In 1893 schilderde Josef Büche het portret van de 69-jarige Anton Bruckner. Bruckner droeg voor de gelegenheid de Franz Joseph-orde en de briljantnaald van Maximilian Emanuel in Bayern. 

In 1893 schilderde Josef Büche het portret van de 69-jarige Anton Bruckner. Bruckner droeg voor de gelegenheid de Franz Joseph-orde en de briljantnaald van Maximilian Emanuel in Bayern. Nu, bijna 120 jaar later, siert een kleurreproductie van dit schilderij, de frontispice van het meest uitvoerig boek, ooit  geschreven, over deze organist uit het landelijke Ansfelden in Österreich ob der Enns.

Het in 1978 opgerichte Anton Bruckner Institut in Linz, heeft in 2010 de Nederlandse chemicus en muziekwetenschapper Cornelis van Zwol (°1935) tot erelid benoemd. Cornelis van Zwol kennen we o.a. als medewerker van “Luister” en van “ Mens en Melodie”, en van zijn mooi boekje “Op reis door ’t land van Bruckner” (1974).

Aan het Bruckner Institut in Linz  zijn wetenschappers uit de hele wereld  verbonden die sinds 1980 symposia organiseren over Bruckner  en jaarboeken uitgeven. De kennis die van Zwol in zijn leven over Bruckner heeft opgedaan, vindt u nu terug in zijn monumentaal boek, “Anton Bruckner 1824-1896 – Leven en werken”. Hij komt daarmee als Nederlander in de lijn van de publicaties over Bruckner van W. van Hengel, (Norbert Loeser), Wouter Paap, Simon Vestdijk en Jos van Leeuwen.  Naast de vele biografische gegevens, zijn in dit boek voor het eerst talloze brieven  in Nederlandse vertaling opgenomen. Achteraan in het boek wordt zelfs de historiek van de briefuitgaven geschetst en vindt u besprekingen van  Bruckners werken en de uitvoeringen. Niet alleen van zijn symfonieën en vooral van de verschillende versies ervan, maar ook van zijn Missen en van zijn Kamermuziek. Cornelis van Zwol droeg zijn boek op aan het Amsterdamse Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest.

Deze omvangrijke, zelfs gedeeltelijk in kleur, geïllustreerde uitgave, bestaat eigenlijk uit twee boeken. Na een heel uitvoerige, mooi geïllustreerde biografie van meer dan zeshonderd bladzijden, volgen bijna honderd bladzijden  bespreking van al Bruckners composities. De auteur heeft de composities gerangschikt  in de volgorde van de in 1974 voltooide Neue Gesamtausgabe.

We lezen dat de familie Bruckner bevolkt werd door boeren, herbergiers en drie generaties schoolmeesters.

Het leven van de aspirant-componist speelde zich af in Ansfelden, Hörsching, Ebelsberg, St. Florian, Linz, Windhaag, Kronstorf  en Enns. Allemaal dorpen en gehuchten in Neder- en Opper-Oostenrijk. In Bruckners tijd heetten die regio’s nog „Österreich unter der Enns“ en „Österreich ob der Enns“. De auteur heeft het biografisch deel onderverdeeld in twaalf hoofdstukken, afgewisseld met vier intermezzi, over Bruckner en Brahms, Bruckners vrienden in Steyr, Bruckners familie in Vöcklabruck en Bruckner en zijn operaplannen. We lezen over bisschop Rudigier, Richard Wagner, Bruckner in Wenen, zijn relatie met zijn huishoudsters, zijn  bijbaan aan St. Anna en de tegenwerking van Hanslick. Vervolgens gaat het o.a. over de Bayreuther Festspiele, de mislukte première van de Derde symfonie, zijn contact met de gebroeders Schalk, zijn  reis door Zwitserland, het ontstaan van het Te Deum, de brand in het Ringtheater  en het Parsifaljaar 1882. Uiteraard krijgt Bruckner in Nederland veel aandacht. Terecht.  Steden als Den Haag, Utrecht en Amsterdam waren immers Bruckner-steden van het eerste uur. Na uitweidingen over  zijn eredoctoraat,  Josef Schalk in Graz, zijn contact met Gustav Mahler, St. Florian,  Ida Buhz, zijn zeventigste verjaardag en zijn  laatste woning  in het Belvedere,  wordt het biografisch deel  afgesloten met een Appendix over Bruckners persoonlijkheid. 

