De ondertitel van dit boek maakt meteen duidelijk dat de verhouding van de Nazi’s tot de klassieke muziek op zijn minst problematisch was. Hitler was bijvoorbeeld een groot Beethovenadept, dol op Wagner en Bruckner. Niet zo vreemd, dat waren echte Ariërs, met in het geval van Wagner ook nog een positieve antisemitische trackrecord.

Maar wat te denken van de grammofoonplaten met muziek van de joden Offenbach en Mendelssohn die na de oorlog werden aangetroffen in de bunker van de Führer? Opnames van luis in de nazipels violist Bronislaw Huberman, Beethovenspecialist klavierleeuw Arthur Schnabel. Hoe kwam muziek van deze Joodse Untermenschen in Hitlers platenkast terecht? Het antwoord is simpel. Als die Untermenschen goed muziek konden maken dan maakte het hem niet uit. Maar natuurlijk gingen die platen wel achter slot en grendel, want als Führer moest hij geloofwaardig blijven.

In een bonte verzameling van negentien korte portretten van componisten en musici weet ex-radioman en muziekjournalist Fred Brouwers een indringend beeld te schetsen van de willekeur waarmee de kunstenaars tijdens het Derde Rijk te maken kregen en de omstandigheden waaronder ze gedwongen waren te leven en soms te sterven. Die omstandigheden maakten niet altijd het beste in de mens wakker.

Sommige helden vallen dan ook met een dreun van hun sokkel. Het stuitende antisemitisme van Stravinsky, het brutale opportunisme van ijdeltuit Herbert von Karajan die de grondlegger van de naoorlogse Duitse muziekindustrie zou worden, de windvanen Franz Lehar en Richard Strauss, de kinderlijk naïeve Mengelberg, die al in de eerste oorlogsdagen van zijn voetstuk viel en met wie het nooit meer goed zou komen, rabiate Jodenhaatster Elly Ney die haar straf zou ontlopen, om een paar van de overlevers te noemen. Niet te vergeten ook de tirannieke driftkikker Arturo Toscanini, die ondanks al zijn vele goede daden toch naar voren komt als een onuitstaanbare man.

Lang niet iedereen was echter in de positie om zijn huid te redden. Een grote naam volstond niet altijd om uit de klauwen van de Nazi’s te blijven tenzij je Fürtwängler heette. Dat gegeven levert een aantal schrijnende verhalen op met als dieptepunten de aangrijpende geschiedenis van ‘hitmachine’ Fritz Löhner-Beda die de hel van Auschwitz niet zou overleven en wiens moordenaar in 1968 vrijgesproken werd bij gebrek aan bewijs. Of de gruwelijke val waarin de ‘kleine Caruso’ Joseph Schmidt in zogenaamd gastvrije Zwitserland terecht kwam. Hij zou het niet overleven.

Veel van wat Brouwers beschrijft was natuurlijk al bekend, maar door zijn meeslepende stijl en door zijn rake typering van bekende en minder bekende musici weet hij de lezer van begin tot eind te boeien. Daarbij is hij uitstekend gedocumenteerd, blijft hij altijd genuanceerd en vermijdt hij om te oordelen ondanks zijn grote betrokkenheid bij het onderwerp. De daden spreken voor zich. ‘Fout zijn’ komt in vele gedaantes, zoveel wordt duidelijk.

Dit smaakt naar meer! Hopelijk heeft Brouwers nog voldoende materiaal voor een tweede deel! Hoe zat het ook al weer met Elisabeth Schwartzkopf, Walter Gieseking en heel veel anderen?

Dit boek is een must voor elke historisch geïnteresseerde klassieke muziekliefhebber die zich er dan wel op moet voorbereiden dat na lezing de platenkast er nooit meer zo zal uitzien als vroeger.


  • WAT: Beethoven in de bunker – Musici onder het Nazisme, vereerd, verbannen, vergast
  • AUTEUR: Fred Brouwers
  • UITGEVERIJ: EPO 2019