Alain Platel is een deeltjesversneller die zichzelf telkens weer uitvindt. Hij ontwikkelde een eigen uitdrukkingstaal en weet kwaliteit te combineren met experimenteerdrift.

Zijn esthetische rebellie draagt een sociale dimensie in zich, waaraan ze extra kracht en legitimiteit ontleent. Als geen ander weet hij de schoonheid en treurigheid van de wereld te vatten. Wat bracht hem bij de muziek van Mahler? Hij voelde  in eerste instantie affiniteit met het tijdsgewricht dat Mahler in zijn werk tot uitdrukking brengt: een tijd van versnelling en ontwrichting in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Er zijn duidelijk analogieën met onze tijd: de digitale revolutie en de broeierige, alom aanwezige terreur én nooit geziene exodus. De grote krijtlijnen van de voorstelling zijn: dag en nacht, leven en dood, lust en lijden. ‘nicht slafen ‘ duidt op alertheid. De dood loert om elke hoek en kant.

De goden hebben hun manden vol gaven boven deze productie omgekeerd. De stijl wordt cumulatief tot een krachtige imaginaire taal gesmeed in een dialoog tussen kunstvormen: dans, muziek, beeldende kunst. Bij het binnenkomen van de zaal trekt het decor van Berlinde De Bruyckere meteen de aandacht. Een kluwen van dode paarden op een sokkel, waarvan één poot in een laatste stuiptrekking de lucht insteekt. In de Eerste Wereldoorlog lieten tienduizenden paarden het leven op het slagveld. Waarschijnlijk putte beeldend kunstenares De Bruyckere daar haar inspiratie uit. De gelige fond doek is gescheurd en gerafeld. Getuigt van vergane glorie en verval. Steven Prengels zorgt voor een heel aparte soudscape. Naast het orkestrale werk van Mahler de Symfonie nr. 3 in D minor IV, staan twee liederen: een op tekst van Nietzsche uit ‘Also sprach Zarathustra’, ‘O Mensch’ door Nietzsche als danslied benoemd. Het andere lied komt uit het de Tweede Symfonie en loopt als een leidmotief doorheen de voorstelling: ‘Hör auf zu beben, bereite dich zu leben’. Bij wijze van contrast klinkt even een cantate van Bach: ‘Den Tod niemand zwingen kunnt.’ Allemaal topnoten vol zinnelijke pracht en tristesse.

De imperfectie die perfect maakt

Terwijl het publiek binnen stroomt wordt in het obscure licht,  onmerkbaar bijna, de scène bevolkt. Deemoedig staan de spelers rond de kadavers, onder de indruk van de massacre. Als contrast wordt een bucolische wereld opgeroepen. Het klingelen van koebellen straalt een serene rust uit. Een man met staf loopt de scène op, de herder. Opeens slaat de sfeer om. De protagonisten gaan elkaar te lijf en sleuren in een tomeloze woede elkaar de kleren van het lijf. Eens uitgeraasd volgt een sonoor lied waarbij de stemmen prachtig harmoniëren. Het doet me onwillekeurig denken aan de traditionele Corsicaanse polyfone liederen van I Muvrini. Muziek voor hart en ziel. Later in de voorstelling volgt nog zo’n intermezzo. Aansluitend nerveuze dansfrasen. De muziek als bewegingstaal wordt als het ware uitgebeend.  Lichamen wentelen om elkaar heen in een sensuele, dierlijke aantrekkingskracht. Lichamen gespannen als snaren. Manische energie die vrijkomt door de angst, de overstap naar de onbekende wereld van de dood. Het vlees en de botten van anderen bieden precies een diepgaande vorm van troost.  Ze worden in een chaotische maalstroom meegesleurd in een battle for life. Tijdens sommige muziekfragmenten vroeg Alain Platel aan een deel van de dansers om zo dicht mogelijk bij de muziek te blijven. Elke danser vult dat op zijn eigen manier in: klassieke dans, urban, jazz, kinderlijk huppelend. Aan variatie geen gebrek. Anderen moeten precies tegen de muziek ingaan. Dit amalgaan levert prachtige beelden op. De imperfectie die perfect maakt. Tot het mooiste en intrigerendste van de voorstelling behoort de confrontatie van onze westerse klassieke muziek met de Afrikaanse cultuur. De twee Congolese zangers/dansers: Boule Mpanya en Bérangère Bodin zingen Pygmee-muziek met een heel eigen vorm van polyfone en ritmische complexiteit. Het pure, zuivere geluid  van twee fantastische stemmen, met een toon die je blij maakt en ontroert. Een explosie ook van levensdrift. Eén van de twee beweegt daarenboven op een onwaarschijnlijk soepele en opzwepende manier: heupen, benen, tors alles is in beweging en swingt. De Afrikaanse dans is polyritmiek: schouders, borst, armen en benen bewegen op verschillende ritmes van de muziek. Hoe meer ervaren de danser is, hoe meer stijlen hij door mekaar kan dansen. Deze danser heeft alles onder de knie. Via de dans worden in Afrika sociale patronen en waarden binnen de stam aan de gemeenschap doorgegeven. Gaat de rest van de cast eerst mee in deze opflakkering van levensvreugde en vitaliteit, alras slaat hun houding om in afwijzing, negativiteit. Ze haken af. Het ritualiseren van de dood krijgt weer overwicht. Acht mannelijke dansers en één vrouw dansen op leven en dood. Misschien één opmerking. Er staan allemaal jonge, viriele mannen op het podium. Gezien de thematiek mis ik iemand van op leeftijd  in de cast, daar de dood met de ouderdom een zeer realistisch vooruitzicht wordt.

‘nicht schlafen’ werd bijzonder gesmaakt door het publiek.

Deze productie trekt na vier voorstellingen in deSingel op tournee doorheen Italië, Frankrijk, Duitsland. In december is Nicht schlafen nog te zien in eigen land in Aarlen en de Stadsschouwburg van Leuven.