Opdat U weliswaar niet zou denken dat dit boek, gezien haar omvang, en een gewicht van net niet één kilo, zevenhonderd gram, een vademecum of een compendium zou zijn, moet ik U echter op een aantal gebreken wijzen. Als U enkel de  belangrijkste artikels, essays en boeken over Bruckner en zijn muziek zou samennemen, dan zou U om en bij de 210 titels bekomen. Een aanzienlijk deel daarvan is opgenomen in de Bijlage, Literatuur en bronnenmateriaal. Dit wordt gevolgd door een overzicht van de historiek van diverse Bruckner-instellingen: de Brucknerbund für Oberösterreich, de Internationale Bruckner-Gesellschaft, de Nederlandsche Bruckner-Vereeniging en het Anton Bruckner Institut Linz. Dat de auteur de  Bruckner Society of America, opgericht in 1931, en het daaraan verbonden Bruckner Archive, dat zo maar eventjes 5.500 Bruckner-opnamen conserveert, en de meer dan volledige Bruckner-discografie van John F. Berky en Hans Roelof, overslaat, is onvergeeflijk. Dirigenten als Anton Seidl en Theodor Thomas dirigeerden immers in steden als New York, Boston en Chicago,  al Bruckners derde in de jaren ’80 van de 19de eeuw.

In 1931 publiceerde Gabriel Engels (1892-1952) overigens in New York, zijn boekje "The Life of Anton Bruckner", het eerste boekje over Bruckner in het Engels, dat  dus ook niet opgenomen is in de Literatuurlijst. Het gezaghebbend tijdschrift van de Amerikaanse Bruckner Society, “Chord and Discord”, ontbreekt dus ook in de Literatuurlijst. Dat de Bruckneropnamen van dirigenten als Karl Böhm en Herbert von Karajan niet besproken worden en hun namen zelfs niet opgenomen zijn in het register, is ook onvergeeflijk. Karl Böhm maakte bvb. met de Dresden Staatskapelle in 1936 de eerste opname van Bruckners vierde symfonie. Maar dat de Nederlandse auteur Aart van der Wal, naast Maarten Brandt en Paul Korenhof, redacteur van Opus klassiek, niet eens vermeld wordt, is niet alleen onvergeeflijk, maar ook totaal onbegrijpelijk. Want, U moet weten dat dit boek  specifiek Nederlands is, ik bedoel voor en vanuit de Bruckner-receptie in Nederland geschreven. Meer dan begrijpelijk, aangezien Bruckners muziek, meer bepaald zijn derde symfonie,  reeds in 1885 in Den Haag door Johannes Verhulst werd gedirigeerd. De auteur geeft ons trouwens mee dat zijn boek mede  tot stand kon kwam dankzij de stimulerende support van Bernard Haitink. Nederland heeft inderdaad een lange Brucknergeschiedenis. Nu heeft de Nederlander Aart van der Wal een magistraal essay geschreven over de finale van Bruckners negende. Een finale  die sedert de jaren ’60 door nogal wat specialisten is vervolledigd. Dat Cornelis van Zwol de vermelding van dit essay niet opneemt in zijn bespreking van de uitvoeringen van deze symfonie of in de Literatuurlijst,  kan ik niet begrijpen.

Bij het boek verschijnt een cd met de opname van de wereldpremière van de eerste versie (“Urfassung”) van Bruckners Vierde symfonie uit 1874, die in 1975 door Nowak werd gepubliceerd. Dat was tijdens het tweede Brucknerfest, op 20 september 1975 door de Münchner Philharmoniker o.l.v.  Kurt Wöss (1914-1987) in de grote zaal van het Brucknerhaus in Linz. In  1976 hebben de NCRV en de BBC dit concert uitgezonden en in 1980 werd deze versie op fonoplaat uitgebracht.  Bruckners vierde is een typisch voorbeeld van de complexe Wirkungsgeschichte. Van deze symfonie bestaan zo maar eventjes zeven versies, plus een gereorkestreerde door Mahler. Meestal wordt de versie uit 1886, die in 1953 door Leopold Nowak werd gepubliceerd, en die wij kennen als de “Romantische”, uitgevoerd en opgenomen (Klemperer Eugen Jochum, Sergiu Celibidache  Böhm, Solti, Muti, Sinopoli, Chailly, e.a.). Het verschil steekt hem vooral in het Scherzo (bekend als het “Jagd-Scherzo”) en in de Finale. Van deze oorspronkelijke versie kan U ondertussen  wel vijftien  verschillende opnamen beluisteren! De laatste was bij mijn weten in 2010 door de Hamburg Philharmoniker, o.l.v. Simone Young, jawel, een vrouw  (Oehms Classics).

Bibliografie, discografie en register hadden vollediger en systematischer gekund, maar, los daarvan, moet u dit indrukwekkend boek zeker aankopen. En dit omwille van de vlot lezende, gestoffeerde  biografie, en als naslagwerk wanneer u iets wil weten of wil opzoeken over één van Bruckners composities. U vindt er bijlange niet alles in, maar toch veel. Het belangrijkste is natuurlijk dat u Bruckners muziek vaak kan beluisteren en dat dit boek, zoals Riccardi Chailly het aan het begin van het boek verwoordt,  essentieel is voor de verdere studie van zijn  geniale muziek.