiek (1750-1850). Het werk werd verzorgd uitgegeven bij Peeters Publishers (Leuven) en is in alle opzichten een pareltje in het aanbod van de uitgeverij.

Herman neemt ons, 140 blz. lang, mee op een filosofische reis naar de scharnierperiode tussen de Verlichting en de Romantiek. Makkelijk is de tekst niet, maar de eloquentie van de auteur maakt veel goed, al blijft een zekere voorkennis van het filosofisch begrippenkader geboden. Vertrekkend vanuit de dialectische tegenstelling tussen het rationalisme (Descartes, 1596-1650) en het empirisme (Locke, 1632-1704) worden in het eerste hoofdstuk de epistemologieën (kenleer) van Alexander Baumgarten (1714-1762), Immanuel Kant (1724-1804) en Ernst Theodor Amadeus (E.T.A.) Hoffmann (1776-1822) met elkaar vergeleken. Centrale vraag betreft hier de kenbaarheid van de werkelijkheid.

Baumgarten en Kant synthetiseren, elk op eigen wijze, de kloof tussen de aangeboren (a priori) logica van het verstand (rationalisme) en de zintuiglijke kennis van een mens die nog slechts kan gezien worden als een vergaarbak van waarnemingen (empirisme). Bij Baumgarten leidt dit tot een bipolair kennisveld van een hogere ratio (logica) en een lager “irrationeel” kennisveld (aesthetica) dat evenwel, indien logisch opgebouwd en niet contradictorisch an sich, via associatie ten dienste kan staat van de hogere ratio (estheticologica). Bij Kant echter wordt een ondoordringbaar schot geplaatst tussen de universele ratio en de irrationele “bodem van de ziel” (fundus animae). De wereld wordt bij Kant onkenbaar en enkel te betreden via een gecategoriseerde (ratio) zintuiglijkheid. Dit Kantiaans schot drijft Hoffmann tot waanzin! Om aan die waanzin te ontsnappen ontwikkelt hij het serapiontische principe dat het irrationele niveau, gekoppeld aan het Kantiaanse Sublieme, in staat stelt om de toeschouwer, via een poëtische exaltatie, boven zichzelf te laten uitstijgen en de grenzen tussen het rationele (ware) en het irrationele (onware) te slechten.

Dat het serapiontische principe van Hoffmann aanleiding geeft tot een completer begrip van de werkelijkheid, zag ook Richard Wagner in. Toegepast op de kunsten kwamen beiden tot een ‘kunstenhiërarchie’ waarvan de muziek de hoogste was. In het tweede hoofdstuk wordt deze hiërarchie verklaard via de Wagneriaanse, op Hegel (1770-1831) gebaseerde, dialectische methode. Wagners denken kreeg nochtans pas diepgang door het idealisme van Arthur Schopenhauer (1788-1860). Als ideaal schuift Wagner de Atheense polis onder Perikles naar voor. In de Griekse tragedie ziet hij een absoluut hoogtepunt dat, alle kunsten met elkaar versmeltend, samenviel met de Griekse democratie (gemeinsamkeit). Aldus wordt de toeschouwer in die homogeniteit van kunst en staat een spiegel voorgehouden. Sindsdien zijn de kunsten echter in verval (Verfallsgeschichte): zij spreken niet meer uit één mond, maar gingen “egoïstisch” hun eigen weg. De kunst “op zich” werd niet meer gediend, maar secundaire broodheren (Christendom) die de artistieke vrijheid inperkten en de kunst hersmeedden tot een vorm van slavernij. Wél vervolmaakten de kunsten zich ondertussen op eigen terrein zodat ze in Wagners tijd opnieuw in elkaar kunnen vloeien tot gesamtkunstwerk, dat dan weer enkel “af” kan zijn zo de kunsten ook openlijk (Öffentlichkeit) weten te sporen met het maatschappijtype (sociale dimensie). Ziedaar het Wagneriaanse Kommunismus (nieuwe vorm van gemeinsamkeit) dat niet anders te begrijpen is.

Hermans boek laveert, evenzeer dialectisch, langsheen thesen en anti-thesen van een esthetisch denken, maar stopt niet bij de Wagneriaanse synthese. Wagners denken wordt in het derde hoofdstuk ook afgezet tegen het formalisme van Eduard Hanslick (1825-1904) – groot criticus van Wagner – en tegen de latere verfijningen van zijn filosofisch werk door bv. Arthur Seidl (1863-1928) of Susanne Langer (1895-1985), wat Wagners werk nog steeds een actuele dimensie geeft, ook op maatschappelijk vlak.

Arne Herman schrijft beklijvend en fungeert als ervaren gids in dat vitale landschap op de grens tussen verlichting en romantiek. Toch twee kleine detailopmerkingen. In de korte (politieke) biografie van Wagner, aan het begin van het tweede hoofdstuk, wordt soms ietwat slordig met termen omgesprongen: zo wordt Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) bij het ‘communisme’ ingedeeld, terwijl toch eerder het “anarchisme” hem op het lijf stond geschreven. Voorts blijft het vreemd dat nergens in het boek de esthetica van Johann J. Winckelmann (1717-1768) de revue passeert. Winckelmann zag, net als Wagner, het Atheense veld in de 5de eeuw v.C. als bakermat en hoogtepunt van de (beeldhouw)kunst, doch kon via z’n edle Einfalt en stille Grösse van de op contour en begrip scherpgestelde sculpturen niet aan Kant ontkomen. Een vergelijking van beide esthetica’s had, naar mijn oordeel, interessant en verduidelijkend geweest. Het blijven echter detailopmerkingen over een pittig, intellectueel uitdagend en vlot geschreven boek. Antidotum tegen de vloed aan knip-en-plak-uitgaven die het boekenbedrijf tegenwoordig teisteren. Een aanrader dus!


  • WAT: Gesamtkunstwerk: de Ontwikkeling van een Idee. Duitse Muziekesthetica tussen Verlichting en Romantiek (1750-1850)
  • AUTEUR: Arne Herman
  • ISBN: 978-90-429-3519-8
  • UITGEVERIJ: Peeters Publishers, Leuven, 2017