La musique doit humblement chercher à faire plaisir, l'extrême complication est le contraire de l'art. (Claude Debussy)

Bij een schitterende tentoonstelling hoort een schitterende catalogus. Dit is meestal  wel zo. In het geval van de tentoonstelling “Watteau,  de muziekles“ in Bozar, is de catalogus, zo mogelijks, nog schitterender dan de tentoonstelling zelf. Om te koesteren.

La musique doit humblement chercher à faire plaisir, l'extrême complication est le contraire de l'art. (Claude Debussy)

Bij een schitterende tentoonstelling hoort een schitterende catalogus. Dit is meestal  wel zo. In het geval van de tentoonstelling “Watteau,  de muziekles“ in Bozar, is de catalogus, zo mogelijks, nog schitterender dan de tentoonstelling zelf. Om te koesteren.

Zoals U ondertussen waarschijnlijk al weet, organiseert Bozar, samen met het Palais des Beaux-Arts de Lille, een tentoonstelling rond de  Franse schilder van begin van de 18e eeuw. Het is kennis  maken met de meester en zijn tijdgenoten aan de hand van een honderdtal schilderijen, tekeningen, etsen en muziekinstrumenten. De tentoonstelling beklemtoont dat aspect van het oeuvre van Watteau, waarbij  schilderkunst en muziek in dialoog treden en belicht dan ook de kruisbestuiving tussen beide  kunsten. Primeur is dat hier voor de eerste keer, uitvoerig aandacht gaat naar het onderwerp “Muziek” in het oeuvre van Watteau. En daar hoort een catalogus bij.

Een catalogus zegt alles over een  tentoonstelling en dan bedoel ik niet alleen de kwaliteit van de tentoongestelde werken, maar ook de organisatie, het opzet en het professionalisme van de inrichters en medewerkers. Een catalogus hoort een interessant leesboek en een mooi kijkboek te zijn. Deze catalogus kan nauwelijks interessanter en mooier zijn dan hij al is. Verdeeld over zes hoofdstukken, bieden de auteurs in het eerste deel, de lezer een hoogst deskundige kijk achter de schermen van Watteau’s schilderijen.

Omdat de tentoonstelling muziek centraal stelt, krijgen we interessante teksten over de muzikale cultuur ten tijde van de schilder. Van de in totaal 272 bladzijden zijn er 43 tekst, gewijd aan achtergrondinformatie. Na een korte maar heel interessante inleidende tekst van  Florence Raymond, verantwoordelijke van de afdeling 18de eeuw van het museum in Rijsel,  over de geschiedenis van de receptie van Watteau als schilder van muziek, opent Pierre Rosenberg, erevoorzitter-directeur van het Louvre in Parijs,  de catalogus in gesprek met dirigent William Christie, over de relatie van Watteau tot de muziek van zijn tijd.

Neuroloog Jean-Pierre Changeux van het Institut Pasteur in Parijs,  heeft het vervolgens onder de noemer “De Baricades mistérieuses van onze hersenen – Reflecties over schilderkunst en muziek bij Watteau”, over schilderkunst als totaalkunst en  kleur en klank in de relatie of het verband, tussen componist-clavecinist François Couperin, en schilder en tekenaar Antoine Watteau.  De hoofdconservator en directeur van het magnifieke Musée  des Beaux Arts van Rijsel,  biedt  vervolgens  in “De verbeelding van de klank”,  een poëtische lezing aan van de schilderijen van Watteau, in hun relatie tot de natuur, sfeer en literaire vormen.

Manuel Couvreur, decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de ULB, verrast ons vervolgens in zijn tekst “Het oor van de kunstenaar” met een beknopt, maar knap overzicht, van de veranderingen in de Franse muziekwereld ten tijde van Watteau, na het tijdperk van de legendarische koning Lodewijk XIV.

Guillaume Glorieux, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Rennes,  vertelt vervolgens uitvoerig in “Muziek en groepsvorming in mondaine kringen”, over de privéconcerten in Parijs ten tijde van Watteau,  ten huize van bvb. graaf Caylus, Monsieur de Collignon, de prins van Carignano, Pierre Crozat e.a. en over wie er allemaal kwam musiceren. Dat de broers Crozat schatrijk geworden zijn door de slavenhandel, wordt niet vermeld, maar dat weze hem, gezien de essentie van de tekst voor de plaatsen waar Watteau in contact kwam met muziek, vergeven. Alhoewel.

Tot slot  beschrijft Florence Gétreau van het Institut de recherche  sur le patrimoine musical en  France, op een sublieme wijze, de instrumenten en vooral ook de afgebeelde speelwijzen, en de  bevalligheid en zelfbeheersing van de muzikanten, die te zien zijn op de schilderijen van Watteau.

Als u dan dit alles grondig heeft gelezen en herlezen, begint het schouwspel van het eigenlijke catalogusgedeelte. Daarin kan u, verdeeld over negen thema’s, de in kleur afgebeelde werken in alle rust en intimiteit  bewonderen en  blijven bekijken. Deze zijn dan ook nog eens voorzien zijn van treffende en uitgebreide uitleg. De negen thema’s zijn “De gezichten van de kunstenaar” (met werk van Balécou, Boucher de Troy, DieuCrépy, Aubert en Lépicié), “Als zwijgen goud is”, “Vlaamse en Italiaanse invloed”, “Toneel en muziek in beeld gebracht” (met werk van o.a. Jacob en  Cochin de Oude), “Gestemde snaren, gelijkgestemde gevoelens” (met werk van Scotin, Audrian, Baron en Le Bas), “Instrumenten en muziekboeken”, “Instrumenten in tekeningen en prenten”, “Prenten naar Watteau” (o.a. van Moyreau, Tardieu, Caylus, Boucher, Cars, Dupuis en  Thomassin), en “Ten huize van Pierre Grozat” (met werk van Desplaces, Lancret, de Bar en Ollivier).

Waarde melomaan, deze uitgave, integraal in Nederlandse vertaling, mag u geenszins missen, want dit is geen catalogus, dit is een monument. Onnoemelijk veel dank aan alle deskundige auteurs en vooral aan Mevrouw Florence Raymond, die dit alles coördineerde. Om fier op te zijn, wat we ook zijn.